alt=Portret van een Javaanse regent en vrijmetselaar|miniatuur|Portret van een Javaanse regent en vrijmetselaar
De vrijmetselarij in Nederlands-Indië en het latere Indonesië was actief tussen 1762 en 1962. Met initieel een sociale en charitatieve doelstelling speelden de loges in hun bestaan een rol in het sociale leven en het educatieve beleid in Nederlands-Indië. Loges hebben daarbij ook een rol gespeeld in de emancipatie van de autochtone bevolking en de promotie van neutraal (openbaar) onderwijs. Na de Tweede Wereldoorlog werd, als gevolg van de oprichting van Indonesië de Vrijmetselarij gezien als een pro-Nederlandse organisatie en verboden.
Geschiedenis Oorsprong De eerste vrijmetselaarsloge "La Choisie" wordt in 1762Sommige bronnen noemen 1764, maar volgens de meeste bevond Radermacher zich toen in Nederland. Zie bijvoorbeeld: opgericht door Jacobus Radermacher (1741-1783), in Batavia. Hij is de zoon van voormalig Nederlands Grootmeester Joan Cornelis Radermacher. Deze loge houdt op te bestaan in 1767, wat te maken kan hebben met het verblijf van Radermacher in Nederland tussen 1764 en 1767. In Nederland wordt Radermacher benoemd tot Grootsecretaris van de Orde. Formeel heeft de loge "La Choisie" niet bestaan daar ze haar constitutiebrief pas in 1777 krijgt.
Een paar jaar later wordt, door de oud-leden van "La Choisie", een hernieuwde poging gedaan met de oprichting van de loge “La Fidèle Sincérité” (november 1767). De loge "La Fidèle Sincérité" komt bijeen in de Heerenlogement aan de Moorsegracht van Batavia, wat de noodzaak creëert om ook de herbergier in te wijden. Willem van Riemsdijk, een zoon van de vroegere gouverneur generaal Jeremias van Riemsdijk, stelt voor bijeenkomsten aanvankelijk zijn patriciërshuis aan de Amanus-gracht ter beschikking. Later verhuist de loge naar de nog deftiger Tijgersgracht, totdat zij in 1776 naar de bovenstad Weltevreden verhuist. Door de groei van Batavia ontstond al snel behoefte aan een tweede loge: “La Vertueuse” (24 mei 1770). Loge la "Vertueuse" kwam bijeen bij de leden thuis. Radermacher was hier voorzitter van tussen 1779 en 1780. De autoriteiten lijken met een welwillend oog naar de ontwikkelingen te kijken, ook omdat de schoonvader van Radermacher Reinier de Klerk in de Raad van Indië zit, en later gouverneur generaal wordt. Onder de leden van "La Vertueuse" vinden we beide Johannes Siberg en Nicolaus Engelhard, beide schoonzonen van gouverneur generaal Willem Alting.
“La Fidèle Sincérité” staat bekend als de "blauwe loge" en wordt voornamelijk bezocht door het lager en middenkader van de Vereenigde Oostindische Compagnie, terwijl "La Vertueuse" in de volksmond de "gele loge" wordt genoemd en hoger kader van de VOC en landeigenaren als leden ziet.
Op 22 april 1778 wordt door Radermacher ook het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen opgericht, vooral leden van "La Vertueuse" zijn lid hiervan.
Acceptatie en openbaarheid Aan het einde van de 18e eeuw verdwijnt de noodzaak tot geheimhouding, aangezien ook de hoogste ambtenaren van de VOC leden zijn: assistenten van gouverneur-generaal Willem Alting, de latere gouverneurs-generaal, Johannes Siberg en Pieter Gerardus van Overstraten zijn beide vrijmetselaren. Op 18 januari 1786 wordt openbaar en feestelijk de hoeksteen gelegd voor een logegebouw in Batavia door loge "La Vertueuse" die hiervoor 12.000 gulden heeft verzameld door middel van de uitgifte van aandelen. De hoeksteenlegging gebeurt in aanwezigheid van de gouverneur-generaal, leden van de overheid van Batavia en diverse "vooraanstaande burgers en hun echtgenoten". Het gebouw wordt neergezet op de plek waar het Moorse Hospitaal heeft gestaan. Het zal dienen als logegebouw tot 1830, wanneer een nieuw logegebouw in gebruik genomen wordt in Weltevreden waar in de loop der jaar een groot deel van de gegoede burgerij is gaan wonen.
De Nederlands Grootloge stelt in 1798 Nicolaus Engelhard, gouverneur van de Noordoostkust van Java, aan als Gedeputeerd Grootmeester voor Indië.
