thumb|Op de voorgrond een van de twee rolbanen op het terrein van de Wagenwerkplaats; op de achtergrond het hoofdgebouw thumb|Hoofgebouw; dit gedeelte van het gebouw is thans in gebruik als kantoor/atelier van H+N+S Landschapsarchitecten. De wagenwerkplaats in Amersfoort is een terrein van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM), dat in 1904 werd aangelegd voor het herstellen van spoorwegmateriaal. Op het terrein aan de Soesterweg 244 in de wijk Soesterkwartier, vond onderhoud van en reparatie aan goederenwagons plaats.

De werkplaats ging in 1938 over naar de Nederlandse Spoorwegen, is tot 2000 in gebruik geweest en behoort tot het industrieel erfgoed van Amersfoort. De werkplaats is door 'Siesta' (Stichting Industrieel Erfgoed in de Stad Amersfoort) in de schijnwerpers geplaatst en is in 2007 aangewezen als rijksmonument.over de aanwijzing als monument op de website van Federatie Industrieel Erfgoed Nederland (FIEN)

Sinds ongeveer 2002 worden er initiatieven genomen om het terrein een nieuwe bestemming te geven, waarin de nog bestaande industriële monumenten behouden blijven.

Voorgeschiedenis Nadat in 1863 de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij (NCS) de lijn Utrecht – Hattem via station Amersfoort NCS had geopend, legde in 1874 de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) de lijn Amsterdam – Amersfoort (en twee jaar later richting Apeldoorn en Zutphen en verder) aan: de Oosterspoorweg.

Amersfoort was in korte tijd een belangrijk spoorwegknooppunt geworden. In het volgende jaar werd door de regering een wetsontwerp ingediend, waarin een spoorlijn van Amersfoort via Veenendaal en Wageningen naar Nijmegen was opgenomen. De Tweede Kamer besliste dat de lijn via Rhenen en Kesteren moest lopen. Op 19 juni 1885 werd bij wetsontwerp voorgesteld de exploitatie van de lijn Amersfoort – Kesteren aan de HIJSM te gunnen. Daarover ontstond veel commotie, maar in 1886 hakte de regering, buiten medeweten van de Tweede Kamer, de knoop door. In hetzelfde jaar werd de lijn in gebruik genomen; daarmee was een verbinding met Keulen tot stand gebracht en de positie van Amersfoort als spoorwegknooppunt nog verder versterkt.

Toen de Oosterspoorweg in gebruik werd genomen, ging de HIJSM gebruikmaken van het NCS-station. Bij de aanleg van de lijn naar Kesteren werd een tweede station geopend. Op 1 augustus 1901 werden beide stations vervangen door een nieuw, op de plaats waar het station zich nu nog bevindt.

Al in 1871 ijverde de Kamer van Koophandel voor de vestiging van een spoorwegwerkplaats in Amersfoort. In 1895 werd een driesporige locloods aan de lijn naar Kesteren verbouwd tot hulpwerkplaats. In deze 'Werkplaats tot herstellen van spoorwegmateriaal' van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) werkten in 1896 achttien arbeiders en er stond één stoommachine. In 1901 werkten er vijf mensen en stonden er twee stoommachines.Brusse 2009, p. 576

Rond 1900 maakte de HIJSM de eerste plannen voor een nieuwe wagenwerkplaats westelijk van het nieuwe station Amersfoort. De HIJSM had behoefte aan een gespecialiseerde wagenmakerij ten behoeve van goederenwagons. De bestaande Hoofdwerkplaats Haarlem werd te klein door de uitbreiding van het spoorwegnet en de intensivering van het vervoer. Amersfoort, een centrale plaats in het land en spoorwegknooppunt, was voor de nieuwe werkplaats een geschikte locatie.

Het zanderige terrein tussen de Soesterstraatweg en het nieuwe gemeenschappelijke spoorwegemplacement kwam in aanmerking. Het terrein was begroeid met hakhout en er waren enkele akkertjes, waarop rogge en aardappels verbouwd werden. De meeste percelen konden aangekocht worden, maar met één eigenaar van drie percelen "stuitten de onderhandelingen (…) af." Daarom moest een onteigeningsprocedure worden gestart.Russer 2007, p. 91 en Amersfoortsche Courant 25 oktober 1902; te raadplegen via het digitale krantenarchief van Archief Eemland

Op 12 januari 1903 kwam een wet tot stand waarin de onteigening werd gevorderd "ten name van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij van de eigendommen in de gemeente Amersfoort, noodig voor het bouwen van eene wagenwerkplaats en daarmede in verband staande werken".Bijv.: wet inzake het bouwen van een wagenwerkplaats te Amersfoort d.d. 12 januari 1903 op de website 'Tijdbalk Amersfoort'

