Het manicheïsme was een gnostische religie en een stroming binnen het christendom, waarin de verwerving van gnosis het kernthema was. De grondlegger was Mani (216-276). Het ontstond korte tijd na andere religieuze bewegingen waarin gnosis ook het kernthema was, zoals de gnostiek, hermetisme en min of meer gelijktijdig met het mandeïsme.
Gnosis (γνῶσις) is het Griekse woord voor kennis. In de context van dit artikel is de essentie daarvan het verwerven van het inzicht in de oorsprong, huidige situatie en de bestemming van de mens. Het centrale thema is dat de mens afkomstig is uit een goddelijke wereld en in zijn aardse situatie een goddelijke kern in zich heeft die afkomstig is uit die wereld. Die kern is verstrikt geraakt in de materie of in het kwaad in de stoffelijke wereld. Demonische krachten, soms ook geïnterpreteerd als hartstochten of het noodlot, trachten die kern gevangen te houden in zijn lichamelijk omhulsel. Wie de werkelijke situatie kent en dus ook weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld heeft gnosis. Mani heeft meerdere invloeden in zijn leer verwerkt, maar in de eenentwintigste eeuw is er consensus op het vakgebied dat de belangrijkste wortels van het manicheïsme in een gnostisch type christendom en de christelijke gnosis liggen.
In het manicheïsme wordt uitgegaan van twee reeds voor de schepping van de kosmos aanwezige van elkaar onafhankelijke en ongeschapen principes; het goede en het kwade. In de manichese mythe worden die principes verbeeld als een rijk van het Licht en het Goede waar God de Vader heerst en een rijk van de Duisternis. Beide rijken voerden al in een oertijd, voor het bestaan van de kosmos, een strijd. In een tweede periode werd de kosmos gecreëerd uit zowel licht als duisternis. Ook de materiële wereld met zijn planten, dieren en mensen is uit deze delen samengesteld. In de op deze wereld voortgezette strijd is het de opgave van manicheeërs zoveel mogelijk van het licht (het goede) te bevrijden uit de duisternis (het kwade).
Het manicheïsme was een sterk op missie gerichte religie. Reeds tijdens het leven van Mani werden vanuit Perzië missiereizen ondernomen. In de vierde eeuw waren in vrijwel alle gebieden rond de Middellandse Zee, alsmede in enkele delen van Centraal-Azië manichese gemeenschappen aanwezig. De eerste aanwezigheid van manicheïsme in China dateert van eind zevende eeuw. Als gevolg van de effecten van vervolgingen in het Romeinse rijk was het manicheïsme in het westen begin zevende eeuw verdwenen. In China wist het zich tot begin zeventiende eeuw te handhaven.
thumb|Manichese uitverkorenen aan schrijftafels. Sogdisch manuscript uit het koninkrijk Qocho in het Tarimbekken.
Mani Mani werd geboren nabij Ctesiphon in het zuiden van Mesopotamië. Het gebied maakte in die tijd deel uit van het Parthische Rijk. Zijn vader had de naam Pattìg of Pattèg. Berichten over zijn moeder Miryam dat deze nauwe banden had of gerelateerd was aan de toen heersende dynastie van de Arsaciden zijn later verzonnen verhalen. Mani groeide op in een milieu van joods-christelijke baptistische groeperingen. In de Keulse Mani-Codex, een geschrift uit eind vierde of begin vijfde eeuw, wordt vermeld dat hij zijn jeugd doorbracht bij een van die groeperingen, de Elchasaïeten.De jeugd van Mani bij joods-christelijke baptistische groeperingen wordt algemeen aanvaard. De opmerking in de Keulse Mani-codex dat dit bij de Elchasaïeten zou zijn wordt op het vakgebied betwist. Luttikhuizen heeft in meerdere essays over de Elchasaïeten betoogd dat dit niet aannemelijk is. Dit soort groeperingen voerde dagelijks wassingen uit van hun lichaam en voedsel, hield zich streng aan de voorschriften van de sjabbat maar beschouwde Jezus ook als hun verlosser. Zij waren vegetariërs en aten alleen voedsel dat zij zelf verbouwden.
