thumb|De Johannes Kerkhovenpolder met de bijbehorende gebouwen anno 2015 thumb|Monument ter herinnering van het op deltahoogte brengen van de zeedijk De Johannes Kerkhovenpolder is een in de jaren 1875 en 1876 ingepolderd gebied van de Dollard, gelegen in de gemeente Eemsdelta in het noordoosten van de Nederlandse provincie Groningen. De dichtstbijzijnde plaats is Woldendorp. Tot 1990 behoorde de polder tot de gemeente Termunten. Het is de enige Dollardpolder, waarvan de dijken dwars over de rauwe slikken en niet op de kwelderrand zijn aangelegd.
De Johannes Kerkhoven speelt een belangrijke rol in de historische roman van Hella Haase, Heren van de thee, uit 1992.
Geschiedenis In 1841 en 1845 verkocht de Nederlandse staat een deel van de rijksdomeinen tussen de Punt van Reide en het Noorderriet, dat langs het Munnekeveen liep. De aangrenzende Dollardkwelders waren al veel eerder verkocht aan particuliere investeerders. Hier werd in 1862 de Reiderwolderpolder aangelegd.
De plannen voor de indijking dateren uit 1845 toen de regering een concessie voor de inpoldering verleende aan de Maatschappij tot Inpoldering van de Dollard. De intiatiefnemers hadden ambitieuze plannen om een flink gedeelte van de Dollard in te polderen. In tegenstelling tot oudere inpolderingen werd niet gewacht tot de kweldervorming zo ver was gevorderd dat deze niet meer bij hoogwater onderstroomde. Men hoopte dat de stad Groningen bereid zou zijn tot een soortgelijk project voor alle slikken tot aan de Oost-Friese , dat werd bepleit door de opzichter van de stadskwelders, de herenboer Roelof J. Roelofs uit Finsterwolde en de Groningse stadsontvanger jhr. Abraham van Panhuys. De eerste plannen van de Nederlandsche Indijkings- en Droogmakings-Maatschappij van F. Groet te Haarlem waren nog vergaander; ze gingen uit van een doorgaande dijk vanaf de Punt van Reide naar Pogum aan de Eems, waardoor driekwart van de Dollard zou worden bedijkt. Groet had ook plannen voor de Lauwerszee.
Groningse investeerders waren echter terughoudend, omdat men meende dat de onrijpe gronden geen vruchtbare bodem zouden opleveren, en de publieke opinie keerde zich tegen het initiatief. Desondanks durfde het Amsterdamse bankierhuis Buys en Zoon te Amsterdam het aan een lening van 800.000 gulden te verstrekken.
Men begon begon met de aanleg van een rijsdam over de Reiderplaat vanaf het Dallingeweerster Buitenland tot aan de Oude Beertstermude, teneinde het afzetten van slik te bevorderen. Dat gebeurde in 1846.
Er werkte gemiddeld een honderdtal arbeiders, die in een rij rieten keten aan de voet van de Dallingweerster zeedijk waren gehuisvest. Daar stonden ook twee woningen voor de hoofdaannemers. Bovenop de dijk bevond zich een herenhuis voor de eigenaren. De keet van de zoetelaar, de zoedelkeet – waar drank en levensmiddelen te koop waren, droeg een uithangbord waarop de historische naam Reiderwolde te lezen was. Dit om aan te geven dat men het in de Dollard verdronken land wilde terugwinnen. De Provinciale Groninger Courant berichtte augustus 1846:Wélk een onderscheid tusschen het voorgaand jaar en het tegenwoordige! Dààr heerschte toen eene doodelijke stilte, waar men heden leven en bedrijvigheid ziet; nabij het werk staat voor de heeren ondernemers eene sierlijke woning op den dijk; aan den voet van denzelven twee schoone woningen (alle tot tijdelijk verblijf) voor de heeren aannemers van het werk, en eene rij rieten keeten voor het werkvolk, terwijl er buitendijks ruim een 20tal schepen zijn.Perton veronderstelt ten onrechte dat het om een rijsdam voor de latere Reiderwolderpolder gaat. Bevolkingsregisters vermelden de namen van enkele dijkwerkers, die hier met hun gezin bivakkeerden: "thans tijdelijk aanwezig bij den indijking van den Dollard te Dallingeweer". Dat waren specialisten uit Zuid-Holland, die ervaring hadden met dit werk,De bevolkingsregisters van Termunten noemen in 1846 Bernardus Harmens de Vries uit Sloten, in 1847 Charles Louis van den Eijnde uit Zandhoven bij Antwerpen, die een tijdlang in Nieuwerkerk aan den IJssel had gewoond, en in 1848 Dirk Kok uit Giessendam. Bron: allegroningers en wiewaswie.…hetwelk dan ook van den ijver, de kunde en bekwaamheid der aannemers getuigt, die met hunne manschappen in eene bijna onafgebroken werkzaamheid zijn (…), niettegenstaande zij door het schoone weder en lage watergetij boven verwachting begunstigd worden. Nadat de hoofdinvesteerder Buys en Zoon in januari 1847 failliet ging, bleef het project jarenlang stilliggen. De gronden voor de inpoldering werden aangekocht door de Amsterdamse bankier Johannes Kerkhoven (1783-1859).Johannes Kerkhoven (1783-1859) was getrouwd met Anna Jacoba van der Hucht (1795-1856). Hun zoons Rudolf en Eduard Julius waren actief als theeplanters in Nederlands-Indië. Hun lotgevallen zijn beschreven in Heren van de thee door Hella Haasse Hij schakelde de aannemer en dijkgraaf Klaas Breebaart in, die in 1844 met succes de Noord-Hollandse Waard- en Groetgronden had bedijkt. Kerkhoven overleed in 1859, een jaar voor de geplande aanvang van de bedijking.
