Hadiboh (Arabisch: حديبو), voorheen Tam(a)rida (تمريدة)Ook geschreven als Bilad-as-Sulyan, Habido, Habidu, Hadiba, Haddiboh, Hadeeboo, Hadibo, Hadibou, Hadibu, Hadibuh, Hedibo of Hudaybu en vroeger ook als Tamarid, Tamarida, Tamaridah, Tamarin, Tamarinda of Tamrida (bron: List of local Socotran geographical names used in entomological literature p. 42), is de hoofdplaats van het Jemenitische eiland Socotra. Het vormt daarnaast de hoofdplaats van het grotere oostelijke en gelijknamige district Hadiboh van het gouvernement Socotra. De stad telde 8454 inwoners bij de volkstelling van 2004. In de decennia erna is de bevolking sterk gegroeid.

Geografie Hadiboh is een kuststad aan de noordkant van het eiland. De plaats ligt in het Laagland van Hadiboh, aan de voet van het Hajhirgebergte. De stad is door de hoofdweg RR01 verbonden met de luchthaven (12 kilometer westelijker) en de zeehaven (8 kilometer oostelijker) van het eiland. Rond de stad liggen de dorpen Adi, Adunawah, Kodih en Siirhin.

Ten oosten van de stad loopt de wadi Dineghen uit in de zee. Dwars door de stad loopt de wadi Manifo.Vroeger Keregingiti genoemd. In de bovenloop heeft deze wadi een zijtak: de Mokasu.

Stedelijke structuur Hadiboh is een organisch gegroeide stad met een netwerk van ongeplaveide straten en veel vervallen gebouwen. Een aantal van deze straten nabij de kust heeft kleine winkeltjes, die gezamenlijk de soek (al-sūq) worden genoemd en gezamenlijk de enige markt op het eiland vormen. Dit is de historische kern van de stad. Hier bevinden zich ook de voormalige vervallen gebouwen van de sultans, die van de 15e tot de 20e eeuw over het eiland heersten. Sinds de jaren 1960 is de stad sterk gegroeid, maar door gebrek aan ruimtelijke ordening, welstand en bouwregels is dit niet op planmatige wijze gebeurd.

De stad bestaat uit drie buurten (hâra of wahda sikeniya) die vernoemd zijn naar historische gebeurtenissen in Jemen en worden bestuurd door een sjeik:

14 oktober: naar de dag van de revolutie in Zuid-Jemen in 1963 30 november: naar de dag in 1967 dat de laatste Britse soldaten Jemen verlieten 26 september: naar de dag van de revolutie in Noord-Jemen tegen het imanaat in 1962 De vier windrichtingen van de stad (noord, oost, zuid, west) worden elk grofweg bewoond door inwoners uit dat deel van het achterland van de stad.

Met name in het oostelijke stadsdeel Musaqibhen trekken veel bewoners in het zomerseizoen uit de stad naar hun familie in de dorpen in het achterland gedurende de zogeheten haruf. In dit stadsdeel werd in de socialistische tijd een slijterij gevestigd voor de driedaagse nieuwjaarviering (Ras As Sana). Sommige bewoners maken er nog steeds de klandestiene alcoholische drank dibish (een soort bier).

De stad is zwaar vervuild met afval. Door de stad lopen vele geiten.

Geschiedenis Naam De naam Tamrida komt uit het Arabisch (mogelijk van het Arabische woord tamr voor dadels) en zou dan verwijzen naar het feit dat zich er vroeger veel dadelplantages bevonden. Deze naam werd vooral gebruikt door buitenstaanders.

Hadiboh is de lokale Socotrische naam en verwijst naar de jinniya (vrouwelijke beschermgeest) van de plaats waaraan een libatie werd geofferd alvorens bewoners iets aten of dronken dat van buiten het eiland kwam. Een etymologische verklaring stelt dat het woord opgemaakt is uit de stam Hadib, wat verwijst naar een plek waar men zich na vele bezoeken thuisvoelt. De naam Hadiboh werd vermoedelijk de officiële naam toen de stad in 1967 onderdeel werd van de Democratische Volksrepubliek Jemen.

Volgens een bedoeïense bron uit het binnenland werd de plaats door hen oorspronkelijk aangeduid als shirha ("dun bevolkt") en toen de plaats zicht tegen het einde van het sultanaat had uitgebreid als bilad ("land") om het te onderscheiden van de rest van de dorpen op het eiland. Vanaf de socialistische periode kwam ook bij hen Hadiboh als naam in zwang.

