Johannes Arnoldus Jozef "Jan" Peters (Posterholt, 24 juli 1909 - Heiloo, 4 oktober 1961) was een Nederlandse priester en een invloedrijke filosoof in de traditie van het neothomisme.

Hij werd vooral bekend vanwege zijn geschriften over het existentialisme en de metafysica.

Levensloop Peters werd tot priester opgeleid aan de seminaries van de Congregatie der Redemptoristen. Hij voltooide zijn studies aan het Angelicum in Rome en in Leuven. In Rome promoveerde hij in 1939 op een lijvige dissertatie met als titel: De immanentie van de liefde volgens de wijsbegeerte van Sint Thomas. In 1946 werd Peters benoemd tot hoogleraar in de kennisleer, de natuurlijke godsleer en de metafysica aan de toenmalige Katholieke Universiteit van Nijmegen. Peters wilde graag dat men hem aansprak met pater Peters, wat getuigde van zijn sterke verbondenheid met zijn religieuze gemeenschap in het klooster Nebo in Nijmegen.

Filosofie Als filosoof wordt Peters gerekend tot de aristotelisch-thomistische traditie en was hij een van de 'jongere' leden van de kring van filosofen uit de bloeitijd van het neothomisme in Nederland.

Peters schreef talrijke artikelen en boeken. Zijn belangrijkste werk is Metaphysica, een systematisch overzicht, dat in Engelse vertaling verscheen in de Verenigde Staten. Belangrijke thema's in zijn werk zijn: de oorsprong van het woord, liefde als godsbewijs en de gelovige als probleem van de wijsgeer.

Hij heeft in geschriften veel kritische aandacht besteed aan de denkrichtingen van zijn tijd, zoals het fenomenologische existentialisme.

Confrontatie met het existentialisme In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, toen het existentialisme een dominante intellectuele stroming werd, profileerde Peters zich als een scherp criticus en analyticus van dit gedachtegoed. In uitgebreide studies in het Tijdschrift voor Filosofie (1948) ging hij de confrontatie aan met de kopstukken van deze beweging: Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre.J Peters, 'Heidegger en Sartre', in: Tijdschrift voor Filosofie, jrg. 10 (1948), p. 289-336.

Peters zag het existentialisme niet als een loutere dwaalleer, maar als een "noodzakelijke crisis" in de westerse wijsbegeerte. Hij prees de aandacht voor de concrete menselijke ervaring en de vrijheid, maar bekritiseerde wat hij zag als de "zijnsvergetenheid" bij Heidegger en de "radicale subjectiviteit" bij Sartre. Volgens Peters leidde de filosofie van Sartre onvermijdelijk tot een zinloos isolement van het individu. Tegenover de angst en de absurditeit van het existentialisme stelde hij een metafysica van de liefde J. Peters, De immanentie van de liefde (1939) en de gemeenschap. Hij betoogde dat de mens zichzelf niet vindt in de afzondering, maar in de relatie tot de ander en uiteindelijk tot het Absolute (God). Hiermee probeerde hij de moderne inzichten over de menselijke existentie te integreren in een vernieuwd, dynamisch neothomisme.

Werken 1946 - Liefde 1948 - Wijsgerig leven in Nederland in 1947 1949 - Défense de la métaphysique 1949 - Hedendaags denken en Christelijke geest 1950 - Hedendaagse visies op den mens 1951 - Wijsgerig leven in Nederland in 1948-1949 1951 - Over den oorsprong van het woord 1953 - Het hylemorphisme 1953 - Het ondeelbaar ogenblik 1955 - Wijsgerige notities over het geloven 1957 - Metaphysica : een systematisch overzicht 1958 - Aristoteles over de tijd 1958 - De wetenschapsleer van Prof. van Laer 1959 - Het religieuze 1959 - De gelovige, hét probleem voor de wijsgeer 1961 - Het kunstwerk als verschijnend symbool

Externe links 'In memoriam prof. dr. J.A.J. Peters c.s.s.r.', rede uitgesproken in de aula van de R.K. Universiteit maandag 9 oktober 1961 door prof. dr. J. van Boxtel

Bronnen, noten en/of referenties

Categorie:20e-eeuws filosoof Categorie:Nederlands filosoof