Defensie (Frans: La Défense), of ook wel het Belgisch leger, staat in voor de bescherming van de strategische belangen van België. Het is in feite een beroepsleger, want de dienstplicht werd op 5 februari 1995 opgeschort.
Opperbevelhebber is koning Filip, de verantwoordelijke minister van Defensie is sinds 3 februari 2025 Theo Francken (N-VA). De dagelijkse leiding ligt bij de Chef Defensie, sinds 4 juli 2024 generaal Frederik Vansina. Onder het Belgische ministerie van Defensie vallen naast militairen ook ongeveer tweeduizend burgers. In de lente van 2025 werd besloten de begroting versneld tot de NAVO-norm van 2 procent van het bbp te verhogen, tot 11,8 miljard euro per jaar.
Het Belgisch leger werd opgericht nadat België onafhankelijk werd in oktober 1830. Sindsdien heeft het leger gevochten in de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog (Koreaanse Oorlog en bezetting van de Bondsrepubliek Duitsland). Het Belgisch leger is ingepast in de NAVO en heeft deelgenomen aan operaties in Bosnië, Somalië, Kosovo, Libanon, Libië en Afghanistan. De elite-eenheid waren de paracommando's (nu Special Operations Regiment), die een aantal keren actief waren in Centraal-Afrika. Tijdens hun inzet als blauwhelm in Rwanda werden in 1994 tien Belgische paracommando's ontwapend en vermoord.
Indeling Defensie bestaat uit volgende componenten: De Marine zet een vloot in bestaande uit twee fregatten, zes mijnenjagers, twee patrouillevaartuigen, een commando- en steunschip, een opleidingsschip en een schip voor oceanografisch onderzoek. De Marinecomponent voert wereldwijd opdrachten uit zoals ontmijning, patrouilles en humanitaire operaties. De Marinecomponent heeft een expertise in mijnenbestrijding. De Luchtmacht beschermt het nationaal luchtruim en dat van bondgenoten. Wereldwijd levert het inspanningen voor vredeshandhaving en levert stabiliteit door middel van militaire diplomatie. Hiervoor beschikt de Luchtcomponent over F-16- en F-35-gevechtsvliegtuigen, transportvliegtuigen (Airbus A400M), Agusta A109-helikopters, vier NH-90's van het type NFH (Nato-Frigate-Helicopter), vier NH-90's van het type TTH (Tactical-Transport-Helicopter) en drie Aérospatiale Alouette III helikopters. De Landmacht bestaat uit de Gemotoriseerde Brigade en het Special Operations Regiment. De Landcomponent beschikt onder meer over pantserinfanterievoertuigen van het type Dingo-II, Pandur I en Mowag Piranha's in verschillende uitvoeringen. De Medische Dienst is actief bij de militaire operaties van Defensie in het buitenland en hulpacties binnen en buiten België. De Medische Dienst is gespecialiseerd in behandeling van brandwonden, vooral in het Militair Hospitaal Koningin Astrid in Neder-Over-Heembeek. Het Cyber Command heeft een duale functie: beveiliging van militaire systemen en de kritieke Belgische cyberinfrastructuur. Ze zal samenwerken met andere bedrijven.
Geschiedenis Oprichting Toen België zich afsplitste van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1830-31 werd er verwacht dat België een rol kon opnemen als neutrale bufferstaat tussen de grootmachten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland en Pruisen. Hierdoor zou de nood aan een duur permanent leger vermeden kunnen worden, zodat voornamelijk gesteund kon worden op een kleinere deeltijdse militie als de bestaande 'Burgerwacht' (fr: Garde Civil). Al snel werd echter duidelijk dat België behoefte zou hebben aan een regulier leger. De basis voor rekrutering was 'selectieve dienstplicht', waarbij vrijstellingen gekocht konden worden. Dit betekende in praktijk dat slechts een kwart van de jonge mannen effectief dienstplicht deed, waarvan het grootste deel bestond uit de armere lagen van de bevolking.