Op het fregat ‘De Hertog van Brunswijk’, waarop in februari 1798 commissaris generaal S.C. Nederburgh een dienstreis naar het Java’s Oostkust maakt, is de ambulante loge "De Goede Hoop" actief. Ook op de plaatsen waar Nederburgh tijdens zijn dienstreis zijn tenten opslaat treedt de ambulante loge ‘De Goede Hoop’ in werking. Zo komen zij op 12 februari 1798 bijeen in de woning van de Gouverneur van Java’s noordoostkust Baron Johan Frederik van Rheede tot den Parkeler. Op 5 maart 1798 is de loge te Semarang, alwaar verscheidene kandidaten worden ingewijd. Het resultaat is, dat op 15 juni 1798, onder leiding van Baron van Rheede tot den Parkeler, een zeventiental leden besluiten tot oprichting van een ‘vaste loge’ te Semarang met de naam "La Constante et Fidèle" en kiezen tot hun Regerend Meester Van Rheede tot den Parkeler. Tevens wordt besloten een aanvraag om een constitutiebrief in te dienen bij het Grootoosten der Nederlanden en deze aanvraag direct te verzenden. Wanneer in februari 1799 nog geen antwoord uit Nederland is gekomen, zend men een tweede verzoek, vergezeld van een bedrag van 1.100 gulden. Beide brieven zijn inderdaad heelhuids in Holland aangekomen, evenals het geld. Met als resultaat dat (pas) in maart 1801 de constitutiebrief kan worden ondertekend en in een blikken trommel naar Semarang wordt verzonden.
De Gedeputeerd Grootmeester, Nicolaus Engelhard, wijst in 1802 François van Boeckholtz aan om de nieuwe loge te installeren. Maar de vrijmetselaren in Semarang wensen om allerlei uiteenlopende redenen niet dat Van Boeckholtz het officiële startschot lost en besluiten prompt hun nog niet officieel werkende loge op te heffen. De constitutiebrief en alle andere bescheiden zendt men naar Batavia en de gelden die men in kas heeft worden verdeeld onder de armen van Semarang. De broeders die de loge ‘La Constante et Fidèle’ hebben opgericht en weer ontbonden worden door de Gedeputeerd Grootmeester beschouwd als oproerkraaiers en van alle verdere maçonnieke arbeid uitgesloten. Die ‘uitsluiting’ duurt tot 1805. Daarna wordt de loge ‘La Constante et Fidèle’ opnieuw geconstitueerd, nu zonder problemen. Zij resideert in de bovenzalen van de lokale sociëteit. In 1822 bouwen de broeders van deze loge een eigen gebouw met een ‘Tempel’. Deze loge beschouwt 1801 als het jaar van haar oprichting.
Loge "de Vriendschap" in Soerabaja volgt op 28 november 1809 met als voorzitter Jacobus Albertus van Middelkoop, prefect van de oosthoek van Java. Deze loge is bij geboorte al een van de meest welvarende loges. Het lid B.H.J. van Cattenburgh schenkt de loge een groot stuk land bij Petundjungan, ten zuiden van Soerabaja. De activiteiten van de vrijmetselaren blijven vrijwel beperkt tot deze drie administratieve centra. De loges richten zich in deze periode voornamelijk op charitatieve activiteiten voor de armere Europeanen op Java.
Rond 1810 vermoedt gouverneur-generaal Herman Willem DaendelsDaendels zelf was ingewijd in loge "la Profond Silence" in Kampen dat de loges broedplaatsen waren van pro-Engelse sentimenten. In maart 1811 worden de loges gesloten en archieven in beslag genomen. Engelhard en een aantal andere vrijmetselaren werden gevangengezet. Zij worden pas vrijgelaten als de nieuwe Gouverneur Generaal Jan Willem Janssens aankomt, maar de loges blijven nog gesloten.
Engelhard richt vervolgens zelf de gelegenheidsloge "Virtutis et Artis Amici" op, die haar zetel heeft op het landgoed van Engelhard te Pondok-Gedeh, nabij Buitenzorg. Het is in deze loge waar Gilbert Elliot-Murray-Kynynmound wordt verwelkomd en in juli 1812 luitenant Gouverneur Thomas Raffles werd ingewijd.Hij wordt bevorderd op 5 juli 1813 in Loge "De Vriendschap" te Soerabaja, en verheven op 25 april 1816 in "La Vertueuse" te Batavia. De loge "Virtutis et Artis Amici" houdt op te bestaan in 1815.
In 1837 besluiten de loges van Batavia te fuseren tot Loge De Ster in het Oosten.
