De golfterminologie is een verklarende woordenlijst met veelgebruikte termen uit de golfsport. Zoals in de gehele wereld wordt ook in Nederland nog altijd Engelse terminologie gebruikt.

A Adresseren van de bal: stand innemen voor het slaan van de bal. Afslagplaats of tee: de beginplaats vanwaar wordt afgeslagen op elke hole. Airshot: een speler maakt een airshot als hij de bedoeling had de bal te slaan, maar hem gemist heeft, dus eroverheen geslagen heeft. Een airshot telt als slag. Albatros: een hole die in drie slagen onder par gespeeld wordt. Amateur: elke golfer die golft voor het plezier en verder niet meer (geldelijke) beloning ontvangt dan de amateurstatus goedkeurt. Approach: een schot naar de green. Apron: Het kort gemaaide gedeelte (maaihoogte 10-12 mm), enige meters breed, rondom de green.

B Baan: het hele terrein waarop mag worden gespeeld. Baanrecord: laagste notering van een score van een bepaalde golfbaan. Back Nine: op een baan van 18 holes: holes 10 tot en met 18. De andere holes zijn de Front Nine. Backspin: een achterwaartse rotatie van een bal om zijn horizontale as, veroorzaakt door de loft van het clubblad, de invalshoek en de clubhoofdsnelheid. Een bal die geraakt wordt beneden zijn middelpunt met een club met loft (zelfs een putter) zal backspin hebben tijdens de balvlucht. Hoe meer backspin hoe sneller de bal op de green zal stoppen of zelfs zal terugrollen. Back tee: er zijn drie soorten tees: de "back tee" is voor de professionals en topamateurs, de "medal tee" is voor gemiddelde golfers en de "foreward tee" is voor beginnelingen en senioren. Backstand: een losse standaard aan een draagtas zodat het geheel blijft staan. Backswing: het gedeelte van de swing die zich van de bal af beweegt. Baffle: oude naam voor een houten vijf. Bal: bal die voldoet aan de regels van de Royal & Ancient. Balata: materiaal waarvan in het verre verleden de buitenkant van golfballen werd gemaakt. Balata is zacht en neemt goed effect aan en was daarom populair bij goede spelers. Balata-ballen worden thans niet meer gemaakt en zijn vervangen door ballen met een buitenlaag van urethaan of surlyn. Balhengel: telescopische stok, uitschuifbaar tot ca. 4,5 meter, met een metalen netje of bakje aan het uiteinde om een bal uit een waterhindernis te halen. Balinslag: wanneer de bal op de green landt maakt hij vaak een klein putje door de inslag. Dat heet ook wel een "ball mark" of "pitch mark. De speler is verplicht dat te herstellen met een "pitchfork" (zie aldaar). Bal in spel: zodra de speler heeft afgeslagen is de bal 'in spel', totdat de hole is uitgespeeld. Een speler moet met dezelfde bal blijven spelen zolang de bal 'in spel' is, tenzij de regels toestaan de bal te vervangen. Dat moet dan door eenzelfde soort bal (harde of zachte). Ballenspiraal Ball marker: op de green is het toegestaan de bal op te nemen (en bijvoorbeeld schoon te maken), maar dan moet men natuurlijk de plaats waar de bal ligt wel markeren. Dat gebeurt met een "balmerker". De meeste golfers doen dat met een muntje. Ball spotter: iemand die kijkt waar de bal terechtkomt na een drive, ook wel "fore-caddie" genoemd. Deze fore-caddie staat dus twee- tot driehonderd vóór de speler op de baan. Bestball: partij waarbij alleen de beste bal van twee of drie spelers telt. Birdie: een hole die in één slag onder par gespeeld wordt. Blind hole: Een hole waarbij men de green niet kan zien vanaf de tee. Bogey: een hole die in één slag boven par gespeeld wordt. Bruto score: Het totaal aantal slagen in een strokeplaywedstrijd zonder rekening te houden met iemands handicap. Buiten de baan: situatie waarbij de bal buiten de golfbaan terechtkomt. De bal is dan Out of Bounds. Bunker: een bunker is een hindernis in de baan; hij is met zand gevuld.

