Het arrest Keck en Mithouard is een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1993 (gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91), die van belang is voor het vrije verkeer van goederen. Het Hof oordeelde namelijk dat het verbod op belemmerende maatregelen van gelijke werking niet geldt indien voldaan aan drie voorwaarden.

Casus en procesverloop B. Keck en D. Mithouard stonden in Frankrijk terecht voor het wederverkopen van producten tegen een lagere prijs dan hun daadwerkelijke inkoopprijs. Dit was in strijd met de Franse wet. Keck en Mithouard hebben als verweer aangevoerd, dat een algemeen verbod van wederverkoop met verlies, zoals opgenomen in genoemde bepalingen, onverenigbaar is met artikel 30 EEG-Verdrag (huidig artikel 34 VWEU) en met de beginselen van vrij verkeer van personen, diensten en kapitaal en van vrije mededinging binnen de Gemeenschap. Hierop heeft het Tribunal de grande instance van Straatsburg het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing.

Rechtsvraag De voor de rechtsgeschiedenis belangrijke prejudiciële vraag betrof de kwestie, of een verbod op wederverkoop met verlies als "maatregel van gelijke werking" te beschouwen was in de zin van art. 30 EEG-verdrag.

Uitspraak Hof Het Hof herhaalde primair de criteria van het arrest Cassis de Dijon (1979):

Vervolgens maakte het Hof evenwel een uitzondering voor belemmeringen die voortvloeien uit de toepassing van voorschriften die op verkoopmodaliteiten zien:

Betekenis De betekenis van het Keck-arrest ligt met name in de beperking die het Hof aanbrengt in de reikwijdte van het begrip "maatregelen van gelijke werking" in artikel 30 EEG-verdrag. Werden sinds het arrest Dassonville (1974) vrijwel alle belemmerende maatregelen onder deze reikwijdte geschaard, in het Keck-arrest worden bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten verbieden, geacht niet onder de reikwijdte van artikel 30 te vallen.

Het arrest is een illustratie dat het Hof kan terugkomen op een bepaalde gedragslijn in eerdere arresten.

Dit arrest blijft nog steeds relevant en de erin ontwikkelde rechtspraak wordt nog steeds gebruikt door het Hof, hoewel het Hof niet expliciet meer verwijst naar dit arrest. Zo past het Hof deze jurisprudentie toe in de zaak Colruyt en Ker-Optika.

Over de vraag of de Keck-criteria ook van toepassing zijn op de vrijheid van diensten, bestaat er discussie. Een deel van de rechtsleer betoogt dat dit wel het geval is aangezien het Hof deze criteria nagaat in de zaak Alpine Investments. In casu zijn ze echter niet vervuld, maar het feit dat het Hof ze in die zaak naging, wijst volgens een deel van de rechtsleer erop dat Keck wel degelijk kan worden toegepast op diensten.

Keck en Mithouard