Deze groeperingen geloofden ook in herhaalde reïncarnaties van Christus. Het latere idee in het manicheïsme van verschillende en herhaalde manifestaties van de Apostel van het Licht zou Mani aan deze notie ontleend hebben. Al tijdens zijn jeugd ontving hij openbaringen. Een bijzondere openbaring ontving Mani op de leeftijd van vijfentwintig jaar van wat zijn Gezel of Hemelse Tweeling wordt genoemd. Het is bekend in eerdere gnostische literatuur als syzygos, een hemelse paargenoot. In de Keulse Mani-Codex wordt die openbaring verwoord als onder meer Mijn Gezel onthulde mij vanwaar ik kom en wie ik ben en wat mijn lichaam is en hoe ik gekomen ben en hoe mijn komst in de wereld zich voltrok en wat mijn plaats is onder hen die bij uitstek het stempel der uitnemendheid dragen [….] Zo hoorde ik de onuitsprekelijke geheimenissen en gedachten en overvloedige ontfermingen van mijn Vader en ook over mij zelf, wie ik ben en wie toch wel de Gezel is, die onafscheidelijk van mij is [...] Hij toonde mij alles
Vanaf dat moment beschouwde Mani zich als de parakleet uit het Evangelie van Johannes. In het manicheïsme is Mani naast de parakleet ook de nieuwe Jezus Christus. In zijn eigen Levende (of: Grote) Evangelie wordt dat verwoord als Ik, Mani, apostel van Jezus Christus door de wil van God de Vader der Waarheid uit Wie ik geboren ben [….] Uit Hem ben ik ontstaan en ik ben uit Zijn wil En uit Hem is al de Waarheid mij geopenbaard En ik ben uit Zijn Waarheid Wat Hij onthuld heeft, heb ik aanschouwd als de eeuwige Waarheid
Kort daarna brak Mani met de groepering waar hij opgroeide en begon hij met zijn missiereizen. Dat was eerst alleen in Perzië. In 241 zond hij een aantal volgelingen van hem als missionaris naar de westelijke delen van het Romeinse rijk. Mani reisde naar India en preekte in vooral de westelijke delen van de Indusvallei. De Parthische dynastie was inmiddels opgevolgd door die van de Sassaniden. Na de troonsbestijging van Sjapoer I keerde hij naar Babylonië terug. Ook bij zijn opvolger Hormazd I kreeg Mani volop gelegenheid zijn overtuiging te verspreiden en de organisatie van de manichese kerk uit te bouwen. Deze welwillende houding van de dynastie van de Sassaniden verdween in het begin van de regeerperiode van Bahram I. Kardèr, de hogepriester van het zoroastrisme, meende dat zijn positie aan het hof werd bedreigd. Hij overtuigde de koning dat het noodzakelijk was om actie tegen Mani te ondernemen. Mani werd gevangen genomen, gemarteld en overleed. In een aantal manichese bronnen werd hij gekruisigd.
Bronnen thumb|De executie van Mani. Illustratie uit de Sjahnama, het nationale epos van Perzië. Mani beschouwde het als een grote fout van religieuze leiders, zoals Gautama Boeddha, Zarathustra en Jezus, dat zij hun leer en overtuiging niet schriftelijk hadden vastgelegd. Mani heeft dan ook uitdrukkelijk getracht zijn onderricht in boeken vast te leggen. Zo zou kunnen worden voorkomen dat er meningsverschillen en twisten over de leer zouden ontstaan. Mani heeft zeven canoniek geachte werken geschreven in het Oost-Aramees dat tot het Syrisch behoort. Het Levende (of: Grote) Evangelie. Hierin identificeert Mani zich met de trooster, de parakleet, die Jezus aan zijn leerlingen had beloofd. In het vroege christendom werd de parakleet vaak geassocieerd met de Heilige Geest. De Schat des Levens. In dit werk wordt door Mani het ontstaan van de wereld en de mens beschreven. Het maakt duidelijk dat in beide zich de strijd tussen goed en kwaad voltrekt. De Pragmateia. Letterlijk betekent dit verhandeling. Het zijn legenden, verhalen over de periode vanaf het ontstaan van de wereld tot aan de redding van Adam door Jezus Zonneglans. Het Boek van de Mysteriën. Dit boek is alleen bekend uit een islamitische bron dat een overzicht geeft van de zeventien of achttien hoofdstukken. De inhoud is onbekend, maar duidelijk is dat een deel ervan handelt over leerstukken van Bardaisan, die ook invloed op de ontwikkeling van de leer van Mani heeft gehad. Het Boek van de reuzen. Dit boek steunt duidelijk op een joodse traditie, zoals verwoord in het Eerste boek van Henoch en Genesis 6:1-4. In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam. In dit boek handelt het over twee reuzenbroers, die ieder de strijd aangaan met twee monsters. Aan het gevecht komt een einde doordat de overwinning wordt behaald door de engelen Michaël en Gabriël. De Brieven. Dit zijn zesenzeventig rondzendbrieven die verschillende thema's behandelen. De brieven werden naar de manichese gemeenschappen gestuurd om daar voorgelezen te worden. De Psalmen en Gebeden. Dit werk is geheel verloren gegaan. In latere literatuur wordt opgemerkt, dat zij vanwege hun schoonheid onvertaalbaar waren. Er zijn wel later geschreven psalmen van volgelingen van Mani bewaard gebleven.
