De Vlaamse Geschiedkundige Kring (V.G.K.) is de faculteitskring van de opleiding geschiedenis aan de Universiteit Gent en werd gesticht op 26 november 1931. De V.G.K. ressorteert onder het Faculteitenkonvent Gent, het overkoepelende orgaan van alle aan opleidingen verbonden, studentenverenigingen aan de Universiteit Gent. De Vlaamse Geschiedkundige kring is de grootste kring van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Met ruim 200 leden behoort de kring ook tot de middelgrote kringen in Gent.
De kleuren van de kring zijn wit en groen. Het Veer is het tijdschrift van de V.G.K.
Geschiedenis Voorloper: Historisch Academisch Genootschap thumb|links|Bestuur van de Société Académique d’Histoire in 1909. In 1896 werd de eerste studentenvereniging in de opleiding geschiedenis gesticht. De Société Académique d’Histoire, later het Historisch Academisch Genootschap (H.A.G.), bestond gedurende 35 jaar en werd op 13 mei 1931 opgedoekt "bij gemis aan belangstelling van zijn leden". Het vermogen van de vereniging werd opgemaakt aan een liefdadigheidswerk.
Ontstaan Op 26 november 1931 werd onder de geschiedenisstudenten aan de Gentse Rijkshogeschool de V.G.K. opgericht. Het doel van het eerste bestuur was een wetenschappelijke vereniging op te richten, die spreekbeurten over geschiedkundige onderwerpen zou organiseren. De eerste praeses was Frans Blockmans (1931-1933). Van in het begin was de V.G.K. een ledenvereniging, die in het eerste jaar rector August Vermeylen onder zijn leden mocht rekenen.
Met de oprichting van de V.G.K. kwamen ook de eerste problemen. Zo kreeg de Kring ruzie met het nationalistische dagblad De Schelde dat in haar nummer van 29 januari 1932 had beweerd dat de beginselen van de kring een verbetering waren op het 'franskiljonse' H.A.G., dat zou gedomineerd geweest zijn door professor Henri Pirenne. Volgens de krant was de V.G.K. opgericht toen met het emeritaat van de bekende historicus zijn Franstalige programma verdween. De V.G.K. reageerde in een ongepubliceerd antwoord dat de meningen over het H.A.G. onwaar waren, en dat het pensioen van Pirenne niets te maken had met het eigen ontstaan. De kring bevestigde daarom ook weer zijn politieke neutraliteit en het puur wetenschappelijke programma.
De aanloop naar WO II In de beginjaren veranderde de V.G.K. van een puur wetenschappelijke kring naar een studentenvereniging die ook het studentikoze omarmde. Hoewel de kring volgens de beginselen neutraal was, waren er Vlaamsgezinde uitspraken te bemerken. Zo was het doel van het aftredend bestuur in 1933 dat de leden de nationale geschiedkundige wetenschap zouden dienen en zo het Dietsche volk ten bate kon zijn. In deze periode werd door de economische crisis het lidgeld gehalveerd en kwam men voor het eerst internationaal in contact met een andere studentenkring, het Amsterdamse Kleio.
In het academiejaar 1935-1936 verkeerde de vereniging in crisis: de quaestor daagde niet op en zowel de secretaris als de praeses stapten op, waardoor de nieuwe quaestor Jan Dhondt eveneens die laatste functie opnam. Toch werd er gesproken over het oprichten van een eigen bibliotheek en verkreeg men van het Gentse stadsbestuur dat leden gratis toegang kregen tot historische gebouwen in de stad. Ook werd het eerste lustrum gehouden en begon men zich, samen met Germania, bezig te houden met het onderwijsbeleid. Hierdoor werden de betrekkingen met andere universiteiten verder uitgebouwd.
