thumb|Een vloot van de Verenigde Oostindische Compagnie voor de kust van West-Afrika (Adam Willaerts, 1608)

De Vereenigde Oostindische Compagnie of in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie, afgekort tot VOC (1602–1800), was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een door de Staten-Generaal verleend monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De VOC behield gedurende haar hele bestaan het alleenrecht om verdragen te sluiten, oorlog te voeren, forten en handelsposten (factorijen) te veroveren en te bouwen en bestuurders aan te stellen. De VOC werd geleidelijk aan een territoriale macht door de verovering van de Banda-eilanden (1609–1621), het kustgedeelte van Ceylon (1640–1656) en met name van heel Java tijdens de Javaanse successieoorlogen (1703–1755).

De VOC werd in 1602 opgericht als de Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie.Balk, G.L., Dijk, Frans van en Kortlang, D.J. (2007) The archives of the Dutch East India Company (VOC) and the local institutions in Batavia (Jakarta), p. 46 Ze was destijds de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen en zou uitgroeien tot het grootste handelsbedrijf ter wereld. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC creëerde een handelsnetwerk tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen contracten af met lokale heersers.Dillen, J.G. van (1970) Van Rijkdom en Regenten. Handboek tot de Economische en Sociale Geschiedenis van Nederland tijdens de Republiek, p. 127. Later werd met steun van de VOC en de Staten-Generaal de West-Indische Compagnie (1621–1792) opgericht naar het voorbeeld van de VOC.

De onderneming sloeg tijdelijk eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten. Ze had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking met dwang te monopoliseren. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit hun Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. De vaste kosten waren hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen en verder uit te breiden. Rond 1700 was de helft van de medewerkers soldaat.Gaastra, F. (2002) 'Sware continuerende lasten en groten ommeslagh', p. 85. In: De Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tussen oorlog en diplomatie. Onder redactie van G. Knaap en G. Teitler

Binnen de Aziatische factorijen en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en winstgevendere handelswaar. Taalonderzoek werd verricht met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen.

De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780–1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op zestig miljoen gulden. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf, machtssymbool van het "ancien regime", in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden, die de staat overnam.Enthoven, Victor (2001) De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Staten-Generaal Armamentaria (jaargang 36), een uitgave van het Legermuseum Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. Dit gebeurde voor het laatst tot 31 december 1800.F.S. Gaastra Archiefvorming → Geschiedenis van de geschiedvorming → 8. Het einde van de VOC, gahetna.nl

Geschiedschrijving over, en onderzoek naar de VOC is ernstig bemoeilijkt door de vernietiging van ruw geschat 80% van het voorhanden archiefmateriaal van de VOC door verkoop aan de meestbiedende koper. Dit gebeurde in de eerste helft van de negentiende eeuw in opdracht van het ministerie van Koloniën, om redenen van kostenbesparing. Het wekt sindsdien spijt en verontwaardiging bij onderzoekers uit alle landen waar die Compagnie gevestigd is geweest.

Voorgeschiedenis

Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje – waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was – één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de Republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië.

Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden deze zogenaamde voorcompagnieën geen bepalende rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de financiering van de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn.Enthoven, Victor; (2001) Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders.

Naamgeving De eerste naam die aan de onderneming gegeven werd is die van Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie. Vanaf 1623 werd gesproken over de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie, nog later over de Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde Oostindische Compagnie. Eind 1795 sprak men in het algemeen over de Generaale Oost-Indische Compagnie. De VOC wordt wel de eerste multinational genoemd, ook al is die term van veel latere datum.

