Naturalisme verwijst in de literatuurwetenschap naar een stroming in de literatuur, in de periode 1850-1900. Het naturalisme kwam vooral tot uiting in de literaire genres van het proza en het drama. Deze stroming was een uitvloeisel (of volgens sommigen: onderdeel) van het literaire realisme, en een reactie op de romantische literatuur.

Kenmerken naturalistische literatuur Het naturalisme en het realisme zijn beïnvloed door de ideeën van Auguste Comte, Karl Marx en Charles Darwin.Zie hiervoor bijvoorbeeld: https://www.youtube.com/watch?v=cump0Nxteb4 Seculier wereldbeeld en de afwezigheid van metafysische of symbolische elementen Nerveuze, zwakke en/of zieke protagonist, aandacht voor determinisme en erfelijke bepaaldheid Natuurlijke dialogen (tegenover neologismen in de vertelling), personages praten soms in een dialect Taboedoorbrekende seksualiteit Ontnuchtering in de loop van het verhaal Maatschappijkritiek, oog voor de kleine man, sociale misstanden en de sociale omgeving Objectieve verteller. De ik-verteller is ongebruikelijk.Van Boven en Kemperink, p. 114Een uitzondering vormt Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants. De vrije indirecte rede beschrijft wat er in de personages omgaat Geloofwaardig; de plaatsen bestaan echt, de gebeurtenissen zijn actueel Haast wetenschappelijke analyses volgens de evolutieleer, medisch, psychologisch en sociologischIdem.

Samenvatting van Zola De Franse schrijver Émile Zola (1840-1902) was de eerste die de term "naturalisme" in een literaire context bezigde. Hij schreef een aantal essays waarin hij zijn opvattingen over het naturalisme uiteenzette: Le roman expérimental (1880), Les romanciers naturalistes (1881), Le naturaliste au théatre (1881)v. Bork & Laan, p. 134

In een opstel over Gustave Flaubert vatte Zola de kenmerken van de naturalistische roman (waarvan hij Madame Bovary als het prototype zag) in drie hoofdpunten samen:

Een getrouwe weergave van het leven, met geordende scènes, zonder romantische elementen of ingewikkeld plot. De protagonist(en) mag/mogen geen bovenmenselijke proporties bezitten, maar moeten de alledaagse mens verbeelden De schrijver zelf probeert volledig te verdwijnen achter de door hem vertelde gebeurtenissen.

Samenvatting van Anbeek Ton Anbeek onderscheidt in 1982 als hoofdkenmerken van de (Nederlandse) naturalistische literatuurv. Bork & Laan, p. 156-159 : een nerveus, overgevoelig personage als middelpunt van het verhaal ontnuchtering na hooggespannen verwachtingen determinisme haat tegen de burgerij (vooral in het werk van Frederik van Eeden en Heijermans; dit gaat echter niet op voor het vroege werk van Couperus, dat toch bij uitstek als naturalistisch wordt gezien.) seksualiteit écriture artiste een personele verteller (i.p.v. een alwetende verteller)

Naturalisme versus romantiek Grote verschillen tussen de toenmalige romantische tendens enerzijds, en het realisme en naturalisme anderzijds, betreffen thematiek, beschrijving en ideologisch uitgangspunt.

Terwijl de romantische kunstenaar het idealistische, bovennatuurlijke en fantastische behandelt, richten realisten en naturalisten zich op het alledaagse. In de romantiek staan de held en de kunstenaar centraal, bij het realisme wordt dat de man in de straat, de arbeider. Het naturalisme gaat nog een stapje verder, en stelt ook de prostituee of de zieke centraal. De romanticus uit zijn ongenoegen met de werkelijkheid door deze te ontlopen, vlucht in het fantastische en het verhevene en verheerlijkt het. De realist stapt van deze verheerlijking af, en keert zich naar de realiteit. De naturalist, op zijn beurt, toont zijn ongenoegen met de maatschappelijke toestanden. Het naturalisme loochent de idealen der romantiek, en klaagt deze soms zelfs aan.

