De Sint Adelbert Vereniging is een Nederlandse vereniging, met als doel het zorg dragen voor een katholieke visie op het maatschappelijk leven in Nederland. De vereniging werd in 1934 opgericht. Ondanks allerlei veranderingen in zowel de structuur als de missie van de vereniging bleef deze gedachte aan de basis staan van deze vereniging die voornamelijk bestond uit hoger opgeleiden. Tegenwoordig is de Sint Adelbertvereniging geen landelijke organisatie meer, maar er zijn nog steeds lokale afdelingen.Digitaal Katholiek Erfgoedhuis Dit artikel is geheel of gedeeltelijk gebaseerd op een tekst op het Digitaal Katholiek Erfgoedhuis. Hergebruik is met bronvermelding toegestaan.

Oprichting thumb|200px|right|Charles Ruijs de Beerenbrouck; initiatiefnemer van de Sint AdelbertverenigingIn 1934 werd de Sint Adelberts-Vereniging opgericht als ‘standsorganisatie van die katholieke leeken, die door hun maatschappelijk, economische of staatkundige positie en door hun beschaving aangewezen zijn meer bijzonderen invloed op de samenleving uit te oefenen’. Initiatiefnemer en eerste voorzitter was de staatsman en eerste katholieke minister-president jhr. mr. Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck (1873-1936). De s in Adelberts verdween bij een naoorlogse statutenwijziging en in de wandelgang spraken bestuur en leden vaak gewoon van Adelbert. In de statuten was de doelstelling als volgt omschreven: ‘de behartiging der godsdienstig-zedelijke, cultureele en maatschappelijke belangen van haar leden’.

Vooral moesten de leden er zorg voor dragen, samen met de leden van andere standsorganisaties, dat ‘het Christendom in zijn zuiversten vorm’ zou herleven ‘als basis van de samenleving’. Door ‘vruchtbaar contact tusschen de standgenooten’ konden zij dit bevorderen. In de praktijk betekende dit dat de Adelbert-leden – toen nog allemaal mannen, heren van stand – elkaar maandelijks tijdens vergaderingen ontmoetten. De vereniging kende plaatselijke afdelingen, zoals Den Haag, Utrecht, ’s-Hertogenbosch en Zwolle. Die plaatselijke afdelingen vielen weer onder grotere afdelingen georganiseerd per bisdom (de zogeheten diocesane afdelingen). Welke thema’s op de agenda stonden van die vergaderingen en hoe formeel of informeel het eraan toe ging, verschilde per afdeling.

Visie Voor 1940 Waar het om draaide in Adelbert was onder de leden ‘de katholieke visie op het leven, en in het bijzonder op het maatschappelijke leven, te versterken’. In 1937, drie jaar na de oprichting, startte het landelijke bestuur dat verantwoordelijk was voor het imago van de vereniging, met een campagne onder de leden. Kennelijk was er in de eerste jaren maar heel weinig eenheid in de themakeuze en werkwijze van de afzonderlijke afdelingen. Om daar verandering in te brengen, adviseerde het landelijke bestuur de plaatselijke afdelingen om vooral aandacht te besteden aan de vraag:

‘Wat is de invloed van het katholicisme en van de katholieken op het openbare leven van Nederland,op cultureel, sociaal, economische en staatkundig terrein’

Dat kon door thema’s aan te snijden op godsdienstig terrein, waarbij huwelijk en gezinsleven, de ‘beleving van den godsdienst in onzen stand’, of de ‘verbetering in het contact tusschen parochie-geestelijken en leden van St. Adelbert’ als voorbeelden werden genoemd. Leden konden zich ook concentreren op kwesties van zedelijke aard, zoals de grondslagen van de zedelijkheid, sociale moraal, seksuele moraal en voorlichting. Wie koos voor het culturele terrein, kon thema’s kiezen als ‘het wezen der christelijke cultuur’, het boek, ‘het pers-vraagstuk, het film-vraagstuk, radio-omroep en televisie [!], katholieke jeugd-organisatie’. In de jaren 1940 kreeg het doel om de katholieke visie op het leven te bevorderen vorm door het uitbrengen van brochures die historische, maatschappelijke, politieke of religieuze thema’s hadden.

