thumb|Burgers op een tank in Benghazi

De Opstand in Libië of de Eerste Libische Burgeroorlog van 2011 was een gewapend conflict in Libië, gevochten tussen troepen van kolonel Moammar al-Qadhafi en tegenstanders van zijn regering. De protesten begonnen op 15 februari 2011 en waren mede geïnspireerd door de Arabische Lente, de protesten in de Arabische wereld: door de Egyptische Revolutie en de Jasmijnrevolutie in Tunesië. De demonstranten eisten het vertrek van Qadhafi en het instellen van democratische verkiezingen. Na aanvankelijk succes van de rebellen ontstond al snel een patstelling, waarbij de rebellen, die zich in de Nationale Overgangsraad hadden verenigd, Benghazi en andere steden in het oosten van het land onder controle hadden. Qadhafi behield zijn macht in de westelijke helft van het land, ook in de hoofdstad Tripoli, niet in Misratah.

Sinds begin maart voerden de troepen van Qadhafi een oostwaartse campagne, waarbij onder meer de steden Bin Jawad, Ra's Lanoef en Brega veroverd werden. Geweld tegen de bevolking werd door Qadhafi niet geschuwd, hetgeen hem op veel kritiek van de internationale gemeenschap kwam te staan. Eind februari kondigde de VN-Veiligheidsraad in een resolutie al maatregelen, zoals een wapenembargo aan. Op 17 maart werd in een tweede resolutie een vliegverbod boven Libië afgekondigd. De regering-Qadhafi stelde kort daarop een wapenstilstand in. Beide zijden in het conflict gingen echter door met militaire acties.

In augustus 2011 keerden de kansen toen rebellen, geholpen door luchtbombardementen door NAVO-vliegtuigen, steeds verder naar Tripoli oprukten en de stad ten slotte binnentrokken. De reden, dat de NAVO ingreep, was dat het regeringsleger van Qadhafi dreigde Benghazi in te nemen en daar de burgers te vermoorden. Het was Frankrijk, dat het initiatief nam om in te grijpen. De rebellen veroverden Qadhafi's hoofdkwartier en op 28 augustus hadden zij controle over de hele stad. Op 20 oktober werd de laatste stad in Libië veroverd door de rebellen waarbij Qadhafi door hen werd gedood. De Nationale Overgangsraad, die eerder al vrije verkiezingen had aangekondigd, verklaarde Libië op 23 oktober 'bevrijd' en de strijd voorbij. De NAVO beëindigde de missie officieel op 31 oktober 2011.

In de nasleep van de burgeroorlog hebben er nog gevechten en opstanden plaatsgevonden van Qadhafi-aanhangers, die zou bestaan uit 90.000 strijders. 7000 pro-Qadhafi militairen, burgers en Afrikanen worden vastgehouden in de gevangenissen van de regering. Volgens Amnesty International vinden er op grote schaal martelingen en executies plaats van personen die als vijanden van de nieuwe regering worden gezien.

Chronologie Libië voor de oorlog Libië was gebaseerd op de Jamahiriya, een islamitische en socialistische ideologie ontwikkeld door Qadhafi, in zijn Groene Boek waarbij het volk alle macht zou hebben. Politieke partijen waren verboden. Volgens critici was Libië een dictatuur, Qadhafi gaf als reactie hierop aan dat "Westerse mensen het Libische systeem niet begrijpen". Libië had een levensverwachting van 74 jaar, was het hoogst genoteerde Afrikaanse land op de index van de menselijke ontwikkeling van de Verenigde Naties en heeft ook een van de hoogste bbp's van het continent en een voor een Afrikaans land hoge alfabetiseringsgraad. Ook was er gratis onderwijs en gezondheidszorg. Volgens voormalig NAVO-commandant Wesley Clark was de beslissing om een oorlog in Libië te beginnen lang van tevoren genomen.

Volksprotesten thumb|Het gebouw van Het Groene Boek-onderzoekscentrum in Benghazi is uitgebrand.

De protesten begonnen op 15 februari en concentreerden zich toen vooral in de noordoostelijke stad Benghazi, 1.000 km ten oosten van de hoofdstad Tripoli en de tweede stad van Libië. Deze protesten werden hardhandig neergeslagen door de politie De opstand verspreidde zich naar andere plaatsen in Libië en werd ook daar met veel geweld uit elkaar gedreven, met veel gewonden en slachtoffers als gevolg. Als reactie hierop riepen de rebellen 17 februari uit tot 'Dag van Woede' De dagen daarna concentreerden de confrontaties tussen de rebellen en de regering zich met name tot het gebied rond Benghazi.