Het centrum van het naturalistisch kunstwerk is het personage in zijn milieu. Dit personage is zwak, vaak ziek, verveeld, somber, decadent. De naturalistische kunstenaar behandelt de ontnuchtering, teleurstelling en ondergang van dit personage, alsmede de kwalijke gevolgen daarvan op zijn omgeving. Terwijl dit in het realisme zou gebeuren als een feitelijke weergave, voegt het naturalisme daar een wetenschappelijke onderbouw en studie aan toe. De romantische kunstenaar wordt neergezet als een geniale ziener (poeta vates), de realistische als een objectieve ambachtsman (poeta faber). De naturalist beschouwt zichzelf als een wetenschapper-vorser.

Terwijl in de romantische literatuur het goede het opnam tegen het slechte, waarbij het goede beloond en het slechte bestraft werd, valt deze zwart-wit tegenstelling (dichotomie) weg in de naturalistische. Het wereldbeeld gaat van zwart-wit naar (donker)grijs.

Invloeden van buiten de kunst Het naturalisme kent duidelijk meer invloeden van buiten de kunst dan het realisme. Bij het realisme is er sprake van artistiek engagement: 'kunst om de kunst', bij het naturalisme komen daar een wetenschappelijk-filosofische en een politieke component bij.

Het naturalisme is sterk beïnvloed door Charles Darwins boek De oorsprong der soorten (1859), waarmee het darwinisme de wereld veroverde. Daarnaast had de leer van het sociaal positivisme van Hippolyte Taine grote invloed op het Franse naturalisme: niet het "genie" van de kunstenaar is de scheppende kracht achter een kunstwerk, maar "race, milieu et moment": culturele groep, omgeving en tijdgeest. Beide invloeden (Taine en Darwin) sterkten de naturalisten in hun deterministische overtuiging, namelijk dat de persoonlijkheid een product is, een speelbal zelfs, van zijn erfelijkheid en zijn sociale omgeving of milieu.

Charles Augustin Sainte-Beuve, een Frans literair criticus, bracht de auteurs onder zijn tijdgenoten theorieën bij die vergelijkbaar zijn met die van Taine. Ook Sainte-Beuve beweerde dat het werk van een kunstenaar niet losgezien kan worden van zijn milieu, godsdienst en geboortestreek, maar liet - anders dan Taine - ruimte voor de individualiteit van de schrijver. Filosoof en socioloog Auguste Comte bracht de naturalisten in contact met het wetenschappelijk positivisme, dat via een verbeterde wetenschap streefde naar maatschappelijke vooruitgang.

Het naturalisme werd gekenmerkt door: pessimisme: de werkelijkheid en het leven brengen onvermijdelijk en voornamelijk ongeluk en ellende voort. determinisme: de mens speelt een ondergeschikte rol in zijn eigen lot, dat van buitenaf bepaald wordt. fatalisme: het noodlot is onvermijdelijk en voorbeschikt.

De ontwikkeling van het naturalisme hangt deels - en niet toevallig - samen met die van het socialisme. Het eerste deel van Marx' Das Kapital verscheen in 1867 en Het communistisch manifest in 1848. De naturalistische schrijver toonde zijn engagement door sociale wantoestanden als prostitutie, decadentie, armoede en racisme te beschrijven, naast materialisme en industrialisering. Naturalisten kozen vaak de kant van de kleine man, tegen de bourgeoisie, waardoor ze een soort waakhondfunctie vervulden, ondanks hun zelfbeeld van objectieve wetenschapper.

Émile Zola, de belangrijkste figuur binnen het Frans naturalisme, sprak van “le roman expérimental”, naar analogie van experimenten in de natuurwetenschappen. Hij was van mening dat de kunstenaar een wetenschapper moest worden, die een objectieve analyse van het menselijke bestaan gaf. Voor hem bestond de naturalistische techniek erin een temperament (personage) in zijn milieu (omgeving) te plaatsen, en vervolgens te registreren wat er gebeurt, volgens deterministische regels.

Medische vakliteratuur die – vooral de Franse – naturalisten heeft beïnvloed, waren Introduction à la médecine expérimentale (1865) van fysioloog Claude Bernard en Hérédité naturelle (1847) van Dr. Lucas.