Vroege geschiedenis thumb|Soldaten van het Corps Expeditionnaire Belge tijdens de Franco-Mexicaanse Oorlog. Als deel van het nationale beleid inzake neutraliteit, werd het Belgisch leger in de 19e eeuw ontplooid als een in essentie defensieve macht met forten aan de Nederlandse, Duitse en Franse grenzen. Door problemen met de rekrutering bleef het leger onder zijn bedoelde sterkte van 20 000 manschappen. In 1868 werd een strengere wetgeving goedgekeurd met betrekking tot de dienstplicht. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog in 1870 werd een algemene mobilisatie afgekondigd voor bijna een geheel jaar, waardoor grote problemen met training en structurele zwakheden opdoken. Een met de Staatsveiligheid geïmproviseerde militaire inlichtingendienst, en de aanwezigheid van Belgische eenheden langs de landsgrenzen konden er echter voor zorgen dat het strijdgewoel nooit tot op het Belgisch territorium werd voortgezet.Kenneth Lasoen, 'Les secrets du département de la guerre. Militaire inlichtingen 1830-1914' in M. Cools, P. Leroy, R. Libert, V. Pashley, D. Stans, E. Testelmans and K. Van Acker (eds.), "1915-2015: Het verhaal van de Belgische militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst" (Antwerpen: Maklu 2015), p. 100-102; Geoffrey Wawro, "The Franco-Prussian War. The German Conquest of France in 1870-1871" (Cambridge: Cambridge University Press 2003
Tot het einde van de jaren 1890 bleef het Belgisch leger afhankelijk van een systeem van selectieve dienstplicht, in een tijd waarbij de meeste Europese landen een universele dienstplicht hadden ingevoerd naar Pruisisch model. In België werden rekruten geselecteerd door een loterijsysteem. Diegene die geselecteerd werden konden echter ontsnappen aan de dienstplicht door een vervanger te betalen.Fedor von Koppen, page 71 "The Armies of Europe", Dit systeem bevoordeelde de gegoeden en werd in het buitenland afgedaan als inefficiënt en onpatriottisch. Voor de geselecteerden duurde de dienstplicht acht jaar, gevolgd door vijf jaar als reservist.British War Office, pages 2-3 "Handbook of the Belgian Army",
Het leger van de Kerkelijke Staat, dat gebaseerd was in Rome, bestond vanaf 1860 uit een eenheid van bataljon-grootte gekend als de Tirailleurs Franco-Belges (Franco-Belgische scherpschutters). De soldaten van deze eenheid werden gerekruteerd onder vrijwilligers van beide landen. In 1861 werd de eenheid omgevormd tot de Pauselijke Zoeaven. In 1871 vocht deze eenheid aan Franse zijde mee in de Frans-Duitse Oorlog.Guy Derie, page 130 "Les Soldats de Leopold Ier et Leopold II",D 1986/0197/03 Bruxelles
In 1864 werd het Corps Expeditionnaire Belge (gekend als het Belgisch Legioen) opgericht voor operatie in Mexico. De bedoeling van deze 1500 man sterke eenheid was te dienen als lijfwacht van de Belgische keizerin Charlotte. Het bestond voornamelijk uit vrijwilligers uit het Belgisch leger. In Mexico maakte het Belgisch Legioen deel uit van de keizerlijke krijgsmacht, voor ze in maart 1867 terugkeerde naar België en ontbonden werd.Guy Derie, page 124 "Les Soldats de Leopold Ier et Leopold II", D 1986/0197/03 Bruxelles
In 1885 werd de Force Publique (Openbare Weermacht) opgericht om te dienen als militair garnizoen en politiemacht in Belgisch-Congo, toen direct in handen van koning Leopold II. Bij de start bestond deze eenheid uit diverse Europese huurlingen. Wanneer Congo in 1908 onder het bestuur van de Belgische staat kwam als kolonie werd de koloniale Force van Belgische officieren voorzien.
