Overheidscommunicatie is sinds eind twintigste eeuw het aandachtsgebied waarmee de professionele verzorging van het contact van overheden met burgers wordt aangeduid.

Die term wordt vooral door communicatiespecialisten gebruikt wier kerntaak het is betekenis te verlenen aan overheidsbeleid. Bestuurders en burgers spreken nog vaak van 'overheidsvoorlichting'. In Vlaanderen wordt overheidsvoorlichting vaker als een ouderwetse term ervaren. De aandacht van dit vakgebied richt zich vooral op interventies vanuit de overheid, zoals het geven van voorlichting aan burgers en journalisten. Strikt genomen valt ook het selectief omgaan met, het timen en achterhouden of juist het lekken van informatie er onder. Dat kan gaan om overheidsinformatie, maar ook om gegevens van derden die bij de overheid berusten. Idealiter hoort ook het ontvangen van informatie die de burger verstrekt (de burgercommunicatie) tot het vakgebied. Maar in de meeste vakliteratuur staat de logica van de overheid als zender centraal.

Ontwikkeling thumb|Standbeeld ter herinnering aan de dorpsomroepers van Spijkenissethumb|Voormalige winkel van Postbus 51 in Den Haag Stadsomroepers zijn te beschouwen als de oudste overheidsvoorlichters. In de 20e eeuw kwam ook het vak van landbouwvoorlichter op, deze kwam namens de overheid innovaties propageren bij boeren. De eerste nationale overheidsvoorlichters treden in Nederland al voor de Tweede Wereldoorlog in dienst, zij promootten vooral het economische beleid in het buitenland. Na de oorlog groeide het aantal beroepsbeoefenaren sterk, net als later het aantal specialismen bij communicatieafdelingen. In 1945 werden de ‘Regeeringsvoorlichtingsdienst’ en de ‘Dienst Oog en Oor’ ingesteld, de laatste om de publieke opinie te volgen en om het beleid toe te lichten.http://www.gahetna.nl/collectie/archief/ead/index/eadid/2.03.02/anchor/descgrp-context-custodhist In 1946 bleef echter alleen de RVD als Rijksvoorlichtingsdienst over, evenals de toentertijd opgerichte Postbus 51. De ouderwetse postbus heeft zich nu tot een digitale en telefonische vraagbaak ontwikkeld: het is een deels geprivatiseerde dienst. De burger denkt dat hij met de overheid zelf belt, maar in werkelijkheid wikkelt een particulier callcenter de meeste publieksvragen af.

Propagandavrees De naoorlogse vrees voor de effecten van propaganda bepaalde tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw de politieke discussie: mag een overheidsorgaan met communicatiemiddelen het gedrag van burgers proberen te beïnvloeden? Hoewel ook toespraken, wetten en verkeersborden communicatieve beïnvloedingsmiddelen zijn, concentreerde het politieke debat zich op het beïnvloeden van journalisten door voorlichters en op de inzet van bijvoorbeeld propagandafilms. Die discussie verhinderde niet dat de overheid tegelijkertijd propaganda bedreef: zoals voor het Marshallplan en voor de Europese eenwording, voor het dragen van schoon ondergoedEen campagnespot van de overheid staat op deze site: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/overheidscommunicatie/geschiedenis-postbus-51 en tegen energieverspilling of ter bevordering van de spaarzin.De Roon A. en Middel R., De wereld van Postbus 51, Houten 1993 De laatste voorbeelden waren niet controversieel omdat er sprake is van communicatie over door het parlement aanvaard beleid.

