Jan Freerks Zijlker (Nieuw-Beerta, 28 april 1805 - Winschoten, 2 maart 1868) was een Nederlands liberaal politicus. Hij zetelde van 1849 tot 1868 in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en vertegenwoordigde de liberale Groningse herenboeren.
Biografie Jan Freerks Zijlker was de zoon van Freerk Jans Zijlker en Corneliske Rotgers.
Zijlker was evenals zijn vader een landbouwer in Nieuw-Beerta. Hij bestierde van 1829 tot 1861 een landbouwbedrijf dat uiteindelijk uitgroeide tot ± 100 hectare. Hij was geïnteresseerd op zoek naar nieuwe innovatieve methoden om efficiënter met de beschikbare grond om te gaan. Een nog niet toegepaste drainage van het land was hiervan een voorbeeld. In een tijd dat er grote veranderingen plaatsvonden op het platteland in noordoost-Groningen, groeide tegelijk het zelfbewustzijn van de boeren. Het was een tijd waarin gevestigde maatschappelijke en staatkundige verhoudingen werden doorbroken.In de provincie Groningen groeide het radicale liberalisme onder de burgerij en boeren. In 1832 werd het kadaster ingevoerd, dat het oude systeem van verponding verving. De zakelijke gevolgen voor de grondbezitters in de regio Oldambt werden als onredelijk beschouwd en men keerde zich fysiek tegen de opgelegde belastingdruk. Jan Freerks was een van de vier voormannen van het verzet. Koning Willem I gaf opdracht het verzet te breken en stuurde op 6 januari 1835 450 infanteristen naar Nieuw-Beerta. Er werd beslag gelegd op de bezittingen van de "raddraaiers" en een van hen werd gearresteerd. Bij de poging de heer A. Hovinga uit de gevangenis te Winschoten te bevrijden viel zelfs een slachtoffer! Deze botsing tussen de bestuurders uit de aristocratische bovenlaag en de boerenstand heeft zijn politieke bewustzijn gewekt. Hij werd actief in de politiek. In 1830 als gemeenteraadslid van Nieuw-Beerta en in 1847 lid van de Provinciale Staten van Groningen.
In 1842 werd door hem de afdeling Nieuw-Beerta van het Genootschap ter bevordering van den Nijverheid opgericht. In 1955 waren er 102 leden, waaronder 59 landbouwers, met als doelstelling kennis en vaardigheden over te dragen ter verbetering van de moderne bedrijfsvoering in de landbouw. Meer algemeen ging het om de bevordering van de algemene ontwikkeling. Er werden diverse sociale initiatieven ondernomen, onder meer door de oprichting van de Spaarbank Beerta en verzekeringsmaatschappijen.
Het landbouwonderwijs werd door hem gesteund en lager onderwijs zou tot 16 jaar gratis moeten zijn.
In 1849 werd hij verkozen tot Kamerlid voor de liberalen voor het district Winschoten. Hij vond zijn politieke 'thuis' bij de voorman van de Liberalen, de latere minister-president Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Tussen de twee mannen groeide een hechte vriendschap. Zij waardeerden elkaar op basis van hun beider visie op de modernisering van het landelijk bestuur. Jan Freerks stemde voor de uitbreiding van de parlementaire invloed op de regering en de beperking van de Koninklijke macht. Verder steunde hij in 1844 de commissie van 'Negen Mannen' die de grondwetsherziening ter hand namen, waarin ministeriële verantwoordelijkheid, financiële controle op de begroting, uitbreiding van het censuskiesrecht enkele van de belangrijkste onderdelen naadloos aansloten bij zijn persoonlijke visie, hetgeen uiteindelijk later in maart 1848 leidde tot de benoeming van Thorbecke als voorzitter van de Grondwetscommissie. De publicatie 'Volkssouvereiniteit en census' waarin Zijlker een pleidooi hield voor algemeen kiesrecht veroorzaakte een heftige polemiek met de voorman van de antirevolutionairen, het Tweede Kamerlid Groen van Prinsterer en mr. C. Star Numan, hoogleraar Staatsrecht aan de Groninger Universiteit. Mr. Star Numan stelde in een vilein betoog dat een "zuivere democratie, een zuivere onmogelijkheid" was. Jan Freeks reageerde publiekelijk zelfbewust door een tegenschrift met argumenten te publiceren.
In 1866 spitste een andere confrontatie zich toe op het terrein van de koloniale politiek door het indienen van een wetsvoorstel dat moest leiden tot ontmanteling van het cultuurstelsel. Zijlker was al eerder in 1851 van leer getrokken tegen het stelsel. Uit oogpunt van zedelijkheid en godsdienst achtte hij het een immoreel systeem dat louter gebaseerd was op geldelijk gewin en zo snel mogelijk zou moeten worden beëindigd.
Persoonlijk leven Zijlker trouwde op 6 mei 1828 te Beerta met Asselina Frederika Beckering, die drie maanden later kwam te overlijden. Op 17 mei 1831 trouwde hij met Talje Derks de Ruiter. Zij kregen samen vier zonen en twee dochters. Zoon Aeilko Zijlker was ondernemer en in 1890 grondlegger van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlands-Indië en mr. Derk de Ruiter Zijlker was van 1861 tot 1891 eveneens lid van de Tweede Kamer voor de Liberalen.
Bibliografie "Gemeenzame brieven over het wenschelijke van hervormingen in het staatshuishoudelijk bestuur van het Koninkrijk der Nederlanden" (1839) "De Groninger landbouwer en zijn vak, van vroegeren en van den tegenwoordigen tijd, alsmede zijn plannen en uitzigten voor de toekomst; of wenken tot een nuttig leven." (1843) "Dagboek van J.F. Zijlker, gehouden gedurende zijn parlementaire loopbaan te 's-Gravenhage; zitting vanaf den 13den februari tot aan het tijdelijk uiteengaan der kamer op den 23sten maart 1849", gepubliceerd in de Groningse Volksalmanak 1948, p. 87-220 "Proeve van een reglement voor kiezersverenigingen; opgedragen aan de kiezers der provincie Groningen" (1850) "Antwoord aan den hoogleraar Numan op zijnen aan mij gerigten openen brief, in de Gron. en Prov. Groninger couranten, van den 18 junij 1850, met een woord vooraf, aan eenige andere bestrijders, en het publiek" (1850)
Categorie:Thorbeckiaan Categorie:Tweede Kamerlid