1 maart 1904 thumb|Bericht in Amersfoortsche Courant van 1 maart 1904Amersfoortsche Courant 1 maart 1904, p. 2; ontleend aan digitaal krantenarchief Archief Eemland De werkplaats werd in gebruik genomen op 1 maart 1904. De bouwwerkzaamheden waren al in 1903 begonnen. Van het begin af aan werd de wagenwerkplaats bestemd voor herstel en verbouwing van goederenmaterieel. Het goederenwagenpark van de HIJSM bestond in 1904 uit bijna 6.000 wagons.van Wijck Jurriaanse 1974; Russer 2007, p. 92 meldt 5932 wagens In het eerste jaar werden al 2500 goederenwagons hersteld.Brusse 2009, p. 576; Russer 2007, p. 92: 2530 en in de eerste zes maanden van 1905: 1878 Behalve goederenwagons werden ook bagagewagens voor goederentreinen hersteld. Daarvan had de HIJSM er eind 1904 in totaal 108.

Bij de spoorwegstakingen van 1903 had personeel uit de Hoofdwerkplaats Haarlem van de HIJSM zich niet onbetuigd gelaten. Veel personeelsleden werden daarom ontslagen, maar een aantal van hen werd weer aangenomen – waarschijnlijk vanwege een tekort aan arbeidskrachten op dat moment –,de Vries & Kuenen 2008, p. 8 op voorwaarde dat ze naar Amersfoort zouden verhuizen. De werkplaats Amersfoort kreeg om die reden de bijnaam 'Strafkamp'.Brusse 2007, p. 591 meldt zelfs dat de "aanleiding voor de overplaatsing" van de werkplaats de staking van 1903 was. Ongetwijfeld bedoelt hij: de overplaatsing van het personeel

Op 1 maart 1904 bericht de Amersfoortsche Courant over de aankomst van een eerste groep werknemers uit Haarlem, met vrouwen en kinderen in speciale treinen. Gedurende de eerste week van maart arriveerde elke dag een extra trein met 14 wagens vol met verhuisgoed en een aantal rijtuigen uit Haarlem.Russer 2007, p. 92 In korte tijd vestigden zich tussen de 500 en 600 personen in Amersfoort – een belangrijke impuls voor de lokale economie.Maes 2004, p. 4/5

De eerste veertig jaar Het totale complex van de wagenwerkplaats omvatte aan het eind van de 20ste eeuw ruim 20 ha.Over het ontstaan van Siësta, geraadpleegd 2011-05-07

Aanvankelijk stond er een hoofdwerkplaats, een ketelhuis en een magazijn. In 1908 werden er een wagenloods en een verensmederij bijgebouwd. Alle gebouwen werden ontworpen door de huisarchitect van de HIJSM, D.A.N. Margadant.Op de website van SIESTA wordt gesteld: "Algemeen wordt aangenomen dat de ontwerper van de gebouwen D.A.N. Margadant was." (zie alhier) Blijkbaar is dat niet helemaal zeker.

Voor de energievoorziening werden twee stoomketels geplaatst, die een dynamo aandreven. De elektrische stroom werd gebruikt voor aandrijving van de traverse, de elektromotoren van de wielenbanken, de draaierij, smederij en houtbewerking, en voor de verlichting van kantoren en werkplaatsen en van de booglampen op het emplacement.van Wijck Jurriaanse 1974

In 1908 werd begonnen met een aanzienlijke uitbreiding van de werkplaats.informatie over de wagenwerkplaats op de website van Siesta, met foto's; en: Kennisgeving in "Amersfoortsch Dagblad" 28 oktober 1908; ontleend aan het digitale krantenarchief van Archief Eemland In 1909 kwam de vijfsporige wagenloods gereed. Ook werd een smederij, een grotere machinale houtbewerkerij en een houtdroogoven gerealiseerd. In 1910 werd de bouw van de gasfabriek voltooid.Russer 2007, p. 93 In deze vetgasfabriek werd het zogenaamde "vetgas" gemaakt, dat werd gebruikt voor verlichting van rijtuigen. Deze fabriek veroorzaakte in de loop van zijn bestaan, tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, een omvangrijke vervuiling.

