Dit artikel behandelt de geschiedenis van de stad Tienen.

Stenen tijdperk thumb|De Tiense menhir Lovensteen op een gravure van B. Piringer naar F. Runk (ca. 1800)

Tienen was zeker al bewoond in het mesolithicum (middensteentijd, 10.500 voor Christus), getuige daarvan de verfijnde stenen werktuigen gemaakt van kwartsiet van Overlaar en kwartsiet van Wommersom, die hun verspreiding vonden tot aan de Rijn.

Vermeldenswaard is ook de menhir die tot midden 19e eeuw in het Bostveld (grondgebied Hakendover) stond. Deze Lovensteen of Leeuwensteen is omstreeks 1800 nog afgebeeld door B. Piringer naar F. Runk, maar verdween later in de 19e eeuw.

Romeinse tijd thumb|Keramiek voor de goden in museum Het Toreke

Van de Romeinen kreeg Tienen een centrumfunctie als knooppunt van vijf heirbanen. De belangrijkste ervan, het diverticulum Tongeren-Tienen-Elewijt-Asse-Kortrijk – een aftakking van de bevloerde heirbaan Keulen-Tongeren-Bavay - was versterkt te Aandoren en te Avendoren. In Avendoren was ook de voornaamste woonkern of vicus gelegen. Een tweede bewoningskern ontstond meer oostelijk, op de beter verdedigbare heuvel van Sint-Germanus.

In een kring van twee mijlen rond Tienen stonden destijds 26 groepen tumuli waarvan de drie tommen van Grimde bewaard bleven. Bij opgravingen in 1998 bleek het Grijpenveld niet alleen een enorm Gallo-Romeins grafveld te bedekken, men vond er ook een mithraeum, een cultusgebouw voor Mithras, de god vereerd door Romeinse soldaten. Tienen is de enige plaats in de Benelux, meteen ook de meest noordelijk gelegen Europese vindplaats, met een mithraeum. Dit alles wijst er op dat Tienen een belangrijk wooncentrum was.

De Franken, de kerstening De inval van de Franken (einde derde eeuw) gebeurde via de Romeinse heirbanen. Ripuarische Franken vestigden zich tussen Gete en Dijle, de Salische Franken aan de linkeroever van de Dijle. Deze landbezetting blijkt eeuwen later nog de kerkelijke indeling beïnvloed te hebben want de bisdommen Luik en Kamerijk vielen ermee samen. Tienen lag op de grens maar hoorde, zoals Tongeren, bij Luik.

Vanuit Tongeren, het eerste bisdom, begonnen christelijke zendelingen, via de heirbanen, aan de kerstening van onze streken. De eerste geloofsprediker in Tienen zou Martinus geweest zijn, de zevende bisschop van Tongeren (rond 300). Niet dus de later zo populaire Martinus van Tours, de heilige die de helft van zijn mantel aan een bedelaar schenkt en die als patroonheilige van Tienen de Martinus van Tongeren heeft vervangen. De romaanse Sint-Martinuskapel in Avendoren, aan de oorspronkelijke Gallo-Romeinse vicus, was alleszins de oudste parochiekerk van de stad en dateert vermoedelijk van vóór 800. Ze werd in 1798 door het Franse regime publiek te koop gesteld en achttien jaar later gesloopt.

Op zoek naar de oudste vermelding van de stadsnaam Tienen wordt graag verwezen naar een akte van Karel de Kale van 20 april 872, die bewaard wordt in het vermaarde charterboek van de benedictijnen van Saint-Germain-des-Prés in Parijs. In een 12e-eeuwse transcriptie van deze oorkonde worden bij de goederen van de Parijse abdij de ‘villa vel abbatia Thuinas dicta’ vernoemd ‘in partibus quoque Austrasiorum, in pago scilicet Hasbanio’: ‘een woonkern en abdij, Tienen geheten, in de landstreek der Austrasiërs, in het graafschap Haspengouw.’ In het originele charter ontbreekt deze vermelding echter, zodat de gegevens niet betrouwbaar zijn hoewel het verleidelijk blijft om de Tiense nederzetting Sint-Germanus aan Saint-Germain-des-Prés in Parijs te linken.