Prehistorie In 2008 werden stenen Oldowanwerktuigen ontdekt nabij Hadiboh, die wijzen op vroege bewoning.

Over de begintijd van de plaats zelf is weinig bekend. De plaats is ontstaan tussen twee wadi's: de grotere wadi Al-Rahaba in het westen en de kleinere wadi Hadiboh in het oosten. Het geheel was omringd door dadelbomen.

Sultanaat Mahra

Ontwikkeling tot hoofdplaats In 1480 werd Socotra onderdeel van het Sultanaat Mahra. In de 16e eeuw (tijdens het kortstondige Portugees-Socotra) was het oostelijker gelegen Suq de belangrijkste plaats van het eiland. Mogelijk vanaf het begin van de 17e eeuw werd Suq als hoofdstad van Socotra vervangen door Hadiboh. Veel inwoners verlieten toen mogelijk Suq omdat de inham aldaar steeds verder verzandde en daardoor niet meer bruikbaar was voor de scheepvaart. De eerste vermelding van de plaats was in 1607 toen William Finchof van de Britse Oost-Indische Compagnie er naar eigen zeggen de zoon van de sultan van Qishn van de Mahra-dynastie ontmoette. De sultan verbleef er slechts af en toe en gebruikte hef vooral als tijdelijke vluchtplaats voor politieke vijanden en om er jaarlijks belasting (vooral in de vorm van ghee) te innen van de eilanders, met name uit Hadiboh, Qadub en Qalansyah. De sultans lieten er daartoe een fort bouwen. Er was tevens een kadi gevestigd.

In 1615 beschreef de Britse zeevaarder Thomas Roe de plaats als volgt: “De koningsstad Tamara is gebouwd van kalk en steen, wit van kleur. De huizen zijn van bovenzijde plat en zien er mooi uit vanaf de weg. Maar als je er bent, is het er maar arm”.

Bewoners De bovenlaag van de plaats bestond uit Arabische stammen uit Mahra, Aden en Hadramaut, waarbij de Mahrastammen het land bezaten en de dadelvelden beheerden en de andere Arabieren handel dreven met de bedoeïenen uit het binnenland. Enkele als 'Nubiërs' aangeduide bewoners (die ook tot de Arabieren werden gerekend) vervulden administratieve functies voor de sultan. De onderlaag van de bevolking bestond uit slaven (Muwalladin of imbu'ileh) die door handelaren uit Sohar waren ontvoerd van met name Zanzibar en als slaaf verkocht waren aan de Arabieren, die hen op dadelplantages en bij hun kudden te werk stelden en hen behandelden als leden van hun uitgebreide familie. In het geval van hongersnoden boden de bedoeïenen soms ook op deze wijze hun diensten aan om aan de honger te ontsnappen. De Muwalladin vormden in de 19e eeuw de meerderheid van de bevolking en vormen nog altijd een grote groep binnen Hadiboh, al beschouwen ze deze benaming tegenwoordig als pejoratief.

Indeling De plaats was onder de Mahra's onderverdeeld in hafa's (Arabisch: hâra); buurten rond de huizen van prominente Arabische personen, die vaak familie of vertegenwoordigers van de sultan waren. De belangrijkste waren:

hafa bin Hamoudish, naar een zakenman uit Shabwah; hafa Nuban, waar de vizier van de sultan woonde, die naar verluid een afstammeling van een Nubische slaaf was; hafa bin Silman, een Omaanse kadi van de sultan; hafa bin Ghanem, naar een handelaar uit Aden; hafa bin Subayt, de muqaddam voor de Afrikanen; hafa Nujed, de woonplaats van de Afrikaanse slaven.

Elke hafa bestond uit een familiegemeenschap met een aantal Afrikaanse bedienden. De gebouwen bestonden uit enkele stenen woningen van welgestelden omringd door krotten. In de plaats bevonden zich vier moskeeën die echter vooral een symbolische betekenis hadden daar de meeste bewoners geen toegang hadden tot de juiste religieuze instructies en feitelijk hun eigen syncretische praktijken bleven volgen.