Ondanks het feit dat er al op 15 februari manifestaties tegen corruptie op het Groene Plein in Tripoli werden gemeld, bleef de hoofdstad zelf in eerste instantie gespaard van grote volksopstanden. Gedurende de eerste week kwamen de protesten in Tripoli langzaam op gang, maar deze werden hard neergeslagen door de Libische luchtmacht, waarbij een onbekend aantal mensen om het leven kwam.

Machtsovername door de rebellen in het oosten Nadat delen van het leger overliepen naar de rebellen werden de regeringsgetrouwe troepen na dagenlange gevechten op 21 februari uit Benghazi verdreven en werd de egaal groene Libische vlag vervangen door de oude vlag van het Koninkrijk Libië. Benghazi fungeerde vanaf dat moment als zwaartepunt voor de opstand in Libië. Twee officieren uit het Libische leger weigerden de bevelen op te volgen en demonstranten aan te vallen. In plaats daarvan landden ze met hun gevechtsvliegtuigen op het nabijgelegen eiland Malta en vroegen er asiel. In Darna en Tobroek in het oosten, Sirte en Ra's Lanoef in het midden en Az Zawiyah in het westen vonden in de eerste week protesten en confrontaties met aanhangers van Qadhafi plaats. Het oosten van het land was al vrij snel in handen van de rebellen. "Libië is niet zoals Tunesië of Egypte," verklaarde Qadhafi's zoon Saif al-Islam tijdens een toespraak op de staatstelevisie. Hij waarschuwde dat Libië aan de rand van een burgeroorlog stond en dreigde ermee dat de regering zou vechten tot de laatste kogel. Deze toespraak werd in de straten van Tripoli met woede en minachting onthaald.

In de tweede week kwam het oosten van het land meer en meer in handen van rebellen vanuit Benghazi en stabiliseerde de situatie hier enigszins. Terwijl in het westen de derde stad van Libië, Misratah overging in de handen van de rebellen, duurden in Tripoli de ongeregeldheden nog steeds voort. Aanhangers van Qadhafi gebruikten veel geweld en openden het vuur op de demonstranten in de stad. In Tripoli vielen enkele doden en een flink aantal gewonden.

Inwoners van de arme wijken in de hoofdstad namen openlijk afstand van Qadhafi. De veiligheidsdiensten verdwenen uit de arbeiderswijk Tajoura en de rebellen wierpen er barricades op. In Benghazi werd op en 27 februari een Nationale Overgangsraad gevormd. Dit comité gaf op 27 februari een persconferentie in Benghazi met als woordvoerder Abdul Hafiz Ghoga.

De Libische ambassadeurs in de Verenigde Staten, China, Indonesië, India, Bangladesh, België en Polen namen ontslag en door de Libische ambassade in Mali werd het bloedvergieten in het land zeer scherp veroordeeld. De minister van Binnenlandse Zaken en hoge generaal Abdul Fatah Younis koos op 23 februari de zijde van "de revolutie van 17 februari" en schaarde zich achter de rebellen. De Arabische Liga schorste Libië voor alle bijeenkomsten totdat de mensen in het land veilig zijn. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties veroordeelde het gebruik van geweld tegen protesten. De naar de rebellen overgelopen Libische ambassadeur bij de VN vond dit echter niet ver genoeg gaan. Hij sprak van een genocide door Qadhafi tegen zijn eigen volk en riep op tot het instellen van een vliegverbod boven Libië. Later in de week stelden de Verenigde Naties in een resolutie sancties in tegen de regering-Qadhafi.

thumb|Vluchtelingen in een Tunesisch opvangkamp nabij de grens met Libië In een telefoongesprek met de Servische televisiezender RTV-Pink noemde Qadhafi de VN-sancties waardeloos en in strijd met het Handvest van de Verenigde Naties. Hij zei dat het Libische leger aan de winnende hand was en dat Tripoli totaal rustig en veilig zou zijn. Het verlies van Benghazi deed Qadhafi af als een opstand van een kleine groep. Eerder al liet Qadhafi in een dik uur durende tv-toespraak weten niet van plan te zijn op te stappen.