Pas in 1875 begonnen zijn erfgenamen met de daadwerkelijke inpoldering. Het werk werd aangenomen door Cornelis de Jong uit Hardinxveld (inmiddels te Nieuwolda), Johan Georg Doorenbos uit Hemrik en Jan Poppes Hommes uit Finsterwolde voor een bedrag van 700.000 gulden. De dijk kon inmiddels aansluiten bij de Reiderwolderpolder uit 1862. Zoals eerder de bedoeling was, werden ook ongerijpte slikken en zandbanken ingedijkt. Het resultaat bleek echter tegen te vallen: bij een storm in augustus 1876 spoelde de nieuwe dijk grotendeels weg, omdat het materiaal te zandig was. De directie besloot daarom met andere aannemers in zee te gaan.
In 1876 werd dedijk gesloten middels een oud kofschip in het laatste dijkgat tot zinken te brengen. Vier Hollanse aannemers beloofden het project vervolgens te voltooien voor nog eens 565.000 gulden. Er bleek bij de aanleg echter gesjoemeld te zijn. Om geld uit te sparen had een van de aannemers op sommige plaatsen kunstgrepen toegepast om minder klei te hoeven te gebruiken. Onder het dijklichaam bevond zich een met balken ondersteunde holle ruimte, waarin zich geen grond bevond.
Nadat de dijk driemaal was doorgebroken, werd in 1884 een nieuw stuk dijk aangelegd voor het overstroomde gedeelte. De knik in de dijk ter hoogte van kilometerpaal 11 is hiervan het gevolg. Daarna is het land in productie genomen en werden er onder meer aardappels, tarwe, suikerbieten en luzerne verbouwd. De polder werd geëxploiteerd door vier agrarische bedrijven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden deze boerderijen door de Duitse bezetters in brand gestoken.
Na de oorlog werd in de jaren 1949 t/m 1952 een centraal gelegen modelboerderij aangelegd door de architect Nanno Jakob Kruizinga en de tuinarchitect Mien Ruys met beeldhouwwerk van Louise Beijerman. In 2007 werd dit gebouwencomplex aangewezen als rijksmonument in het kader van het naoorlogse herrezen Nederland. In dit kader werden 100 monumenten uit de jaren van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog aangewezen als rijksmonument.
Waterschap In 1874 werd het waterschap dat de polder moest gaan beheren opgericht.Groninger archiefnet. Gearchiveerd op 29 augustus 2017. Naast het onderhoud van de zeedijk had het schap ook de afvoer van het water tot taak. In de meest noordelijke punt van het gebied stond het gemaal, dat rechtstreeks op de Eems uitsloeg. Op dit punt staat nog steeds een gemaal, dat tegenwoordig echter uitslaat op het kanaal dat in verbinding staat met het gemaal in Fiemel.
Waterstaatkundig gezien ligt het gebied sinds 2000 binnen dat van het waterschap Hunze en Aa's.
Deltahoogte In 1983 tot en met 1986 werden de zeedijken in opdracht van het waterschap Fiemel langs de Dollard van de Johannes Kerkhovenpolder en van de aangrenzende Carel Coenraadpolder op deltahoogte (NAP + 9,10 meter) gebracht. Een monument in de omgeving van kilometerpaal 4 herinnert aan dit feit.
Zie ook Top 100 Nederlandse monumenten 1940-1958 (Modelboerderij)
Externe link
Literatuur Duinen, Ida van, Verzamelinventaris van de archieven van de waterschappen: Oostwolderpolder, Finsterwolderpolder, Reiderwolderpolder, Vereeniging Johannes Kerkhovenpolder, Carel Coenraadpolder, Fiemel, uitg. Waterschap Hunze en Aa's, Veendam, 2005 Feith, R., Archief der maatschappij tot exploitatie van den Johannes Kerkhovenpolder, uitg. Van der Kamp, Groningen, 1902 Kruizinga, N.J., Herrijzing in de Johannes Kerkhovenpolder 1946-1949, uitg. Directie van de Johannes Kerkhovenpolder N.V., Amsterdam, 1949 Maschhaupt, J.G., Dollardonderzoek 1921: (vastlegging der meetlijnen en boorpunten), uitg. Wolters, Groningen, 1923 Maschhaupt, Jan G., 'Verslag van een onderzoek naar de gesteldheid van den bodem in den Dollard met het oog op inpolderingen', in: Bijdragen tot de Kennis van de Provincie Groningen en Omliggende Streken, nieuwe reeks 2 (1923), p. 1-76 Vis, Dirk, De Johannes Kerkhoven polder. Een episode uit de herovering van de Dollard, uitgevers-maatschappij "West-Friesland", Hoorn, 1952 Wagenaar, C.G., De Johannes Kerkhovenpolder, 1950-1980: kroniek van een Dollardpolder, uitg. Johannes Kerkhovenpolder, Woldendorp, 1980
Categorie:Polder in Eemsdelta Categorie:Voormalig waterschap in Groningen