thumb|Deel van het in 1894 geopende Ooglijdersgasthuis gezien in 2012. thumb|300px|Ooglijdersgasthuis rond 1904. Het Ooglijdersgasthuis, ook wel onder meer het Nederlandsch Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders genoemd, was een ziekenhuis voor oogheelkunde in de Nederlandse stad Utrecht.

Geschiedenis In de vroege jaren 50 van de 19e eeuw was de arts Franciscus Cornelis Donders de eerste persoon in Nederland die de oftalmoscoop (oogspiegel) van Helmholtz kon gebruiken, zodat patiënten met onverklaarbare visuele klachten al gauw naar hem gestuurd werden voor diagnose. Donders begon een kleine kliniek met zes bedden in het oude choleraziekenhuis aan het Begijnehof te Utrecht. Dit groeide uit tot het Nederlands Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders, waarvan de opening plaatsvond op 6 november 1858.Weve 1933, p. 9 Het aantal bedden werd hier opgehoogd tot veertig. Op 20 december 1858 werden de eerste twee patiënten opgenomen, twee weeskinderen uit Enkhuizen.

De behandelkliniek raakte internationaal bekend. Daarnaast vond er oogheelkundig onderwijs en onderzoek plaats. Binnen Nederland was de kliniek de eerste in haar soort. Donders’ eerste compagnon was Herman Snellen. In 1884 volgde Snellen hem op als directeur van het Ooglijdersgasthuis.

In de jaren 80 van de 19e eeuw maakten Donders en Snellen plannen voor een nieuw, veel groter oogziekenhuis: dit nieuw Nederlands Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders werd geopend in 1895 aan de huidige F.C. Dondersstraat door Snellen, toen Donders al overleden was. In 1989 werd het ziekenhuis onderdeel van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (AZU), maar nog wel als een onafhankelijke afdeling onder de naam F.C. Donders Instituut voor Oogheelkunde.

Het ziekenhuiscomplex is na 2019 verbouwd tot 55 appartementen en andere woningen.

Vestigingen Het Ooglijdersgasthuis is in de negentiende eeuw meerdere malen verhuisd. Het groeiende instituut had steeds meer ruimte nodig. De eerste vestiging was een in 1853 door F.C. Donders geopende polikliniek in het Physiologisch Laboratorium aan het Janskerkhof, het laboratorium waar F.C. Donders voorheen werkte als fysioloog. Patiënten die behandeld moesten worden, werden geopereerd in het Choleragasthuis aan de Begijnestraat. In 1864 werd een huis naast het gasthuis aangekocht ter uitbreiding. In de jaren zeventig werd er al gesproken over verdere uitbreiding en werd er gezocht naar nieuwe mogelijkheden van uitbreiding. Verschillende plannen voor nieuwbouw konden niet doorgaan. Zo werd een beoogd pand aan de Plompetorengracht aangekocht door de gemeente voor een ander doeleinde. Een aankoop aan het Sterrenbos in 1884 kon ook niet doorgaan omdat er niet op tijd geld bijeen gezameld kon worden voor de aankoop bij de gemeente. Dit geld moest binnen vijf jaar worden verzameld, daarna zou de grond weer vervallen aan de gemeente. In 1889 werd besloten voor een nieuw vrijgekomen terrein aan de Bleyenburgstraat. Dit terrein lag destijds aan de rand van de stad en was dus ongunstig gelegen, maar de goedkope grond was toch reden tot aankopen. In 1892 werd de bouw voor een nieuw gasthuis aanbesteed aan de architect Dirk Kruijf. Het gebouw werd in 1895 geopend. Dit gebouw is tegenwoordig bekend door zijn ligging aan de F.C. Dondersstraat, dat in de eerste jaren van de twintigste eeuw gebouwd werd. Het nieuwe Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders blijft een groot deel van de twintigste eeuw op deze locatie gevestigd. Vanaf 1965 werden er plannen gemaakt voor een fusie met een kliniek op De Uithof waarbij het samengaan met het Kinderziekenhuis werd besproken.Hoppenbrouwers 1983, pp. 126-129 Uiteindelijk is de kliniek in 1989 verhuisd naar het AZU op De Uithof.