Juridische grondslag thumb|ARP-voorman Barend Biesheuvel kreeg de bijnaam Open Barend omdat hij de Nederlandse regering adviseerde om openbaarheid van bestuur wettelijk te verankeren. In 1971 werd hij zelf premier. Pas in 1980 kwam het onder Van Agt tot een Wet openbaarheid van bestuur. In de jaren zestig werd de roep om democratisering luider. In reactie daarop startte Piet de Jong als minister-president met het houden van wekelijkse persconferenties. Een commissie onder leiding van Barend Biesheuvel adviseerde de regering in 1970 onder de titel ‘Openheid en openbaarheid’.Het instellingsbesluit van de Commissie Biesheuvel is altijd geheim gebleven en nooit gemotiveerd door de minister-president, alleen uit bijlage I van haar eindrapport blijkt dat het besluit tot instelling van de staatscommissie op 13 september 1968 moet zijn genomen. De installatie was op 23 september 1968 door premier Piet de Jong. Zie ook het proefschrift van Harm Schelhaas, De informatieplicht van de overheid, 1979, pag. 51 Het zou nog tot 1980 duren voordat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in werking trad. Openbaarheid werd later ook in de Nederlandse Grondwet verankerd: niet vooraan bij de grondrechten van de burger, maar pas in artikel 110, als opdracht aan het bestuur. De Nederlandse Wob regelt dan ook niet het informatierecht van burgers, maar de informatieplicht van bestuursorganen. ‘Zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering’ moeten zij informatie verschaffen, desgevraagd (passieve) maar ook ongevraagd (actieve openbaarmaking). Nederland kent een informatiestelsel en geen documentenstelsel zoals openbaarheidswetten in Zweden en de VS. Burgers kunnen dus in Nederland niet een document opvragen, maar wel de informatie daaruit. De overheid bepaalt de vorm van de informatieverstrekking. In België is de openbaarheid van bestuur in 1993 vastgelegd in de Grondwet: bij de rechten van Belgen. Ieder heeft er (onder voorwaarden) op grond van art. 32 het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen. Hier is openbaarheid dus wel een recht van de burger.

Opleiding en organisatie De communicatiediscipline bij de overheid maakte een forse groei door. Het begon na de Tweede Wereldoorlog met een handvol voorlichters bij het rijk en later bij gemeenten, provincies en waterschappen. Tegenwoordig hebben Nederlandse overheden duizenden communicatiemedewerkers in dienst. Daarnaast zijn er particuliere bureaus en zelfstandige communicatiedeskundigen actief voor de sector overheidscommunicatie. Ook zijn er op de overheid afgestemde communicatieopleidingen op middelbaar en hoger onderwijsniveau ontstaan en is er een body of knowledge gegroeid, dankzij wetenschappers, vakpublicaties, activiteiten van beroepsverenigingen en scholingsinstellingen. Voormalig hoofd Voorlichting van de gemeente Den Haag Chiel Galjaard wordt beschouwd als de pionier van het vakonderwijs over overheidscommunicatie.

De in Nederland in de jaren 60 mede door hem opgerichte Vereniging van voorlichtingsambtenaren bij lagere publiekrechtelijke lichamen (VVA) wijzigde haar naam in 1986 in Vereniging Voor Overheidscommunicatie. Deze VVO ging in 2005 met de Beroepsvereniging voor Communicatie op in de vereniging Logeion die circa 3.000 leden telt en waarvan ook communicatieprofessionals uit het bedrijfsleven lid zijn. Logeion heeft beroepsniveauprofielen opgesteld die de taken en verantwoordelijkheden van communicatiedeskundigen beschrijven.http://www.logeion.nl/beroepsniveauprofielen In Vlaanderen is sinds 2000 de vereniging Kortom actief. 'Kortom, vereniging voor overheidscommunicatie' telt ruim 700 leden en is er om vakkennis te bundelen en uit te wisselen, zoals via congressen en cursussen.Website van Kortom (www.kortom.be)