Indische autochtonen en vrijmetselaren alt=Fotoportret Raden Saleh|miniatuur|Raden Saleh, edelman en beroemd schilder, was de eerste Javaanse vrijmetselaar De inwijding van de Javaanse kunstschilder Raden Sarief Bastaman Saleh in de loge "Eendracht Maakt Macht" te Den Haag in 1836, en de inwijding van Abdul Rachman, een achterkleinkind van de Sultan van Pontianak op Borneo, in de loge "De Vriendschap" te Soerabaja in 1844 gelden als beginpunten van de acceptatie van Indische autochtonen in Nederlandse loges. De eerste Chinees die toegelaten wordt is de suikerproducent The Boen Keh. Zijn aanvraag tot lidmaatschap wordt in 1856 eerst afgewezen, maar in 1857 aangenomen. Loge "Mataram" volgt in 1871 met de inwijding van Ko Ho Sing. In 1875 krijgt loge "de Vriendschap" het verzoek van Raden Pandjie Onggowidjojo, de ondercollecteur van Sidoardjo, dat hij lid wil worden. Bij de loge "Mataram" volgen de aanmeldingen van de Sultan van Kutei en drie van zijn prinsen: Pangeran Ario Soeryodilogo (1835-1900), Pangeran Ario Notokusuma (de latere Paku Alam VI), en Pangeran Arionotodirojo. Deze laatste aanvraag bracht wat moeilijkheden met zich mee toen een van de prinsen aangaf te willen doden als de Orde dat beval.
Naast deze prinselijke figuren traden ook regenten en andere hoogwaardigheidsbekleders toe. Zo werd de wedana van Tasikmalaya, Raden Somanah Soeria di Redja, in 1901 ingewijd in Loge Sint Jan te Bandung. Ook de titel "Arung Binang", gedragen door de regenten van Kebumen, komt in de ledenlijsten voor. Voor veel priyayi bood aansluiting bij de orde de mogelijkheid om in sociaal opzicht te stijgen en toegang te krijgen tot Europese netwerken.
In 1838, wordt opgemerkt dat de Javaanse bevolking logegebouwen Ruma Setan noemen: het Huis van Satan, "vermoedelijk omdat men hen door eene of andere kunststukjes van proefondervindelijke natuurkunde zal verschrikt hebben, teneinde zich tegen hunne lastige nieuwsgierigheid te vrijwaren." Door Indische vrijmetselaren wordt dit uitgelegd als een verbastering van "Sint Jan" of Rumah pengsitan (huis van meditatie). Waarschijnlijker is het echter dat de bevolking verwijst naar de geheimzinnige en nachtelijke activiteiten van de vrijmetselaren.
Over de jaren heen zal voor veel, veelal hooggeplaatste, Javanen, de vrijmetselarij, en in zekere mate ook theosofie, een brug vormen tussen de (overwegend islamitische) Javaanse en de (christelijke) Nederlandse culturen. Vooral Javaanse edelen zien hierin de mogelijkheid om met de koloniale heersers op voet van gelijkheid op te treden en van gedachten te wisselen. De leden van het Pakoe Alamse huis die lid zijn van loge Mataram gelden daarnaast als progressieve geesten die Java tot een moderne natie willen transformeren.
Theosofie Naast de loges kreeg ook de Theosofische Vereniging voet aan de grond in Indië. De beweging bereikte Java rond 1883 via Baron van Tengnagel in Pekalongan en groeide uit tot een netwerk in Semarang, Soerabaja, Jogjakarta en Solo. Net als de vrijmetselarij trok zij regenten, ambtenaren en intellectuelen aan. Bekende leden en sympathisanten waren onder anderen Tjipto Mangoenkoesoemo en Douwes Dekker; Soekarno kreeg via zijn vader R. Soekemi toegang tot theosofische denkbeelden. Beide organisaties fungeerden als ontmoetingsplaats voor Europese en Javaanse elites en oefenden invloed uit op de vorming van de Indonesische nationale beweging.
Kolonialisme en religie De koloniale overheid beschouwde deelname van priyayi aan de vrijmetselarij als een middel om hun loyaliteit te verzekeren. In de praktijk leidde dit tot spanningen met de opkomende islamitische organisaties. In Tasikmalaya werd deelname van regenten en wedana’s aan loges door velen gezien als collaboratie, terwijl de bevolking zich juist meer identificeerde met de Sarekat Islam. De spanningen weerspiegelen de bredere tegenstelling tussen seculiere priyayi die aansluiting zochten bij koloniale netwerken en santri- en ulama-groepen die zich organiseerden in islamitische bewegingen.