Om de bevolking voor zich te winnen deelde de overheid geld uit: elk gezin kreeg zo'n vijfhonderd Libische dinar om de verhoogde voedselprijzen te kunnen blijven betalen, maar als gevolg van Westerse sancties daalde de dinar in waarde ten opzichte van de euro en de dollar. De olieproductie van Libië liep enorm terug.

De Verenigde Naties spraken hun vrees uit voor een voedseltekort in Libië. Ook het Rode Kruis stelde zich zorgen te maken over de humanitaire situatie in Libië.

Verschillende landen begonnen met het evacueren van hun inwoners uit Libië. Het vliegveld van Tripoli raakte overvol met mensen die het land probeerden te ontvluchten. Diverse landen stuurden (militaire) vliegtuigen om zo veel mogelijk burgers uit Libië op te halen. Ook werden veerboten ingezet om burgers uit plaatsen langs de Libische kust op te halen. De Britse luchtmacht evacueerde via bliksemacties honderden werknemers uit de woestijn.

Op 28 februari werden drie Nederlandse bemanningsleden van een militaire helikopter door milities van Qadhafi gevangengenomen. Zij waren met hun Lynx van het fregat de Tromp naar Sirte gevlogen en daar geland, zonder dat hiervoor toestemming was gevraagd aan de Libische autoriteiten. De bedoeling was een zogenoemde consulaire evacuatie van een werknemer van Royal Haskoning. Hij, de drie bemanningsleden van de helikopter en een Zweedse vrouw die op weg was naar de evacuatielocatie werden door gewapende Libische eenheden aangehouden en vastgehouden. De twee burgers werden dezelfde dag door Libië vrijgelaten, de drie bemanningsleden bleven nog gevangen. Na intensief diplomatiek overleg kwamen zij in de nacht van 10 op 11 maart vrij.

Omdat de opstand bleef voortduren en de veiligheid voor buitenlanders steeds meer in het gedrang kwam, kwam een enorme vluchtelingenstroom van met name in Libië werkzame Egyptenaren op gang. Met name aan de grens met Tunesië nam de druk toe om duizenden vluchtelingen op te vangen. 70.000 tot 75.000 mensen waren de grens met Tunesië overgestoken. De VN sprak van een humanitaire ramp.

Tegenoffensief van Qadhafi Het regeringsleger begon op 2 maart een tegenoffensief richting het oosten. Plaatsen als Brega, een kleine maar strategisch gelegen oliehaven, werden urenlang onder vuur genomen uit de lucht gevolgd door een grondoffensief. Deze aanval werd door de rebellen afgeslagen. Er vielen ten minste veertien doden. Gevechtsvliegtuigen zouden ook de nabijgelegen stad Ajdabiyah hebben gebombardeerd, waar de rebellen een militair kamp en wapendepot in handen hadden. De dag erna ondernam het leger opnieuw een offensief tegen Brega. Ditmaal werden er enkel luchtaanvallen uitgevoerd. Daarnaast ondernam de regering in het westen een poging de stad Az-Zawiyah in te nemen. Qadhafi zou artillerie, tanks en andere pantservoertuigen inzetten tegen de rebellen. Bij een treffen tussen de Khamis-brigade onder leiding van Khamis al-Qadhafi en de rebellen zouden dertien en mogelijk meer dan vijftig mensen om het leven zijn gekomen.

In de derde week van de opstand keerden de kansen. Aanvankelijk werd Ra's Lanoef, een strategisch belangrijke stad in het oosten van Libië, door de rebellen ondanks hevige aanvallen van de luchtmacht veroverd. Ook Ra's Lanoef is belangrijk voor de doorvoer van olie. Hierbij vielen minstens drie slachtoffers. Op 10 maart kwam Ra's Lanoef opnieuw in handen van de troepen van Qadhafi. Het ziekenhuis van de plaats werd bij de gevechten getroffen door een artillerieaanval, en de omgeving ervan werd vanuit de lucht gebombardeerd, waarop het personeel en de zieken werden geëvacueerd. Honderden strijders trokken zich terug naar meer oostelijke plaatsen. Ook in Az-Zawiyah werd op 10 maart het overheidsgezag hersteld. Een propagandaoorlog werd door beide zijden ingezet, waarbij beweringen gedaan werden die een dag later door ooggetuigen worden tegengesproken.