C Caddie: iemand die tijdens het spel zorgt de stokken van een speler draagt en verzorgt, en die de speler ook op andere wijze assisteert volgens de Regels. Caddie boekje: Een boekje met een plattegrond van elke hole van de baan, waarop alle afstanden staan genoteerd, zodat het afstand schatten veel eenvoudiger wordt. Caddiemaster: oorspronkelijk de baas van de caddies, nu vaak de naam voor de persoon die de (gast)spelers ontvangt en waar spelers een starttijd kunnen bespreken. Chip: een slag (meestal over kortere afstand) waarbij de rol van de bal veel verder is dan de vlucht. Chipping green: Oefengreen waar mensen hun chips kunnen oefenen. Clinic: Een kennismakingsarrangement voor een groep personen. Duurt van 2 tot 4½ uur. De inhoud is putten, chippen, driving range en als de tijd het toelaat een paar holes spelen op de oefenbaan. Clubface: Het slagvlak van het clubblad. Clubhuis: Gebouw van een golfclub, meestal met receptie, heren- en dameskleedkamers, restaurant, lounge, bar, terras, golfshop, secretariaat, kantoren voor het management, vergaderruimtes en een les- en educatiecentrum. Clubhouse leader: De clubhouse leader is de speler die de laagste score heeft van alle spelers die hun ronde tijdens een toernooi al afgewerkt hebben, terwijl er nog andere spelers in de baan zijn. Hij heeft dus niet noodzakelijk de laagste score van alle spelers op dat moment - er kunnen spelers onderweg zijn die nog lager scoren, maar hun ronde nog niet afgewerkt hebben. Club: het instrumentarium waarmee de golfer de golfbal slaat. Vroeger werd het een golfstok genoemd, omdat de steel van hout werd gemaakt. Commissie: groep mensen belast met leiding van de wedstrijd of bestuur van de baan. Condor: een hole die in vier slagen onder par gespeeld wordt. Course management: Bij het spelen van een golfbaan rekening houden met alle makkelijke en moeilijke punten zodat de bal niet in hindernissen terechtkomt. Course rating: cijfermatige aanduiding voor de moeilijkheidsgraad van de baan voor een scratch speler. Cut line: De schifting na twee dagen in een (professioneel) toernooi. Een bepaald aantal spelers mag doorgaan naar de laatste twee dagen, de anderen "missen de cut". Vaak ligt deze "cut" op 65 spelers (van de rond 150 spelers die aan een toernooi beginnen). Zo'n 45% dus.

D Dimple pattern: het patroon van dimples op een bal. Het is een onderwerp van studie bij balfabrikanten. Dimples: de deukjes (dimples) (tot 500 in aantal) in het oppervlak van de golfbal. Die dimples zijn aerodynamisch van groot belang voor de balvlucht. Distance marker: een teken in de baan (paaltje, tegel, steen) dat een bepaalde afstand tot (het midden van) de green markeert. Handig voor de clubkeuze. Ditch: een greppel. Of er water in staat of niet, volgens de regels is het een hindernis. Divot: grasplag die de speler uit de grond slaat en geacht wordt daarna terug te leggen. Beginnende spelers slaan vaak per ongeluk voor de bal in de grond, goede spelers doen het expres nadat ze de bal hebben geraakt, als ze een backspin willen slaan, wat vooral voorkomt met slagen naar de green. Dogleg: hole met een fairway waar een bocht in zit en die daardoor qua vorm enigszins lijkt op de achterpoot van een hond. In het Duitse taalgebied heet dat een hole met een "hundebein". Door de baan: Engels: through the green. Het gehele gebied van de baan, behalve de afslagplaats, de green van de hole die gespeeld wordt en alle hindernissen. Doorlaten: soms kun een speler de bal niet meteen vinden of blijkt de achteropkomende partij duidelijk sneller te spelen. Om oponthoud te voorkomen laat men de achteropvolgende partij passeren. Dormie: stand tijdens een matchplay-wedstrijd waarin de achterstaande speler verder alle holes moet winnen om nog gelijk te eindigen. Double bogey: een score van twee boven par op een hole. Downhill lie: De speler staat op een helling en de bal ligt lager dan zijn voeten. Draw: als de bal bewust met effect van rechts naar links wordt gespeeld (uitgaande van een rechtshandige speler). Bijvoorbeeld om een boom heen. De tegenhanger van een draw is een fade. Een bal die met een draw geslagen wordt, rolt iets verder door dan een bal die met een fade wordt geslagen. Driebal: een groep van drie spelers die tegelijk spelen. Drive: de eerste slag op een hole, geslagen met een driver. Driver: de driver is de grootste club in een golftas, zowel in lengte en formaat van de kop. De loft is 9 - 11 graden. Een speler zal met zijn driver (af)slaan als hij zo ver mogelijk wil slaan. Drivingrange: Een drivingrange is een oefenterrein voor golfspelers. Droppen: het opnieuw in het spel brengen van de bal door hem vanaf kniehoogte (nieuwe regel vanaf 2019) te laten vallen. Dit mag, afhankelijk van de omstandigheden, volgens de regels. Soms kost het een strafslag.

