De Rekhemse IJzermolen was een vroeg-industriële ijzermolen aan de Bielheimerbeek in de buurtschap Rekhem, ten noorden van Gaanderen en niet ver van Doetinchem. Het bedrijf wordt algemeen beschouwd als de eerste hoogovengieterij op Nederlandse bodem en daarmee als het oudste vroeg-industriële ijzerbedrijf van Nederland. De molen werd in 1689 gesticht door de Rotterdamse koopman Josias Olmius en kwam vermoedelijk in 1691 in bedrijf. In 1794 verplaatsten de pachters Geert Janssen en Willem de Haas het bedrijf naar Laag-Keppel, waar het zou voortbestaan als Keppelsche IJzergieterij. Een als nevenbedrijf voortgezette ijzerhut bleef in Rekhem nog actief tot omstreeks 1809. De molen is in de literatuur ook wel als Gaanderense IJzermolen aangeduid; de inmiddels gangbare naam Rekhemse IJzermolen is volgens recent onderzoek historisch niet aantoonbaar en lijkt te dateren uit de twintigste eeuw, na de herontdekking van het bedrijf.
Voorgeschiedenis Op of nabij de plek waar de Rekhemse IJzermolen verrees, stond in de middeleeuwen al een watermolen. Deze hoorde bij het augustijnenklooster Bethlehem (ook wel Bielheim of Belhem genoemd), dat aan het einde van de twaalfde eeuw was gesticht en waaraan de Bielheimerbeek zijn naam ontleent. Het kloostercomplex en de bijbehorende molen werden tijdens de Tachtigjarige Oorlog verwoest, vermoedelijk in 1582 of 1587. Toen Olmius een eeuw later op deze plek zijn ijzermolen begon, knoopte hij dus aan bij een lange traditie van waterbouw aan de Bielheimerbeek.
Stichting (1689)
De ondernemer Josias Olmius Josias Olmius (Gelselaar, 1649 – Rotterdam, 1713) was een vermogende koopman. Hij was een zoon van de gereformeerde predikant van Lochem en huwde in 1674 met Maria van Schoonhoven, telg uit een hugenotengeslacht met handelsbetrekkingen in Frankrijk. In Rotterdam dreef hij handel in onder meer fijn Frans glas en Spaansche of Marseillaansche zeep, vervaardigd onder een privilege van de Staten van Holland. In 1687 verkreeg hij een octrooi van de Staten-Generaal op een uitvinding in de glasnijverheid. Door regionale historici wordt hij wel beschreven als entrepreneur pur sang en als de eerste industriële ondernemer in de noordelijke Nederlanden.
Octrooi en pachtcontract In 1689 verkreeg Olmius van de Staten van het Kwartier van Zutphen een octrooi om in dat gewest te mogen ontdecken, soecken ende reduceren sodaene minerael van ijser ende alle andere mineraliën, als hij aldaer sal konnen vinden, dienstig om iser te gieten. Op 5 augustus 1689 sloot hij met de magistraat van de stad Doetinchem een pachtovereenkomst over het delven van ijzeroer en het gebruik van de Bielheimerbeek, voor een jaarlijkse pachtsom van tweehonderd gulden. Volgens de Oudheidkundige Vereniging Gander werd de watermolen op die datum opgericht. De feitelijke ingebruikname van de hoogoven volgde in 1691.
Bedrijfsvoering
Inrichting en techniek De installatie was een onderslagmolen: het waterrad werd door de stroming aan de onderzijde aangedreven en bracht via tandwerk de blaasbalgen van de hoogoven in beweging. Het bedrijf werd naar Duits voorbeeld ingericht; voor de bedrijfsvoering trok Olmius vooral Duitse vaklieden aan, vermoedelijk uit het naburige bisdom Münster, waar de hoogoventechniek inmiddels gangbaar was. De hoogoven werd gestookt met houtskool en gebruikte als toeslagmiddel Muschelkalk, die vermoedelijk werd betrokken uit de omgeving van Winterswijk of, in een latere fase, uit Coesfeld. De smeltkroes en het gestel waren bekleed met Bentheimer zandsteen. Een plattegrond uit 1752 toont een L-vormig gebouwencomplex met twee schoorstenen, wat erop kan wijzen dat het bedrijf op enig moment over twee hoogovens beschikte.
De grondstof was lokaal gewonnen ijzeroer, dat in de moerassige laagten rondom Rekhem ondiep onder het maaiveld voorhanden was. Voor de afvoer van de eindproducten werden de Bielheimerbeek en, via Doesburg, de IJssel gebruikt.
Producten De Rekhemse IJzermolen produceerde naar eigen octrooi iser ende diergelijcke. Volgens overgeleverde stukken bestond het assortiment uit handgranaten, mortierbommen, kanonskogels, kachelplaten en allerhande huishoudelijk gietwerk. De Republiek voerde in deze decennia herhaaldelijk oorlog en was voor ijzeren oorlogsmaterieel grotendeels op import aangewezen; de productie van Olmius vulde dus een strategisch gat. De afnemers waren onder meer de admiraliteiten en de Staten-Generaal.