De Shaburagan vervangt in sommige publicaties de Psalmen en Gebeden als canoniek schrift. Dit was geschreven in het Middelperzisch en opgedragen aan Sjapoer I, de koning van de Sassaniden. Mani schreef ook de Kephalaia (Hoofdzaken). Het is een tekst met een aantal hoofdstukken, waarin Mani zijn discipelen instrueert over de belangrijkste doctrines van het manicheïsme. Mani is ook de auteur van de Ardhang (Het Prentenboek). Het is een werk waarin de essentie van de doctrine met veel afbeeldingen aanschouwelijk wordt gemaakt. De Ardhang zelf is geheel verloren gegaan, maar enkele afbeeldingen zijn bewaard gebleven in latere geschriften.
Van de bewaard gebleven teksten is geen enkele volledig compleet. Tot begin twintigste eeuw was onderzoek van het manicheïsme vrijwel geheel gebaseerd op beschrijvingen die dit als een vorm van ketterij kenschetsten. De belangrijkste daarvan waren de Acta Archelai van Hegemonius en een aantal geschriften van Augustinus, zelf voor een deel van zijn leven manicheeër. Hiernaast hebben een aantal Arabische auteurs zoals Ibn al-Nadim en Al-Biruni over het manicheïsme gepubliceerd. In de twintigste eeuw werden echter een aantal vondsten gedaan die de visie op het manicheïsme fundamenteel hebben veranderd.
Chinese en Centraal-Aziatische vondsten thumb|Uit een rots gehouwen standbeeld van Mani, de Boeddha van het Licht in het tempelcomplex in Jinjiang. Tussen 1904 en 1914 onderzochten Duitse archeologen onder leiding van onder meer Albert Grünwedel de restanten van een aantal manichese kloosters nabij Turpan in de huidige Chinese provincie Xinjiang. Daarbij werden duizenden fragmenten gevonden van beschadigde manichese teksten. Aurel Stein en daarna Paul Pelliot ontdekten in 1908 en 1909 een aantal manichese teksten als onderdeel van de vondst van de manuscripten van Dunhuang. Die manichese teksten waren in diverse talen, zoals Chinees, Parthisch, Sogdisch, Oud-Turks en Tochaars.
In de provincie Fujian is nog een stele met een manichese inscriptie uit de periode 1316-1369 in het Chinees aanwezig. Een inscriptie met dezelfde tekst is ook aanwezig in een manichees tempelcomplex in Jinjiang in dezelfde provincie. Het complex heeft een beeld van Mani, de Boeddha van het Licht. Het is het enige manichese tempelcomplex dat redelijk intact is gebleven. In de directe omgeving zijn een aantal manichese grafstenen.Archeologische vondsten in Europa zijn schaars. In 1906 werd een manichese grafsteen gevonden nabij Split. Roland van Vliet meldde in zijn proefschrift Gnostisch Adoptianisme in de Manicheïsche Christologie uit 2013 de aanwezigheid van twee steles met manichese afbeeldingen in een Visigotische kerk uit de zevende eeuw in Santa Maria de Lara in Sierra de la Demanda in Noord-Spanje. Het geeft aan dat het manicheïsme tot in de veertiende eeuw in het uiterste zuidoosten van China nog aanwezig was.
Griekse en Latijnse teksten