E Eagle: een hole die in twee slagen onder par gespeeld wordt. Eclectic (golf): Wedstrijdvorm, waarbij van tevoren wordt bepaald hoeveel keer een bepaald aantal holes worden gespeeld. De laagste score van een hole telt voor het eindresultaat. Vaak een evenement dat meerdere dagen duurt, zodat veel spelers kunnen meedoen. Voorbeeld: men speelt 6 keer de holes 1, 14 en 17. Eer: iemand heeft de eer als hij het recht heeft om als eerste af te slaan, meestal omdat hij de vorige hole heeft gewonnen. Eilandgreen: Green op een (schier)eiland, bijna volledig omgeven door water, op een toegangskant of smal paadje na. Embedded ball: De bal ligt voor het grootste gedeelte begraven. In de fairway en op de green mag de bal opgepakt worden en worden schoongemaakt en daarna worden respectievelijk gedropt of geplaatst. In een bunker heet deze ligging een spiegelei en moet er gespeeld worden zoals de bal ligt. In dit geval volgt een uiterst moeilijke slag. Etiquette: (niet afdwingbare) regels betrekking hebbende op het gedrag van een speler in de baan. Overtreding van deze regels levert geen strafslagen op. Men kan wél gediskwalificeerd worden wegens wangedrag. Europese PGA Tour: de Europese toernooiencyclus voor professionele golfers. Exemption: een "exemption" staat een speler toe, zonder kwalificatie, aan een toernooi deel te nemen. Extra holes: wanneer een wedstrijd gelijk is geëindigd dan gaan de spelers een aantal extra holes spelen om te bepalen wie de winnaar wordt. Vaak ook wel "play-off" genoemd. Soms wordt dat gespeeld als "sudden death" (zie aldaar), soms over een vastgesteld aantal holes.

F Fade: een balvlucht met een (kleine) bocht naar rechts. Hetzelfde dus als een "slice", maar dan met opzet geslagen. Het tegenovergestelde heet een "draw". Fairway: het gedeelte van de baan tussen de afslagplaats en de green. Vrij kort gemaaid om de bal een goede ligging te bezorgen. fairway bunker: een met zand gevulde kuil. Kan naast de green liggen (een "green-side bunker") of in de fairway (een "fairway bunker"). fairway wood: een hout met wat minder loft dan de driver en bruikbaar om vanaf de fairway te slaan. Fat shot feather ball: de golfbal zoals die van 1620 tot het midden van de 19e eeuw werd gebruikt. Een pan vol met veren werd gekookt en die veren werden nat in een leren omhulsel geperst. Na het dichtstikken droogden de veren op en werd de bal keihard. Flight: Een groepje spelers (2 tot 4) die samen een rondje lopen in een wedstrijd. Flop shot: Schot waarbij de bal zo hoog mogelijk over een obstakel wordt gespeeld. Professionals creëren hierbij vaak back-spin. Fluffy lie: Een bal die bovenop langer gras komt te liggen. Het gevaar is dan aanwezig dat de speler de bal te hoog raakt, wat een slechte impact en dus een geringere afstand tot gevolg heeft. Follow through: Het gedeelte van de swing nadat de bal is geraakt. Fore: verplichte uitroep ter waarschuwing als de bal fout wordt gespeeld en naar een andere speler of toeschouwer gaat. Beweerd wordt dat het een afkorting is van Flying Object Returning to Earth.