In 1920 volgde een nieuwe uitbreiding."Amersfoortsch Dagblad" / "De Eemlander" 29 mei 1920, p. 3. – uit het Digitale Krantenarchief van Archief Eemland Rond 1923 werd van de eigen stroomvoorziening overgeschakeld op levering via het net van de PUEM.Russer 2007, p. 93 In 1924 werd de capaciteit van de werkplaats verdubbeld.

In 1926 werd de wagenafdeling van de werkplaats Tilburg gesloten. In 1927 die van Zwolle. In 1931 die van de Centrale Werkplaats Utrecht. De werkzaamheden op de werkplaats in Amersfoort namen daardoor aanzienlijk toe. De bedrijfsleiding van wagenherstelplaatsen op verschillende plaatsen in het land (onder andere de wagenwerkplaats in Blerick) werd ook ondergebracht in Amersfoort. Op 1 april 1936 kreeg de werkplaats als gevolg van deze centralisatie de status van centrale werkplaatsRusser 2007, p. 93/4 of hoofdwerkplaats.Brusse 2009, p. 577

De Tweede Wereldoorlog Het begin van de Tweede Wereldoorlog is voor de werkplaats in Amersfoort het einde van de periode van groei. In de kort voor de oorlog gereedgekomen schilderswerkplaats stalden de Duitsers een pantsertrein. Het personeelsbestand groeit sterk: veel mensen duiken onder bij de NS. Behalve het eigen wagenpark moeten ook locomotieven en materieel voor de Duitsers worden gerepareerd. De werkplaats krijgt extra bescherming tegen luchtaanvallen.

De spoorwegstaking ging ook aan de Wagenwerkplaats niet ongemerkt voorbij. De Duitsgezinde loco-burgemeester Wendling maakte op 29 september 1944 bekend dat het gewenst was dat het personeel het werk hervatte, en dat anders represailles niet zouden uitblijven.

In december 1944 richtten geallieerde bombardementen grote schade aan op het Amersfoortse station en de wagenwerkplaats. De inventaris van de werkplaats werd nagenoeg volledig afgevoerd naar Duitsland.Russer 2007, p. 98-103

De tweede helft van de twintigste eeuw In 1946 wordt de productie hervat. Eind 1946 bevindt de productie zich op het niveau van 72% van de jaren 1938/'39. In 1951 worden de werkzaamheden van de werkplaats Blerick en van de centrale werkplaatsen Zwolle en Utrecht overgebracht naar Amersfoort. In 1952 wordt de wagenwerkplaats Amersfoort gemoderniseerd. Er wordt een moderniseringsplan opgesteld, dat enige jaren wordt gehanteerd, maar in de periode 1961-'63 worden in toenemende mate werkzaamheden uitbesteed aan derden.Russer 2007, p. 104/5

In de jaren vijftig reden er nog 27.000 goederenwagons. Op de wagenwerkplaats werden jaarlijks 900.000 klinknagels, 250.000 bouten en 6.000 m³ hout gebruikt. De werkzaamheden vonden plaats volgens een lijnproces: de wagons gingen aan één kant de werkplaats in om via verschillende afdelingen aan de andere kant de loods weer te verlaten.

In 1991 was het aantal goederenwagens teruggelopen tot 4.000 stuks. Toen werd in de wagenwerkplaats het zogenaamde "standenbedrijf" ingevoerd. Op elk van de 24 standen werden nu alle werkzaamheden aan een wagon uitgevoerd. In de loop van de jaren negentig veranderde de naam van de werkplaats in 'Wagenbedrijf'. Na deze reorganisatie, die tevens gepaard ging met een ingrijpende verbouwing, "stond Amersfoort bekend als de modernste goederenwerkplaats van Europa".Nahon, Hans – 'Het standenmodel'; in Div. auteurs 2000, p. 38 Ondanks deze vernieuwingen, die bedoeld waren om het bedrijf een plaats op de Europese markt te geven, kon de werkplaats de concurrentie al spoedig niet meer aan. In 1999 viel het doek. In de pers verschenen berichten over de sluiting. Er werkten toen nog ruim 160 mensen.

Personeelsbezetting thumb|Aantal werknemers op de Wagenwerkplaats tussen 1933 en 1974 (steeds per 1 januari)Gegevens ontleend aan: De Schakel, orgaan van personeelsvereniging Wph Amersfoort, 18e jrg. nr. 1 (jan. 1974), p. 7 De personeelsbezetting bestond in 1904 uit een chef van de werkplaats, een adjunct-ingenieur, 8 man kantoor- en 174 man werkplaatspersoneel.van Wijck Jurriaanse 1974; Russer 2007 spreekt van 172 personen per einde maart 1904 De werkplaats werd daarmee het grootste bedrijf van Amersfoort.