Locatie F.C Dondersstraat Dit gebouw is tegenwoordig een Utrechts rijksmonument. Het heeft deze titel verworven omdat het een voorbeeld is van een in neo-renaissancestijl opgetrokken ziekenhuis. Het was bovendien van cultuurhistorische waarde vanwege de intentie om een ziekenhuis voor ooglijders op te richten en de verbondenheid met professor F.C. Donders die voor de ooggeneeskunde van grote betekenis is geweest., Ooglijdersgasthuis in Utrecht op Rijksmonumenten.nl.

Bouwgeschiedenis De bouwgeschiedenis van het pand aan de F.C. Dondersstraat is in verschillende perioden op te delen. De bouw van het eerste deel is begonnen in 1892. Het is geconstrueerd in een L vorm en ontworpen door de architect Kruijf. Het gebouw is opgetrokken in de stijl van de zogenaamde neogotiek en de neorenaissance, dit zijn stijlen waar ornamenten van de eerdere perioden worden hergebruikt. Deze neostijlen waren gangbaar aan het einde van de negentiende eeuw. In 1902 volgde er een nieuwe toevoeging aan de achtereinde van het perceel, hoogstwaarschijnlijk ook ontworpen door architect D. Kruijf. Het gebouw was niet bijzonder groot en sloot stijlmatig aan bij het oude deel. In 1932 en 1933 bracht de architect H.F. Mertens enkele wijzigingen aan in het eerste bouwdeel. In 1936 ontwierp hij ook twee andere aanbouwen. Zijn grootse bijdrage volgde in 1938, toen de Oostelijke vleugel werd uitgebreid. Mertens ontwierp dit deel in de stijl van de nieuwe zakelijkheid, die een bewust contrast vormden met de oudere delen. De twee delen uit 1892-94 en 1938-39 vormen samen het hedendaagse rijksmonument. Op de oostelijke hoek van de noordelijke vleugel werd in 1950 een bouwdeel geplaatst. In de jaren zestig was een zekere architect Wouda verantwoordelijk voor wijzigingen aan het terrein. Vanaf 1962 werden de oude delen door Wouda verbouwd, waaronder de entree van de oostelijke vleugel. Vanaf 1967 werkte hij aan een laag paviljoen aan de binnenzijde van het terrein, de polikliniek. In 1971 volgde er weer een nieuwbouw, een lang gebouw naast de aanbouw van 1902. Nadat het Ooglijdersgasthuis zich had gevestigd op de Utrechtse Uithof werd het gebouw vanaf 1996 gerenoveerd en gerestaureerd voor gebruik door de Hogeschool Utrecht. De verschillende gebouwen aan de noordzijde werden allen gesloopt en vervangen door een nieuwe aanbouw.Veerman Bouwhistorie, Bouwhistorische opname Ooglijdersgasthuis F.C. Dondersstraat 65 Utrecht Deel 1: Tekst, 2015, p. 13-15

Exterieur rijksmonument thumb|De bouwtekening van de voorgevel aan de F.C. Dondersstraat

Het monumentale hoofdgebouw is uitgevoerd in rode baksteen en heeft drie verdiepingen met meerdere kappen. Het geheel wordt geflankeerd door twee hoektorens. De voorgevel is gelegen aan de F.C. Dondersstraat en is in een renaissancestijl versierd. Dit is te zien aan de natuurstenen decoraties, de speklagen, kruiskozijnen, de rondboogvensters en de spitse dakpartij met een getrapte bekroning. Over de hele gevel zijn ook de kenmerkende sierankers te zien. De aanbouw van 1938 is in een geheel andere stijl opgebouwd, de nieuwe zakelijkheid. Deze is het geconstrueerd met strakke rechte lijnen en grote vierkanten ramen. De aanbouw heeft een vierkante plattegrond en telt drie verdiepingen. Het is net als het hoofdgebouw uitgevoerd in rode baksteen en heeft een plat dak in tegenstelling tot het oudere deel van het complex.Veerman Bouwhistorie, 2015, p. 138-139