Begin 20e eeuw, vanwege het onbehagen door de herhaaldelijke crises tussen Duitsland en Frankrijk, werd het Belgisch leger een eerste maal op grote schaal hervormd. In 1909 werd het loteling-systeem afgeschaft en een generale staf ingevoerd. Die laatste had de handen vol met de Tweede Marokkaanse Crisis over Agadir in 1911.Kenneth Lasoen, pp. 111-113 'Les secrets du département de la guerre In 1913 werd een verplichte en universele dienstplicht ingesteld in België. Hierdoor groeide de krijgsmacht tot 33000 militairen (in vredestijd), die via een algemene mobilisatie kon opgetrokken worden tot 120500 man. In 1834 werd de Koninklijke Militaire Academie opgericht, gevolgd door de oprichting van een École d'Application en een École de Guerre voor de training van de militaire staf. Een van de innovaties waarin het Belgisch leger pionierde was de training van een korps van gespecialiseerde officieren die de financiële zaken, de personeelszaken en de algemene administratie verzorgde. Wanneer het leger sterk uitbreidde in 1913 ontstond er echter al snel een tekort aan getrainde stafofficieren.R. Pawly & P. Lierneux, page 4 "The Belgian Army in World War I,
Eerste Wereldoorlog
Staat van het Belgische leger in 1914 thumb|Een Belgische eenheid met machinegeweer in 1914 Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bestond het Belgische Leger uit 19 infanterieregimenten (linie, jagers te voet en regiment carabiniers-grenadiers), 10 cavalerieregimenten (gidsen, lanciers en jagers te paard) en 8 artillerie-eenheden (bereden, veld- en vestingsartillerie). Ondersteunde troepen bestonden uit ingenieurs, gendarmerie, vestingstroepen, treinwachters en burgerwachten. De zeven divisies van het veldleger moesten een mobiele krijgsmacht vormen terwijl de 65 000 vestingstroepen een garnizoen vormden voor de belangrijke forten rond Antwerpen, Luik en Namen. Deze vestingen werden vanaf 1859 in verschillende fasen gebouwd. In 1914 waren echter niet alle forten afgewerkt. Ondanks dat deze forten goed ontworpen waren naar negentiende-eeuwse standaarden, bleken deze echter voorbijgestreefd door ontwikkeling van zware houwitsers. thumb|Belgische troepen tijdens de Slag der Grenzen in 1914 thumb|Belgische artillerie in 1914 thumb|Belgische troepen in september 1914 bij gevechten in Tienen thumb|De schans Dorpveld, deel van de Stelling van Antwerpen, bij Sint-Katelijne-Waver werd voltooid in 1912
Het Belgisch leger in de Eerste Wereldoorlog thumbnail|Belgische karabiniers tijdens de verdediging van Luik in augustus 1914 Toen de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 uitbrak zat het Belgisch leger midden in een herstructurering. Hierdoor, en door de snelle bezetting van België werd slechts twintig procent van de mannen gemobiliseerd en geïncorporeerd in de krijgsmacht. Uiteindelijk ging het om 350 000 man, al nam een derde van dit aantal niet direct deel aan de gevechten.
België werd bij verrassing binnengevallen door het Keizerlijke Duitse Leger dat ongeveer 600 000 man sterk was. Het kleine, slecht uitgeruste Belgische leger bestaande uit 117 000 man kon de Duitse aanval echter voor tien dagen voor Luik vasthouden. Het Belgische leger vocht tussen de forten in en met ondersteuning van deze forten. Deze strategie steunde op het napoleontische concept van een voorhoede die een deel van de vijandelijke troepen afsnijdt van het gros van het vijandelijke korps. De Franse autoriteiten en het Franse publiek waren verheugd over deze Belgische weerstand, die de Duitsers niet verwacht hadden. De Belgen konden de Duitsers effectief vertragen zodat de Franse legers de Duitse aanvallen bij de Eerste Slag om de Marne konden weerstaan.
Na de Slag der Zilveren Helmen, waar de Duitse cavalerie en ondersteunende infanterie verslagen werd, door enkele Belgische divisies, houdt het Belgische leger de Duitse troepen vast bij de Stelling van Antwerpen. Na twee maand van gevechten trekt het Belgische leger zich terug achter de IJzer. De beslissende Slag om de IJzer werd uiteindelijk gewonnen met hulp van de Fransen en de Engelsen, hierbij steunend op inundaties door de Belgische genie.
Vier jaar lang bewaakte het Belgische leger, onder leiding van Koning Albert I, de linkervleugel van het geallieerde front tussen Nieuwpoort en Ieper. De Belgen krijgen hulp van de Triple Entente, maar zullen niet deelnemen aan de grote geallieerde offensieven, die volgens de koning te duur waren (financieel en qua mankracht). In 1916 werd een aantal Belgische gepantserde wagens verplaatst van het IJzerfront naar Rusland om het Russische Keizerrijk bij te staan.