Naturalisme in verschillende landen Frankrijk

Het naturalisme vond zijn oorsprong in Frankrijk in de jaren 1860, waar het uit de nog jonge traditie van het realisme voortkwam. Het was mede geïnspireerd door het eveneens in Frankrijk opgekomen positivisme, een tak binnen de wetenschapsfilosofie die slechts het zintuiglijk waarneembaare als werkelijk erkende.Van Boven en Kemperink, p. 110

Gustave Flaubert, een realistische schrijver, gaf een aanzet tot het naturalisme, met zijn in 1857 verschenen roman Madame Bovary. Daarin wordt de ondergang van de hoofdpersoon op een afstandelijk-objectieve, wetenschappelijk aandoende, manier beschreven. Tegelijkertijd bekritiseert Flaubert in dit boek de burgerij, de industrialisering en de verstedelijking; een echte naturalistische schrijver zou dergelijk commentaar (subjectiviteit) achterwege laten. Alphonse Daudet kan – anders dan Flaubert – wel gelden als een echte naturalist. Zijn feuilleton L’Évangéliste, dat vanaf 1882 in Le Figaro verscheen, droeg hij op aan de neuroloog Jean-Martin Charcot. Sciëntistische pretenties zijn bij Daudet echter minder nadrukkelijk aanwezig dan bij andere naturalisten. Zijn oeuvre bevat, behalve naturalistische kenmerken als ironie, Provençaalse charme en sympathie voor de kleine, falende burger, ook de eerste tekenen van een literair impressionisme.

De broers Edmond en Jules de Goncourt droegen bij aan het naturalisme, door het blootleggen van het onbekend-psychologische achter hun personages, in een zestal romans die ze samen schreven. Hun gevoel voor nuance namen ze mee vanuit hun voormalig beroep als schilder-illustrator. Hun Germinie Lacerteux (1864) is volgens sommige literatuurhistorici de eerste, echt naturalistische roman.

De meest uitgesproken exponent van het naturalisme was Émile Zola, die de Europese decadentie (maatschappelijk verval) zo waarheidsgetrouw mogelijk ontleedde. Zijn romanfiguren zijn zowel de kunstenaar, de dokter, als de mijnwerker, de prostituee en de dronkeman. De wetenschappelijke invloed in zijn werk kwam van Bernard, Lucas en vooral Taine. Soms wordt Zola nog tot de laat-romantici gerekend, omdat hij zijn verhalen projecteert tegen een achtergrond van lotsverbetering.

Guy de Maupassant, die Flaubert als zijn geestelijk vader beschouwde, was een echte naturalist. Hij herleidde zijn personages tot een stuk elementaire natuur, als de slaaf van intuïtieve krachten en emoties. Zijn werk wordt gekenmerkt door een anti-metafysisch, materialistisch, en a-romantisch objectivisme.

Nederland

In navolging van Frankrijk ontstaat eind negentiende eeuw ook in Nederland en Vlaanderen ongenoegen over de romantisch-idealistische roman. In 1880 schrijft Marcellus Emants: "overal zijn de leesbibliotheken nog vol van gefabriekte verhaaltjes met interessante intriges, poëtisch-optimistische aflopen, en helden, wier aderen met deugd in plaats van bloed zijn gevuld". In het licht van deze ontevredenheid propagandeert Frans Netscher het – Franse – naturalisme. In zijn essay Wat wil het naturalisme prijst hij deze stroming aan, met haar nieuwe, wetenschappelijke pretenties. Lodewijk van Deyssel reageert fel op Netschers schrijfsel in zijn kritiek Over Literatuur uit 1886. Daarin merkt hij op dat Wat wil het naturalisme slechts een compilatie is van citaten van Zola. Van Deyssel voegt daaraan toe: "Zola is een kip, die achter de Hollandsche duinen het ei Netscher is komen leggen". Voor Van Deyssel is 'schrijven volgens de natuur' het belangrijkste aspect van het naturalisme, en niet het wetenschappelijke streven. Voor Van Deyssel is kunst belangrijker dan wetenschap. Ook levert hij kritiek op een klakkeloos overnemen van het Franse naturalisme door Nederlandse auteurs, die volgens hem een nieuwe, eigen, Nederlandse kunstrichting moeten nastreven. Hij spreekt van sensitivisme, als Nederlandse tegenhanger van het Franse naturalisme.

Vanaf 1884 werden er romans van Zola in het Nederlands vertaald. Het Vaderland publiceerde artikelen van Zola in verkorte vorm.v. Bork & Laan, p. 141