Discussies over de visie na de Tweede Wereldoorlog Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar een eigen maandblad bij. Brochures verschenen toen minder frequent. Rond het eigen maandblad deed zich in de tweede helft van de jaren 1950 de kwestie voor op welke lezers dit periodiek eigenlijk mikte. Wilde men stof bieden die vergelijkbaar was met wat katholieke opiniebladen als De Bazuin, De Linie of Te Elfder Ure hun lezers voorschotelden? Of moest het eerder een vakblad worden, te vergelijken met vakbladen zoals de katholieken artsenvereniging of katholieke juristenvereniging die kenden? Een enquête onder de eigen leden in 1957 bracht daarover eigenlijk niet veel helderheid. Wel wordt daaruit duidelijk hoe divers het ledenbestand van de Adelbert inmiddels eigenlijk was. Sommigen laten zich in hun reacties op de vragen kennen als zeer behoudende katholieken, die vooral bij de hogere stand van het oude stempel horen. Zij beoordelen de inhoud van het maandblad niet zelden als ‘onleesbaar’ of ‘langdradig’. Anderen zijn juist progressief te noemen en zien een leidende rol voor zichzelf als katholieke intellectuelen weggelegd in de moderniserende Nederlandse samenleving. Adelbert zou hen daarin moeten ondersteunen. Sommigen van hen vinden dat het maandblad daarom eigenlijk tekortschiet, ‘alsof het een blad ware voor leden van ’n Congregatie van de H. Familie’.

Kritische houding in de jaren 1960 Anno 1960 wordt de lezersenquête herhaald, maar in een verbeterde opzet. Het aantal vragen werd gehalveerd, en deels werd de respons gestuurd door naast open vragen ook multiple choice-vragen op te nemen. De enquête wordt ook maar onder 820 leden verspreid, wat echter slechts een respons van 150 oplevert (=17%, tegenover ruim 25% in 1957). Ditmaal zijn de reacties inhoudelijk uitgesprokener en ook kritisch. Wat vinden ‘andersdenkenden’ eigenlijk van het maandblad, vraagt een lezeres zich af die het na lezing in de zogeheten Rode Kruis-bus voor verdere verspreiding deponeert. Sommigen vinden dat het blad zich te veel op binnenkerkelijke discussies concentreert, wat misschien interessant is voor de heren geestelijken, maar lang niet alle leken kan boeien. Ter illustratie van precies dit punt heeft een toegewijd Adelbert-lid een fragment uit het maandblad in het enquêteformulier geplakt en de woorden onderstreept die voor leken een soort klerikale geheimtaal vertegenwoordigen: ‘het gerealiseerde heil integraal sauveren’, ‘eschatologisch’. Niet alleen raakt deze lezer (of lezeres?) aan een kloof tussen geestelijken en leken, maar ook aan scheidslijnen tussen oud en jong. Want welke jongere voelt zich nog aangesproken door dergelijke ‘intellectueel lijkende preken’. Op dergelijke pseudo-intellectualiteit – want dat is waar dit Adelbert-lid op zinspeelt – zitten velen niet te wachten.

Niettemin worden binnenkerkelijke kwesties, vooral het op handen zijnde tweede Vaticaans concilie (1962-1965), maar ook zaken als Bijbellezing onder katholieken of de kennis van katholieken van het eigen geloof nadrukkelijk genoemd als relevante thema’s. Daarnaast willen veel lezers hun horizon letterlijk verbreden: onderwijsvernieuwing, co-educatie, confessionele scholen, oecumene, kritiek op de als ‘topzwaar’ ervaren Mariologie, de verhouding van geestelijken en leken, hulp aan onderontwikkelde gebieden, verhouding tot socialisten en humanisten.