Verschil met bedrijfscommunicatie Overheids- en bedrijfscommunicatie hebben veel gemeenschappelijks. Het verschil zit in het wezen van de organisatie. Overheidsorganisaties voeren publieke taken uit. Ze hebben wettelijke monopolies (zoals paspoorten uitgeven) en ze oefenen gelegitimeerde machts- en zelfs geweldstaken uit (douane, belastingen, politie, leger). Daarmee onderscheiden ze zich van commerciële bedrijven. Aandachtsconcurrentie zou je een overeenkomst kunnen noemen, maar bedrijven worden vooral door economische concurrentie beheerst. Voor een duurzaam voortbestaan van organisaties in de marktsector is efficiëntie een cruciale norm. Voor overheidsorganisaties gaat het om zorgvuldigheid bij het uitvoeren van hun publieke taak: de rechtvaardige verdeling van schaarse zaken zoals recht, ruimte, veiligheid en vrijheid. Niet de wet van vraag en aanbod is bepalend, maar de wettelijk opdracht van een democratisch gelegitimeerd en gecontroleerd bestuur. De bestaansverschillen tussen overheden en bedrijven werken door in hun communicatie. Zo is openbaarheid vrijwel altijd een plicht voor de overheid, voor bedrijven is openbaarheid veeleer een recht. De overheid moet daarom kunnen beschikken over specifiek opgeleide ambtenaren die met deze bijzondere verschillen kunnen omgaan. Een belangrijk onderscheid is verder dat bedrijven voor klanten werken en overheden voor burgers. Een klantrelatie is te beëindigen, burger ben je altijd.https://web.archive.org/web/20140201220906/http://toecomst.com/2014/01/05/gastpost-rein-van-gisteren/?relatedposts_exclude=876 Nog een markant verschil: bij bijvoorbeeld een gemeente maakt de democratisch gekozen politieke oppositie ook deel uit van het hoogste bestuursorgaan, de gemeenteraad. Bedrijven zijn niet geneigd om tegenstanders op te nemen in hun raad van bestuur.

Vier tegenrollen burger-overheid Zodra zender en ontvanger van rol wisselen is er de noodzakelijke interactie om van communicatie te kunnen spreken. Tweerichtingsverkeer wil nog niet zeggen dat het bij overheidscommunicatie om gelijkwaardigheid in het contact gaat. Als een agent iemand bekeurt of als een kiezer stemt op een raadslid staan zij niet op gelijke voet, want zijn er machtsverschillen. Alleen bij ideale inspraak (als inspraakadviezen serieus gewogen worden) en bij een zuivere rol als klant (als de burger in vrijheid naar de concurrentie kan gaan) is de relatie meer in evenwicht.

De ideaaltypische betrekking overheid-burger kent vier basisrelaties. Overheid en burger vervullen daarin vier contrasterende (tegen-)rollen. Overheidscommunicatie versus burgercommunicatie, hclc.nl Overheidscommunicatie versus burgercommunicatie, raadopenbaarbestuur.nl

gezagsdrager 24px|c 24px|d gekozene besluitvormer 24px|a 24px|a inspreker      aanbieder 24px|b 24px|b klant     ingezetene 24px|c 24px|d kiezer

De twee verticale betrekkingen illustreren de historische basis voor het contact burger-overheid. Het zijn twee hiërarchische relaties c.q. afhankelijkheden. c. De gezagsdrager staat boven de ingezetene (of onderdaan). d. Bij een verkiezing is de hiërarchie echter omgekeerd: de kiezer beschikt immers over het actief kiesrecht en verleent mandaat aan een gekozene, de volksvertegenwoordiger die over het passief kiesrecht beschikt. De verticale pijlen geven de dominante richting weer, ze sluiten overigens niet uit dat een ingezetene of een gekozene ook terugkoppeling geeft op een boodschap. Er zijn ook twee horizontale relaties te onderscheiden. a. De besluitvormer die op gelijkwaardige voet met insprekers overlegt. De twee pijltjes wijzen hier idealiter naar links omdat consultatie het kernproces van inspraak vormt: de overheid die luistert naar een advies van de burger. b. De tweede relatie komt in zijn zuivere vorm niet veel voor: de overheid die een echte marktrol vervult: hiervan is bijvoorbeeld sprake als zij aanbieder is van kaartjes voor een openbaar zwembad of een publieke veerpont.

Politieke communicatie De relatie kiezer-gekozene is precair. Bij een strikte scheiding van de overheidsmachten, is politieke communicatie voorbehouden voor de interactie tussen kiezers en gekozenen. Maar als benoemde bestuurders overheidscommunicatie hiervoor inzetten, is er ook sprake van politieke communicatie. Zie ook spindoctoring. Voorbeelden: een minister laat een partijpolitiek geladen toespraak schrijven door een ambtelijke ghostwriter, houdt een gevoelig rapport achter of laat het juist uitlekken. Ook als een bestuursorgaan probeert de deelnemers aan een referendum te beïnvloeden of als de indiening van wetten om electorale redenen wordt bespoedigd of vertraagd spreken we van politieke communicatie. In de functieomschrijving van ambtenaren staat vaak dat zij moeten beschikken over een ‘politieke antenne’ om met dit soort gevoeligheden om te kunnen gaan.