right|300px|thumb|Rechtsonder een spontaan weer bloedend lichaam, links daarvan de al gemartelde "dader" in een illustratie bij het Hamburger Stadrecht uit 1497 300px|thumb|De baarproef van de huursoldaat Hans Spiess die in Ettiswil als moordenaar werd ontmaskerd omdat het lijk van zijn vrouw in zijn aanwezigheid spontaan weer ging bloeden. Hans Spiess werd daarop veroordeeld en geradbraakt. Miniaturen uit de in 1513 verschenen "Luzerner Chronik des Diebold Schilling" Het bloedrecht, ook baarproef of bloedproef geheten, (Latijn: "ius cruentationis" of "Ius feretri sine sandapilae"), was een van de bewijsmiddelen in het middeleeuwse strafrecht. Men bracht een verdachte in de omgeving van het opgebaarde lichaam van een slachtoffer van moord en keek of de wonden spontaan weer gingen bloeden. Wanneer dat gebeurde werd dat als een aanwijzing, zelfs als bewijs, van schuld gezien.
Een "sandapila" is in het Latijn een goedkope baar of een goedkope lijkkist.Zie Het Latijnse werkwoord "cruentare" betekent bloederig maken of met bloed besmeuren.Zie
De procedure Het bloedrecht komt misschien voort uit het oude Germaanse Recht en werd voor zover bekend in Duitsland, Polen, Bohemen, Schotland en Noord-Amerikaanse koloniën toegepast. In Duitsland behoorde het bloedrecht tot rond 1750 tot de forensische opsporingsmethoden.Barend A. J. Cohen; "Forensische geneeskunde: raakvlakken tussen geneeskunst en gezondheidszorg De baarproef werd pas toegepast wanneer andere onderzoeksmethoden en marteling van de verdachte geen resultaat hadden opgeleverd. Bij de baarproef waren een vastgestelde eedsformule waarin de onschuld werd betuigd en het leggen van de handen op het dode lichaam gebruikelijk.
Achtergrond van het gebruik van het bloedrecht als instrument is de gedachte dat het lichaam ook na de dood nog bezield is of nog enige tijd bezield is. Volgens de leer van de katholieke kerk verlaat de ziel het lichaam pas enige tijd ná de dood. De baarproef was steeds een subsidiair bewijs. Alleen wanneer er geen getuigenverklaringen of bewijzen waren gevonden en de verdachte ook onder marteling niet had bekend werd de baarproef gebruikt.
De oudste geschreven bron in de vorm van gecodificeerd recht is het Freisinger Rechtsbuch uit 1328Art. 273 dat een baarproef ook bij al begraven lijken toestond. De baarproef wordt ook in het Nibelungenlied genoemd. Daarin worden gebeurtenissen rond het jaar 436 beschreven maar de overlevering is niet betrouwbaar. Het Nibelungenlied laat het dode lichaam van de verraderlijk vermoorde Siegfried bloeden wanneer zijn moordenaar, Hagen het opgebaarde lijk nadert.
Over de gedachte achter het bloedrecht bestaat geen zekerheid. Wat de Germanen zich daarbij precies voorstelden is onbekend. De christelijke middeleeuwers verklaarden het bloedrecht uit het voortleven van het slachtoffer als levend lijk dat veranderen kon wanneer het dat wilde. Het lijk zou de kracht hebben om de wonden te doen veranderen of te laten bloeden en daarmee de dader aan te wijzen. De dode zorgde dus voor het bewijs in de eigen strafzaak. Een andere theorie benadrukt het element van het godsoordeel waaraan het bloedrecht verwant is. Omdat het bloed van de vermoorde mens "ten hemel schreit" is het God die de wonden laat bloeden. Deze uitleg beroept zich op Genesis 4:10 "vox sanguinis fratris tui clamat ad me de terra" oftewel "De stem van het bloed van uw broer schreit ten hemel". De theologische onderbouwing loopt mank; in Genesis is het het bloed dat werd vergoten en in de aarde werd opgenomen dat om wraak vraagt en het gebruik van het bloedrecht is als deel van de Germaanse rechtspleging ouder dan het christendom. Tijdens de Middeleeuwen kreeg de christelijke uitleg van het bloedrecht de overhand. Het lijk werd een instrument in de handen van God.