Conflicten met Doetinchem De pachtvoorwaarden bleken al snel een rem op de bedrijfsvoering. De stad Doetinchem stond uitbreiding van de fabriek niet toe, beperkte het gebruik van waterkracht tot de periode van november tot en met april en eiste dat slakken die in de beek terechtkwamen werden opgeruimd, zodat de vaardiepte gehandhaafd bleef. Olmius raakte daarnaast verwikkeld in een langslepend conflict met Frederik Johan, heer van Wisch, over de rechten op de bovenstroomse waterloop. Het geschil werd na zijn dood in 1713 door de erven Olmius in 1718 geregeld, waarna het bedrijf zonder verdere belemmeringen in bedrijf bleef.
Verplaatsing naar Laag-Keppel (1794) De combinatie van een waterarme beek, uitgeputte oerlagen in de directe omgeving en de strakke regels van de stad Doetinchem maakte de positie van het bedrijf op den duur onhoudbaar. De compagnons Geert Janssen en Willem de Haas, die de molen aan het einde van de achttiende eeuw in onderpacht hadden, kochten in 1794 de Rekhemse ijzerhut van de erven Olmius en sloten op 7 februari 1794 een nieuw pachtcontract met baron en barones Van Pallandt, heer en vrouwe van Keppel. Op die nieuwe locatie, aan de Oude IJssel in Laag-Keppel, bouwden zij een watermolen en een hoogoven. Het bedrijf werd voortgezet onder de naam Janssen & De Haas en groeide later uit tot de Keppelsche IJzergieterij, die tot 1983 zou bestaan.
In Rekhem bleef vervolgens nog een nevenbedrijf, de zogenoemde Rekhemse IJzerhut, in werking. Die activiteit werd omstreeks 1809 stilgelegd; de verplaatsing naar Laag-Keppel was volgens een andere bron in 1810 voltooid. Van het oorspronkelijke complex bleef alleen de stuw gehandhaafd, die eigendom werd van de stad Doetinchem.
Plaats in de Achterhoekse ijzerindustrie De Rekhemse IJzermolen wordt beschouwd als de stamvader van de Achterhoekse ijzerindustrie aan de Oude IJssel. Na de stichting van Olmius volgden in dezelfde streek de Olde Hut in Ulft (1754, later DRU), de ijzergieterij Nering Bögel in Deventer (1756) en in 1821 de voorganger van Vulcaansoord op de grens van Terborg en Gaanderen. Olmius wordt in de canon van Doetinchem en in de literatuur over de Achterhoekse industrie aangewezen als de eerste industriële ondernemer van de noordelijke Nederlanden; met zijn ijzermolen begon in 1689, in de woorden van regionale historici, aanvankelijk schoorvoetend, de industriële revolutie van Nederland.
Archeologische resten en monument Hoewel het bedrijfsterrein in de loop van de negentiende eeuw onder de grond verdween, bleven er sporen in de bodem achter. In 1952 trof men bij grondwerkzaamheden paalwerk van de watermolen aan, en in 1977 kwamen mallen van Bentheimer zandsteen tevoorschijn, samen met enkele coquilles waarin mortierbommen waren gegoten. In maart 1988 werd bij de aanleg van een fietspad naast de Kerkstraat, op korte afstand van de oorspronkelijke fabriekslocatie, een tweetal complete gietmallen voor kanonskogels gevonden.
Naar aanleiding van die vondsten ontstond binnen de Oudheidkundige Vereniging Gander het initiatief om ter plaatse een gedenkteken op te richten. Het driehonderdjarig jubileum van de stichting in 1989 vormde de aanleiding voor de daadwerkelijke realisatie. Op 9 september 1989 werd het Gieterijmonument onthuld, opgebouwd rond de teruggevonden gietmallen en coquilles. Het monument staat in de directe omgeving van de oorspronkelijke vestigingsplaats, aan de oude loop van de Bielheimerbeek nabij herberg Het Onland. In 2024 bestonden er plannen om de Gaanderense IJzermolen ter plekke te reconstrueren en aan de reconstructie een museumfunctie te verbinden.
Naamgeving In zeventiende- en achttiende-eeuwse stukken wordt het bedrijf doorgaans simpelweg de ijzermolen (van Olmius) genoemd. De aanduiding Rekhemse IJzermolen raakte pas in de twintigste eeuw ingeburgerd, lang nadat het bedrijf had opgehouden te bestaan. In recent onderzoek is opgemerkt dat de naam strikt genomen historisch niet correct is, omdat hij niet in de oorspronkelijke bronnen voorkomt en het bedrijf op het moment van zijn vermeende Rekhemse identificatie al ruim een eeuw uit Rekhem was verdwenen. In de literatuur en op informatieborden ter plaatse wordt daarnaast geregeld de naam Gaanderense IJzermolen gebruikt.
Zie ook Josias Olmius Keppelsche IJzergieterij IJzermolen IJzerhut Bethlehem (Doetinchem) Bielheimerbeek DRU (bedrijf) Vulcaansoord Achterhoekse ijzerindustrie
Externe links De Rekhemse ijzergieterij (canon van Doetinchem, Mijn Gelderland) De Gaanderense IJzermolen (Nederlands IJzermuseum) Gieterijmonument (Oudheidkundige Vereniging Gander) De Keppelsche IJzergieterij. Het eerstgeboorterecht (achtergrondstudie, pdf)
Noten
Categorie:Geschiedenis van Doetinchem Categorie:Voormalig bouwwerk in Gelderland Categorie:Voormalig Nederlands bedrijf Categorie:Industrieel erfgoed in Nederland Categorie:Watermolen in Gelderland Categorie:Geschiedenis van de Achterhoek