Tienen wordt wel ondubbelzinnig vermeld in de levensbeschrijving van de heilige Amelberga door abt Theodorus van Sint-Truiden (rond 1100). Amelberga (achtste eeuw) is op de vlucht voor de soldaten van haar aanbidder, een zekere Karel (Karel Martel of volgens later bronnen Karel de Grote?), die haar tot een huwelijk wil dwingen. Aan een vernielde brug over de Gete dreigt ze te worden gevangengenomen, maar inwoners van de ‘villa Tienas’ (woonplaats Tienen) snellen haar te hulp en verdrijven haar achtervolgers. ‘Erat turba non modica’: ‘de Tienenaars waren met velen’.Vita sanctae Amalbergae virginis 26. Uit dit heiligenverhaal kan men besluiten dat Tienen in de achtste eeuw een versterkte woonkern aan de Gete was, dat er een continuïteit is tussen de bewoning van de Gallo-Romeinse vicus en de vroeg-middeleeuwse stad.

Eerst bij Luik, dan bij Brabant thumb|250 px|Godfried III van Leuven In 987 kreeg prins-bisschop Notger van Luik de streek tussen Dijle en Gete in leen van keizer Otto III. Daarbij was ook het graafschap Brunengeruz (Bruningerode) met als hoofdplaats Tienen. Lambrecht met de Baard, de eerste graaf van Leuven, kon Brunengeruz bij zijn gebied inlijven nadat hij op 10 oktober 1013 prins-bisschop Balderik in de velden tussen Tienen en Hoegaarden versloeg. Als Brabantse vesting tegen Luik kreeg Tienen meteen stadsrechten en zijn eerste schansen met een speciale binnenversterking rond de heuvel van Sint-Germanus. Daarop verrees in het begin van de twaalfde eeuw de romaanse Sint-Germanustoren. De doopvont in de kerk dateert van 1149.

De voorkeursbehandeling die Tienen van Godfried III, landgraaf van Brabant, kreeg – de Tiense vrijheidskeure van 1168 is de oudste van Brabant – maakte de versterkte stad dubbel aantrekkelijk voor bewoners zodat de bevolking snel aangroeide. In 1194 werd de oorspronkelijke muur rond de Sint-Germanusheuvel opgegeven om plaats te ruimen voor een wijdere versterkte ring rond de groeiende stad. De huidige Oude Vestenstraat is hiervan een restant.

Midden twaalfde eeuw werd het Tiense begijnhof opgericht. Het zou een van de bloeiendste uit de middeleeuwen worden. In 1180 stichtte Albrecht, bisschop van Luik waarvan Tienen kerkelijk afhing, het kapittel van Sint-Germanus, dat openbaar onderwijs organiseerde.

Dit alles maakte Tienen tot een belangrijke Brabantse stad. Ze vormde met Brussel, Leuven, Antwerpen en 's-Hertogenbosch de vijf kwartieren van het machtige hertogdom Brabant.

Dertiende eeuw: de gouden eeuw van Tienen Hoewel Tienen in 1213 geplunderd werd door het eigen Brabantse leger onder leiding van hertog Hendrik I de Krijger – die was in Steps bij Montenaken door Hugo van Pierrepont, prins-bisschop van Luik, verslagen en nam de Tiense rijkdommen liever zelf in beslag dan ze aan de wraakzuchtige Luiksen te laten – zou de dertiende eeuw de grootste voorspoed brengen voor de stad. Hendrik I toonde berouw over zijn diefstallen in Tienen en schonk de stad allerlei voorrechten. Hij vermeerderde het kapittel van de kanunniken van Sint-Germanus en bevorderde zo het openbaar onderwijs. Als uiterste oostelijk punt van het hertogdom en gelegen op de belangrijke handelsweg naar het Rijnland was Tienen van groot strategisch belang voor de hertog. De versterkte stad was zijn grendel tegen het vijandige prinsbisdom Luik en controleerde de transithandel. Tienen werd zo een van de bloeiendste middeleeuwse steden met een belangrijke lakenweversindustrie. Er was een lakenhalle en Tiense weefsels werden uitgevoerd naar Frankrijk, Duitsland en Engeland. De stad had zelfs een muntslagerij, wat wijst op de voordelen die de stad genoot en op de winstgevende bedrijvigheden. Tiense munten waren kleine ronde schijven met het Brabants kruis op de ene zijde en het paaslam, het zegelbeeld van Tienen, op de andere.

Verschillende kloosterorden vestigden zich in Tienen en brachten er hun kloosters op korte tijd tot grote bloei: de Witvrouwen aan de Gete in Aandoren (1251), de Minderbroeders in de Minderbroedersstraat – later Kazernestraat (1261) , de Bogaarden aan de Bogaardenstraat (1266), de broeders Alexianen (Cellebroeders) aan de Kapucienenstraat (1266). De stad had ook belangrijke liefdadigheidsinstellingen: de Tafel van de H. Geest (1250), het Sint-Janshospitaal (1200) en de leprozerij van Danebroeck (1200).