De oorsprong van het bloedrecht is duister. Sommige bronnen noemen het een aan het oude Germaans recht ontsproten gebruik. De oudste literaire bron stamt uit de 12e eeuw. Over toepassing van het bloedrecht in de Frankische periode is ons niets bekend. In het Nibelungenlied duikt het bloedrecht opNibelungenlied, V. 984 ff., Iwein V. 1355 ff.),, maar onduidelijk is of de dichter bij het vermelden van het bloedrecht door oude Germaanse overleveringen werd geïnspireerd. In de 14e eeuw wordt het bloedrecht deel van het gecodificeerde recht. We vinden het in 1328 in het Stadtrecht van Visby op Gotland. In de "Schwyzer Totschlagsordnung" van 1342 wordt een godsoordeel waarbij men over een lijk moet stappen vermeld met de woorden "über den toten gan uf gottes erbermde". Na 1400 duiken er steeds meer vermeldingen in akten, wetten en processtukken op. We vinden ze in Duitsland, Italië, Frankrijk en Spanje. Later ook op de Balkan en in Engeland en Scandinavië.Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens III 1930/31, Sp. 1047 ff.; Lehmann 1979, S. 28 ff Omdat ook in Afrika en in Australië vergelijkbare rituelen werden ontwikkeld die los van de Europese tradities zijn ontstaan kan men van een archetypisch rechtsgevoel spreken. Lijk, ziel, bloed en moordenaar zijn niet van elkaar te scheiden dankzij de verbreking van het taboe op de moord op een medemens.Theodor Reik in "The Unknown Murderer", London, L. & V. Woolf, 1936 In Afrika zijn er stammen waar de rondgedragen baar van het slachtoffer uit zichzelf geacht werd tegen het huis van de moordenaar te botsen. De Australische Aboriginals vroegen het dode lichaam of het betoverd was. Zo ja dan bewoog het lichaam dat volgens de traditie op een aantal bogen was gelegd. Wanneer de tovenaar aanwezig was zou een boog bewegen en de tovenaar aanraken.
Er wordt melding gemaakt van gelegenheden waarbij de gehele bevolking van een plaats langs de baar moest lopen om zo de schuldige aan te kunnen wijzen.Robert P. Brittain in "CRUENTATION IN LEGAL MEDICINE AND IN LITERATURE" op
Het bloedrecht werd door juristen becommentarieerd. Het werd door Johann Friedrich Kob in 1672 in zijn "Ius Cruentationis (vulgo das Baar-Recht)." beschreven. In de bronnen zijn verschillende gebruiken en ceremonies rond het baarrecht beschreven. Altijd wordt het plechtige karakter van de confrontatie tussen de veronderstelde dader en het lijk benadrukt. Er is sprake van een eed waarin de verdachte zich voordat hij het lichaam aanraakt onschuldig verklaarde. Soms moest de dader het lichaam werkelijk aanraken waarbij het beroeren van de wonden met een hand of alleen een vinger werd beschreven. Er is ook sprake van het kussen van de dode.Ogris, Werner: Bahrprobe. In: Lexikon zur Geschichte der Hexenverfolgung, hrsg. v. Gudrun Gersmann, Katrin Moeller und Jürgen-Michael Schmidt, in: historicum.net, URL: https://web.archive.org/web/20091015211908/http://www.historicum.net/no_cache/persistent/artikel/5736/ Een bron noemt het beroeren van de hartstreek van de dode.Pierer's Universal-Lexikon, Band 2. Altenburg 1857, S. 181. Als reacties van het lichaam werden niet alleen spontaan opnieuw bloedende wonden maar ook spontane bewegingen van het dode lichaam genoemd.
Er zijn ook bronnen die opmerken dat het gewoonte was om het ritueel van het bloedrecht meerdere malen, vaak driemaal omdat het getal drie een bijzondere betekenis had voor de middeleeuwers, uit te voeren. Er waren in ieder geval varianten die lokaal waren bepaald. Wanneer het lijk bloedde, of exacter gezegd serum ging verliezen, of andere veranderingen, zogenaamde "Verkehrungen" vertoonde. Deze bewijsvoering is te verklaren uit het in die tijd nog slecht begrepen ontbindingsproces van het begraven lichaam. Ook bij een lichaam waar de ontbinding nog niet ver is gevorderd kan door het verplaatsen van het lijk een bloederige waterige vloeistof uit de longen lekken wanneer er een of meerdere steekwonden in de borstkas zijn.Robert P. Brittain
De toepassing van het bloedrecht wordt in de wet, bijvoorbeeld in het "Freisinger Recht" aan het initiatief van de verdachte gelaten. Dan kan het als een rituele reiniging worden gezien. In andere gevallen waren het de rechters of de verwanten van de dode die om het bloedrecht vroegen. Het middeleeuws recht was verwarrend. Zonder bewijs mocht er niet worden gemarteld, maar sommige van de aan het bloedrecht onderworpen verdachten, zoals Spiess, waren voordat de proef werd afgenomen al gemarteld. Daar diende het bloedrecht kennelijk als afsluitend bewijs waarmee de zaak "rond" was.