Stichting en bestuur Octrooi thumb|Octrooi van de VOC uit 1602 In 1602 vormden zes compagnieën uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die handel wilden drijven in het gebied rond de Indische Oceaan, de VOC.Later werden deze zes de voorcompagnieën genoemd. Op 20 maart 1602 verleenden de Staten-Generaal een octrooi aan de VOC op voorwaarde dat de Spanjaarden en Portugezen zoveel mogelijk benadeeld zouden worden. In het octrooi was vastgelegd dat vanuit de Republiek alleen de VOC het recht had zeehandel te drijven in het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. Het hele octrooigebied stond toentertijd bekend als Indië. De dag van de octrooiverlening wordt algemeen beschouwd als de officiële oprichtingsdatum. Het octrooi had een geldigheidsduur van eenentwintig jaar. Afgesproken was dat de participanten het recht hadden om na tien jaar hun gehele inleg terug te krijgen. Het octrooi werd telkens met 21 jaar verlengd, waarbij de inhoud kon worden aangepast.

Heren XVII en Kamers thumb|Wapen van de Staten-Generaal, het kenteken van de VOC en de wapens van de zes VOC-steden: Hoorn, Delft, Amsterdam, Middelburg, Rotterdam en Enkhuizen over de ingang van de Kasteel de Goede Hoop, Kaapstad De hoogste autoriteit was in handen van de Heren XVII, zo genoemd naar het aantal bewindhebbers dat het centraal bestuur vormde. Hier werden de belangrijkste beslissingen genomen. Daarnaast waren er vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'Kamer' genoemd werd. De zes steden waren Amsterdam, Middelburg, Hoorn, Enkhuizen, Delft en Rotterdam. Deze vormden het dagelijks bestuur en konden handelen binnen de door de Heren XVII gestelde normen. Elke Kamer rustte eigen schepen uit voor de handel op Indië. Ze vaardigden ook bewindhebbers af naar het centraal bestuur. Het aantal bewindhebbers van elke Kamer dat werd afgevaardigd was zodanig vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen.

In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde.Heijer, Henk J. den (2005), p. 84

Bewindhebbers thumb|De tafel met de zeventien stoelen van "de Heren XVII" in het Oost-Indisch huis in Amsterdam De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen bij de start van de VOC de dagelijkse leiding. Dit aantal moest volgens afspraak door natuurlijk verloop worden teruggebracht tot zestig bewindhebbers. Het werden er weer meer toen in de periode 1613-1665 diverse provincies en steden een zetel opeisten nadat de Staten-Generaal fikse subsidies hadden verleend, omdat ze van mening waren dat ze alleen op die manier controle konden uitoefenen op de subsidie-uitgaven.Het ging om zetels voor de provincies Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Stad en Lande en de steden Dordrecht (2), Gouda, Haarlem, Alkmaar en Leiden. Vanaf 1696 mocht de Ridderschap van Holland twee bewindhebbers installeren.Nationaal Archief, nummer archiefinventaris: 1.04.02, p. 20-21 Daarmee kwam het aantal weer op 73 bewindhebbers.

In 1749 werd stadhouder Willem IV aangesteld tot opperbewindhebber. De prins kreeg tevens het recht de andere bewindhebbers te benoemen.De achtergrond hiervoor was het toenmalige streven naar versterking van de positie van de stadhouder tegenover die van de regenten en een einde te maken aan ingewikkelde procedures. Ook zijn opvolger Willem V kreeg die functie.F.S. Gaastra (jaartal onbekend) Inleiding tot het archief Verenigde Oost-Indische Compagnie, in: inventarisnummer 1.04.02, Nationaal Archief, 's-Gravenhage, gahetna.nlIn de praktijk waren zij zelf niet bij de vergaderingen aanwezig en lieten zij zich vertegenwoordigen. Na de Franse inval en de oprichting van de Bataafse Republiek werden alle bewindhebbers op 1 maart 1796 van hun taken ontheven. Het dagelijkse bestuur werd overgenomen door het 21 leden tellende Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen.

Raad van Indië thumb|Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) was de initiatiefnemer tot de intra-Aziatische handel en de stichter van Batavia, maar ook verantwoordelijk voor het uitmoorden van de plaatselijke bevolking op de Banda-eilanden. (Jacob Waben, aanvang zeventiende eeuw)