De leden van de Sint Adelbertvereniging Het was aan de bisschoppen te danken dat Adelbert werd opgericht naar het model van een standsorganisatie. De bisschoppen lieten zich inspireren door de organisatie van de middeleeuwse samenleving met de standen- en gildenstructuur. Zij beschouwden deze als de ideale, zelfs door God gewilde ordening van de samenleving die ook in de moderniserende samenleving intact moest blijven. Deze naar stand ingerichte samenleving vertegenwoordigde in hun visie de societas perfecta, een modelsamenleving op christelijke grondslag.

Heterogeniteit van de katholieke elite Binnen de Adelbert tekende zich echter al snel een probleem af. De sociale groep waarvoor deze vereniging was bedoeld, de katholieke elite, vormde geen afzonderlijke homogene sociale groep zoals de boeren, de arbeiders of de middenstanders. Daarom deed zich al in de eerste jaar van het bestaan de vraag gelden wat de leden van Adelbert eigenlijk bond. Eind jaren 1930 hinkten de leden eigenlijk op twee gedachten. Sommige afdelingen vonden dat afkomst, maatschappelijke functie en intellectueel peil voorop stonden, maar dat de leden zich daarnaast ook door hun culturele ontwikkeling en beschaving moesten onderscheiden. Andere afdelingen vonden die intellectuele ontwikkeling veel minder belangrijk dan de functie die iemand in de maatschappij bekleedde. Aan ‘beschaving’ hield men algemeen vast, ook al was dit een natuurlijk een uiterst vaag begrip. Met dat begrip kon men echter mannen buiten de vereniging houden, die misschien hoog opgeleid waren of als ondernemer veel geld verdiend hadden, maar met wie sommige Adelbert-leden toch niet wensten om te gaan.

Nieuwe elite Binnen Adelbert werd precies in die late jaren 1930 zichtbaar dat de traditionele katholieke elite – deels van adel, deels werkzaam in vrije beroepen – van binnenuit opgebroken werd: enerzijds door een nieuwe groep universitair opgeleide katholieken, werkzaam als arts, advocaat of hogere ambtenaar, anderzijds ook door een groeiende groep die als ondernemer kapitaal had vergaard en zichzelf daarom ook graag tot de ‘leidende’ of ‘hoogere’ stand rekende die Adelbert wilde vertegenwoordigen. Terwijl Adelbert zich voor die eerste groep relatief open opstelde, was men terughoudender ten aanzien van de tweede groep.

Protest uit Twente De kwestie wie als leden acceptabel waren, werd uiteindelijk niet opgelost, maar overgelaten aan plaatselijke afdelingen. De lokale besturen moesten zelfstandig beslissen wie zij wel of niet toelieten tot de vereniging, en op welke gronden. In de afdeling Twente – het domein van kleine landadel en textielbaronnen – beschouwde de Adelbertleden zich als een elite. ‘Zou het al te onbescheiden zijn, om hier aan het begrip “elite” te denken?’, vroeg men zich af en het antwoord was natuurlijk duidelijk. Men had liever minder leden – hoewel dat ook minder inkomsten uit contributies betekende – dan meer. En men hechtte aan de ‘kwaliteit’ van die leden.

Nieuwe statuten in 1949 De afdeling Twente roerde zich wederom toen in 1949 nieuwe statuten aan de leden werden voorgelegd. Deze zet deze kwestie wie lid mag worden en op welke gronden in een uitvoerig stuk uiteen voor het Dagelijks bestuur van de Adelbert. Uitgangspunt is dat de aanduiding ‘standsorganisatie’ uit de oorspronkelijke statuten inmiddels aan vanzelfsprekendheid heeft ingeboet. Bij de ‘St. Adelbertsstand’ was geen sprake van ‘gelijkgerichte zakelijke belangen’ zoals dat bij andere standen het geval was. Het belangrijkste bindmiddel tussen de leden van deze afdeling was ‘een nauw en vriendschappelijk contact tussen de leden onderling’. Het vaststellen van formele eisen voor nieuwe leden vonden zij eigenlijk lastig, zo niet gevaarlijk. Liever bepleitte de Twentse afdeling ‘een systeem van toegepaste selectie bij het aannemen van nieuwe leden en een geleidelijke uitbouw van de organisatie’.

Gebrek aan jongeren