Het bloedrecht werd tot dertig dagen na de begrafenis toegepast.
Pogingen tot een uitleg bij een metafysisch fenomeen Het bloedrecht had een metafysische achtergrond, het was geen wetenschappelijk onderbouwd bewijsmiddel. In de periode van de Europese verlichting werden bewijzen als deze, zoals de godsoordelen uit het strafrecht verwijderd. Van alle godsoordelen heeft het bloedrecht zich het langste kunnen handhaven. In 1809 werd het in de encyclopaedie van Brockhaus nog als een in "achterlijke streken nog gebruikelijke procedure die op bijgeloof is gegrond" genoemd. In Pierer's Universal-Lexikon uit 1857 wordt het baarrecht beschreven als iets dat niet meer actueel is, al wordt daar opgemerkt dat het volk op vele plaatsen vast nog wel aan de spontaan in aanwezigheid van de dader bloedende wonden zou geloven.
Onder de scholastici en filosofen van de late Middeleeuwen waren aanhangers en tegenstanders van het bloedrecht te vinden. Men gebruikte juridische, medische, religieuze, filosofische en logische argumenten om het belang van het bloedrecht te bewijzen of juist te verwerpen. De Heksenhamer citeerde de Heilige Vincentius van Lérins die stelde dat een dodelijke wond geïnfecteerd is door de geest van de moordenaar en vol besmette lucht is. Wanneer de moordenaar in de buurt is gaat het bloed stromen omdat in de aanwezigheid van de moordenaar alle lucht uit de wond in beweging komt. Jacobus I van Engeland, ook regerend als Jacobus VI van Schotland, geloofde fanatiek in hekserij en organiseerde ook heksenvervolgingen. In 1597 schreef de Schotse koning-theoloog in zijn boek over demonen, de "Daemonologie" dat "met de bovennatuurlijke invloed van demonen bij het toepassen van het bloedrecht rekening moest worden gehouden". Jacobus noemde de baarproef letterlijk een "bovennatuurlijk teken dat door God was ingesteld".
"...for as in a secret murther, if the deade carcase be at any time thereafter handled by the murtherer, it wil gush out of bloud, as if the blud wer crying to the heauen for reuenge of the murtherer, God hauing appoynted that secret super-naturall signe, for tryall of that secrete vnnaturall crime, . . ."King James VI of Scotland, "Daemonologie in Forme of a Dialogue", I 597, edited by G. B. Harrison, London, John Lane, The Bodley Head Quartos, I924, pagina 8o.
De Engelse Presbyteriaanse geleerde en dichter Richard Baxter was ervan overtuigd dat het bloedrecht uitkomst bood bij een onderzoek naar een moord en beschreef het fenomeen van het spontaan weer bloedende lijk in zijn in 1691 gepubliceerde "The Certainty of the World of Spirits". In het Duitse Rijk heeft de Wolfenbüttelse Hofgerichtsassessor Schottel gesteld dat het bloedrecht gebruikmaakt van "de wrekende macht van God". Andere juristen zoals Benedikt Carpzow stelden dat het bloedrecht een aanwijzing was die verder verhoor, en marteling, rechtvaardigde. Voor een veroordeling wegens moord was het bloedrecht alleen onvoldoende bewijs. Voor veroordeling was een bekentenis of een betrouwbare getuigenverklaring nodig. In Zuid-Europa is het uit het Germaanse recht stammende bloedrecht nooit erg belangrijk geweest. Daar leefde men meer in de traditie van het Romeins Recht. De vooraanstaande Italiaanse juristen Hippolytus de Marsiliis en Farinacci beoordeelden het bloedrecht als niet meer dan aanvullend bewijs of een aanwijzing die een zo ernstige verdenking op de gevangene wierp dat marteling geoorloofd was. Sinds de 16e eeuw groeide het aantal stemmen tegen godsproeven en andere metafysische bewijzen. De Spaanse natuurrechtgeleerde Antonio Gómez (na 1500 - vóór 1572) heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.