Britse invloeden Begin 19e eeuw kwamen de Britten, die in 1876 een protectoraatsverdrag over Socotra sloten met de sultans van Mahra. In 1886 werd het hele sultanaat een Brits protectoraat. De Britten hieven toen in aanwezigheid van de sultan de Britse vlag in Hadiboh. De sultans verwisselden Qishn voor Hawlaf aan de oostzijde van Hadiboh, om iets later op de vlucht voor de Omanieten zich bij de bedoeïenen in het binnenland te vestigen. Het hof van de sultan en de culturele elite van het sultanaat vestigden zich wel in Hadiboh. De Britten lieten de dagelijkse gang van zaken in handen van de sultan en besteedden verder nauwelijks aandacht aan de plaats.

Immigratie en handel Daarop volgden enkele decennia waarin overzeese immigranten uit de huidige landen Oman en de Verenigde Arabische Emiraten (vooral handelaren uit Ajman) zich in de plaats vestigden op zoek naar een beter leven door er naar parels te duiken en ghee te verhandelen naar Oost-Afrika en langs de Perzische Golf. Zij trouwden met Socotrische vrouwen, Toen de Emiraten rijk werden door de olie, leidde dit tot een tegenmigratie van Socotri naar Ajman, waar ze als dank voor het eerdere opvangen van zijn onderdanen door sultan Rashid bin Humaid Al Nuaimi III de status van 'meest geliefde immigranten' kregen. De meeste emigranten uit de Socotrische diaspora wonen dan ook in Ajman.

Een aantal handelaren deden vanuit Hadiboh aan ruilhandel met gebieden van buiten het eiland. Naar Muscat werden parels, oesters, drakenbloed, brandhout, ghee en aloë geëxporteerd in ruil voor dadels en rijst. Naar Zanzibar werd gezouten vis en ghee gebracht in ruil voor maïs (maqdere), kerosine en kokosnootolie, met Aden werden Socotrische tapijten en oesters geruild tegen rijst, suiker, meel en kleren en naar Bombay werden tapijten, ghee en drakenbloed geëxporteerd voor rijst, suiker en kleren. In de jaren 1950 zetten de sultan en een aantal andere handelaren met dhows een handelsroute op naar Mombassa, Oost-Afrika en de Golf. Daarvoor werd voor de sultan een douanepost geopend bij Port Da'an in de hafa Nujed.

Tegen het einde van de jaren 1960 stonden er ongeveer honderd gebouwen in de plaats en woonden er een kleine 500 mensen.

Onder socialistisch bestuur Toen Hadiboh en Socotra in 1967 onderdeel werden van het onafhankelijke socialistische Zuid-Jemen kwam een tweede golf van migranten naar de plaats en ontstond het zogeheten hadhara (stedelijk leven). De slavernij op het eiland werd vermoedelijk toen afgeschaft en het eiland werd geopend voor de rest van het land. De Jemenitische overheid vestigde er soldaten en overheidsfunctionarissen zoals leraren, politie en bestuurders, die deels werden opgevuld door Socotrische bewoners uit het oosten van het eiland. Ook werd begonnen met de aanleg van wegen naar andere delen van het eiland. Vanuit andere delen van Jemen en vanuit het achterland op het eiland vestigden steeds meer mensen zich in de plaats, die hierdoor geleidelijk veranderde van een landbouwdorp naar een stad. Bewoners vestigden zich in buurten die informeel vernoemd werden naar de gebieden of dorpen waar ze vandaan kwamen.

Begin jaren 1980 werd de plaats opgedeeld in drie buurten (hara's) om bestuurlijke zaken zoals verkiezingen beter te kunnen regelen. In deze periode werd ook de basis gelegd voor basisvoorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en nutsvoorzieningen.

In 1980 werd een landhervorming doorgevoerd waarbij de landerijen van de sultan en (relatief) rijkere families werden onteigend en tegen lage prijzen werden verkocht aan voorheen pastorale boeren uit met name het oosten en zuiden van het eiland. Met het socialisme kwam echter ook Arabisering: de Socotrische namen konden bij registratie voor geboortecertificaten, identiteitsbewijzen en andere registraties moeilijk worden vertaald naar het Arabisch en Arabisch werd als 'modern' gezien. Dus werden veel namen vertaald naar het Arabisch. De grote migratiegolf vanuit andere delen van het eiland leidde tot een grotere vraag naar woningen, waarvoor de omringende dadelvelden moesten wijken. Hadiboh groeide daarmee uit tot buiten haar oorspronkelijke grenzen. De meeste migranten kwamen uit het oosten van het eiland (onder andere uit Suq en het Momiplateau) en vestigden zich in het gebied Musaqibhen ten oosten van de wadi Hadiboh.