Ook hier had de taalkwestie invloed op het debat: de Leuvense Historische Kring ijverde voor een Nederlandstalige interacademiale conferentie van geschiedenisstudenten, omdat anders het Frans de voertaal zou worden. Toen deze conferentie in Zeist werd gehouden, waren echter noch Leuven noch Gent vertegenwoordigd. De V.G.K. haalde wel de banden met de Cercle Historique van de ULB aan. In hetzelfde jaar diende de kring ook voorstellen in bij het Gentse Studentencorps (G.S.C.), de toenmalige overkoepelende vereniging, tot democratisering. Deze werden echter steeds uitgesteld, waarna de V.G.K. een motie uitsprak alle middelen te zullen hanteren om de wijzigingen door te voeren. Later werd het grootste deel van de voorstellen aanvaard.
Het ledenaantal bleef stijgen en in 1936-37 werd het eerste vrouwelijke presidiumlid ingehuldigd. De zeer nauwe betrekkingen met de Kunst- en Oudheidkundige Kring (V.K.O) leidden tot een samensmelting op 9 april 1940.
V.G.K. in het verzet De bezettingsperiode werd door de V.G.K. niet met lede ogen aangezien. Al van bij het begin stond de kring in de voorhoede om het Gentse studentenmilieu eendrachtig te houden. Na een coup op het Gentse Studentecorps (dat werd omgedoopt tot het Gentse Studenten Verbond) door een collaborerend bestuur, besluit de V.G.K. ondergronds te gaan en zich actief te verzetten tegen de Nazigezinde verenigingen aan de Universiteit. De Tweede Wereldoorlog was voor het hele Gentse Studentenleven een moeilijke periode. Al in de aanloop naar de bezetting werden heel wat studenten uit het verenigingsmilieu gemobiliseerd, zo ook Vic Thijs, de penningmeester van de V.G.K. (’39-’40). Men probeerde zoveel mogelijk terug te keren naar de normale gang van zaken en de V.G.K. werkte een beter seminariereglement uit, evenals een betere uitleningsformule voor de Centrale Bibliotheek. Verder werden op initiatief van de V.G.K., in de naam van de Faculteit L&W, met het rectoraat besprekingen aangeknoopt in verband met de voedselvoorziening, verwarming en treinverkeer voor de studenten. Deze besprekingen liepen af in het voordeel van de studenten.
De V.G.K. weigerde in het begin van de Tweede Wereldoorlog politiek stelling te nemen. Toch wijst het jaarverslag 1940-41 op een verslechterde relatie met het Gents Studentencorps, dat begin 1940 was omgevormd tot Gents Studentenverbond (GSV). Het GSV overtrad statuten van afzonderlijke kringen en poogde de autonomie van de kringen terug te schroeven. Bovendien werd er in het GSV een Fakulteitenkonvent (FK – het overkoepelende orgaan van de wetenschappelijke faculteitskringen) gesticht. “Met dit Fakulteitenkonvent, waartegenover wij alleen rekenschap af te leggen hebben over onze daden als Kring, hebben wij solidair gestaan en zullen wij solidair blijven staan”. De statuten van het nieuwe FK werden gebaseerd op voorstellen van het V.G.K. bestuur dat initiatiefnemer was voor de oprichting van het Konvent. Het GSV kwam onder verbondspraeses R. Van den Abeele onder nazi-controle te staan. Het zocht banden met nationaalsocialistische groeperingen en kwam, o.a. door de oprichting van een heuse ‘verbondwacht’ ook openlijk voor haar keuze uit. De band tussen de V.G.K. en het GSV werd verbroken en bleef gespannen. De spanning tussen de V.G.K. en GSV bereikte een hoogtepunt op 27 november 1941. Toen kon een spreekbeurt van dr. A. Corbet niet doorgaan wegens een inval van de GSV verbondswacht. De V.G.K. werd in haar strijd tegen het autoritaire GSV gesteund door de meeste geschiedenisprofessoren. Proseniores als Frans Blockmans [praeses 1931-1933] en Jan Dhondt [praeses 1936-1937, red.], die intussen doctor in de geschiedenis waren geworden, speelden een niet onbelangrijke rol.