Interieur rijksmonument De indeling van het interieur in het ooglijdersgasthuis is door de jaren heen sterk veranderd. In de bouwtekeningen uit 1892 is het pand als volgt ingedeeld. De begane grond was voornamelijk bedoeld voor het personeel. Aan de voorkant was een garderobe met daarachter een collegezaal. Deze werd geflankeerd door twee kliniekzalen, die allebei grenzen aan een oogspiegelkamer. Deze ruimte werd gebruikt voor inspecties van het netvlies door middel van een oogspiegel. Aan de westelijke zijde bevond zich onder andere een ruimte voor onderzoek en een grote wachtruimte. Aan de oostelijke zijde bevonden zich werkkamers, zitkamers en bestuurskamers. De eerste verdieping is ingericht voor het huizen van patiënten. Aan de westelijke zijde lagen de mannen en aan de oostelijke zijde de vrouwen en de kinderen. Beide hadden beschikking tot aparte eetzalen. Verder waren er ruimtes voor verpleegsters en een zitkamer. De tweede verdieping lijkt sterk op deze indeling, het belangrijkste verschil is dat zich hier in het midden de operatiezaal bevond.

Oogheelkunde in het Ooglijdersgasthuis: onderwijs, onderzoek en verpleging Vanaf het begin had het ziekenhuis twee doelen: ten eerste zorgde het voor de klinische en poliklinische behandeling van oogpatiënten en ten tweede was het de plek voor theoretische en praktische instructie in de oogheelkunde. Het laatste doel was voor Donders het belangrijkst, omdat hij vond dat het niveau van de oogheelkunde in Nederland veel te laag was.

Zodra het ziekenhuis opgericht was, kwam er een golf aan wetenschappelijke publicaties van Donders, Snellen en hun studenten. De resultaten die gepubliceerd werden, waren vaak gebaseerd op metingen die gedaan waren met instrumenten die waren gekocht toen het ziekenhuis voor het eerst uitgerust werd en in de jaren die volgden. Veel van Donders’ resultaten waren echter gebaseerd op metingen met instrumenten die hij zelf had laten maken in het ziekenhuis, ergens anders in Nederland of in het buitenland. Dirk Barentsz. Kagenaar was een van de makers die instrumenten op aanvraag van Donders maakte. De oogheelkundige instrumenten die gebruikt en verzameld waren door Donders en Snellen in de tweede helft van de 19e eeuw, werden geplaatst als lesmateriaal in het Ooglijdersgasthuis. Ze werden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek en voor instructie aan de studenten van Nederlandse en buitenlandse universiteiten die naar Utrecht kwamen om oogheelkunde te studeren.Tonkes, Henkes, Van Leersum 1996, p. 13-16

Instrumenten Enkele van de instrumenten die door Donders en Snellen bedacht of aangepast naar hun specificaties zijn de isoscoop, de metroscoop, de oftalmomicroscoop, de oftalmostatometer, de oftalmotroop, de optometer, de phacoidoscoop, de phakometer, scotometer en de skiascoop. Een groot deel van de instrumenten die ontworpen of aangepast zijn voor gebruik van Donders, Snellen en hun collega’s, is opgenomen in de collectie van het Universiteitsmuseum in Utrecht, zoals de Snellenkaart waar Snellen vooral bekend van is. Niet alle instrumenten hebben het door de tijd heen overleefd: een deel is uit elkaar gehaald en hergebruikt voor het ontwerp van andere instrumenten. Ook zijn lang niet alle bedachte instrumenten echt gebruikt.

Oogmagneet en sideroscoop thumb|Elektromagneet die met de hand vastgehouden kan worden, bedacht door Julius Hirschberg in 1877. Voorbeelden van twee bijzondere voorwerpen die in bezit waren van het Ooglijdersgasthuis, waren oogmagneten en sideroscopen. Deze voorwerpen waren van belang bij het verwijderen van metaalsplinters uit het oog. Met de sideroscoop kon vastgesteld worden of het deeltje in het oog magnetisch was en waar het zich bevond. Vervolgens werd geprobeerd het deeltje te verwijderen door middel van een magneet. In 1842 werd dit voor het eerst succesvol uitgevoerd. De magneet die hiervoor gebruikt werd, was echter niet sterk genoeg om kleine, diepliggende splinters uit het oog te verwijderen. Daarom werd in 1877 het gebruik van een elektromagneet bedacht door Julius Hirschberg. De eerste elektromagneten waren nog niet met de hand vast te houden, maar niet veel later liet Hirschberg een handmagneet ontwerpen die gebruiksvriendelijker was.

Nationale en internationale uitstraling (1858-1920)