De grote welstand van Tienen kan ook blijken uit de stichting van drie cisterciënzerabdijen door de Tiense burger Bartholomeus de Vleeschhouwer, zo genoemd omdat hij het ambacht van beenhouwer uitoefende. Deze rijke Tiense ambachtsman bekostigde de oprichting van de abdijen van Maagdendaal (Vallis Virginum) te Oplinter, van Bloemendaal (Florival) bij Waver en van Nazareth bij Lier. Beatrijs van Nazareth, een dochter van Bartholomeus was priorin van het klooster in Lier. Hier schreef zij ook haar mystieke traktaat Seven manieren van Minnen. Het is het oudst bekende Middelnederlandse proza van de Nederlandse letterkunde.

Met zijn overwinning in de slag bij Woeringen (1288) kon hertog Jan een einde maken aan de vijandige politiek van Luik. Het hertogdom Limburg werd aan Brabant gehecht en zo was de handelsroute van oost naar west definitief vrij. De belangrijke overwinning in Woeringen had de hertog van Brabant te danken aan de sterke gemeentelegers van Tienen, Leuven, Diest, Geldenaken, Nijvel, Brussel en Antwerpen waarover hij kon beschikken. Het leger van Tienen, voetvolk en boogschutters, stond onder het bevel van burgemeester Gilles Van den Berghe. Jan van Heelu, geboren in Helen-Bos tussen Tienen en Zoutleeuw, streed als ridder van de Teutoonse orde mee aan de zijde van de Brabanders. Van zijn hand is de rijmkroniek die het spannende verloop van de strijd in Woeringen bezingt. Jan van Heelu zou dit merkwaardig stuk middeleeuwse ridderpoëzie in 1291 geproduceerd hebben om Margaretha van Engeland, de verloofde van de zoon van hertog Jan, het Diets aan te leren.

Voor zijn inzet in Woeringen werd Tienen door de hertog beloond met een charter (24 februari 1291) dat de stad een ruime mate van zelfbestuur gaf en ook het recht om openbare markten in te richten. Tienen mocht het zegel van de weversgilde, met daarop een lam als zinnebeeld van de wol, als stadszegel (Sigillum Opidi Thenensis) gebruiken, een voorrecht dat alleen de vrije gemeenten kregen.

De gestage toename van de bevolking maakte een grotere vestinggordel noodzakelijk. In 1300 werden de nieuwe versterkingen voltooid met de aanleg van de Borchgracht en de Nieuwe Poort. Deze vestingpoort werd later ook Begijnenpoort of Gevangenenpoort genoemd omdat ze vlak bij het begijnhof was opgericht en een tijd dienstdeed als gevangenis. Hertog Jan II was Tienen al even genegen als zijn vader. Hij schonk Tienen nog meer vrijheden en liet er het ’s Hertogenhuys bouwen aan de OLV-Broedersstraat, lange tijd een geliefkoosde verblijfplaats voor de hertogen en voor Johanna van Brabant.

Veertiende eeuw: een toppunt maar ook een keerpunt Tijdens de slag der Gulden Sporen (1302) stond de hertog van Brabant aan de zijde van de Franse koning, Filips de Schone. Dit was zeer tegen de zin van de Brabantse gilden die na de Vlaamse overwinning eveneens ageerden tegen de stedelijke patriciërs, net zoals in de Vlaamse steden. In verscheidene Brabantse steden ontstond dus grote beroering waartegen Jan II optrad met harde hand. Hij versloeg de opstandige gilden te Vilvoorde en liet in Brussel en in Leuven de leiders als bestraffing levend begraven. In een charter van 1306 beveelt hij de burgemeester en magistraat van Tienen in zijn naam streng op te treden tegen iedere opstandige gilde. Naast de machtige weversgilde floreerden in Tienen ook de gilden van de brouwers, de vleeshouwers, de volders, de maalders, de zeembereiders, de houtbewerkers, de hopkwekers en de huidevetters. Ook de muntslagers, de tingieters en klokkengieters waren georganiseerd in hun ambacht. thumb|250 px|left|Johanna van Brabant Tienen was op het toppunt van zijn stedelijke macht. In het beroemde charter van Kortenberg (1312) gaf hertog Jan II medezeggenschap aan zes Brabantse steden verenigd in zijn Raad: Brussel, Leuven, Antwerpen, ’s Hertogenbosch, Zoutleeuw en Tienen.