De Lustrumviering naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de kring werd een onverhoopt succes. De Vlaamse Geschiedkundige Kring werd bij haar streven tegen het autoritaire GSV geholpen door Romania, het Rechtsgenootschap, de Natuurwetenschappelijke Kring, de Pharmaceutische Kring, De Dierengeneeskundige Kring en de Technische Kring. Het GSV moest noodgedwongen de Faculteitskringen volledige vrijheid van handelen geven, wat toeliet dat deze zich organiseerden.
Ook op interuniversitair vlak roerde er wat. Op 22 december was het zover: op een bijeenkomst in Leuven werd besloten een Nationale Studentengroepering (NSG) op te richten. Te Gent kwam onder de van het GSV afgescheurde kringen een lokale afdeling tot stand. Drie kringen werkten hierbij nauw samen: de V.G.K., de Wetenschappelijke Kring en Romania. Naar buiten uit manifesteerden zij zich hoofdzakelijk door ‘Klokke Roeland’, een studentensluikblad dat op min. 250 en max. 500 exemplaren verscheen.De V.G.K., alsook de andere verzetskringen, zouden de tol voor hun houding moeten betalen. Hubert Janssens, vertegenwoordiger van de kunsthistorici in het V.G.K. bestuur, werd eind juni 1942 door de bezetter aangehouden wegens het verspreiden van ‘Klokke Roeland’. Hij kreeg vijf maanden gevangenisstraf. Lid André Schaepdryver werd, ook al wegens zijn medewerking aan ‘Klokke Roeland’, verplicht onder te duiken en vluchtte naar Engeland in de hoop er de Belgische Brigade te vervoegen. In augustus werd Praeses Walter Vangeenberghe aangehouden op beschuldiging van anti-Duitse houding, anti-Duitse propaganda en ook dat hij als Praeses van de V.G.K. niet had kunnen beletten dat in het seminarie van de Geschiedenis ‘Klokke Roeland’ verkocht werd. Ook werd hij, daar hij alles steeds bleef ontkennen, slechts enkele maanden vastgehouden. Jan Verbruggen, penningmeester van de V.G.K., werd dan de dienstdoende praeses. Het officieuze hoofddoel van de vereniging bleef de vernietiging van het GSV en de strijd tegen de aanhangers van de Nieuwe Orde.
Doch, de V.G.K. werd op 30 november in al haar enthousiasme gestuit door een brief van Rector G. Desmet [in opdracht van de Militärverwaltung] waarin de V.G.K., alsook de andere afgescheurde verenigingen werden aangemaand om of het GSV te vervoegen, of de kring te ontbinden. De V.G.K. besloot, evenals de Natuurkundige Kring en Romania, de eer hoog te houden en op 12 december de Kring te ontbinden.‘Klokke Roeland’ bleef verschijnen en kende ruim succes. De V.G.K. kreeg wegens haar activiteiten zelfs een vermelding door Radio London. In het geheim werden vergaderingen belegd in café De Hel alsook “plezierpartijtjes” bij Dr. Dhondt thuis.
Na de Tweede Wereldoorlog Na de Tweede Wereldoorlog hernam de V.G.K. haar activiteit als niet-politieke faculteitskring. De Nationale Studenten-groepering (NSG) werd de Gentse overkoepelende studentenvereniging met de faculteitskringen als basis van haar structuur en activiteit. De activiteitenkalender werd uitgebreid met brouwerijbezoeken, sport (meestal competitief tegen andere faculteitskringen), dansavonden, kringavonden of cantussen, … In 1948 werd er gestart met een V.G.K. tijdschrift. Het heette ‘Diplomata, Officieel orgaan van de Vlaamse Geschiedkundige Kring’. Het maandblad besloeg telkens zo’n 20 folio-bladzijden en er werden uiteenzettingen van professoren en studenten in gepubliceerd. De jaren vijftig werden ingezet met 35 leden. Onder hen bevonden zich o.a. Jaap Kruithof en Adriaan Verhulst.
De bewogen jaren '70