Aan de geschiedenis van de sociale wetgeving in België gaat een sociale bewogenheid vooraf, die reeds dateert uit de Middeleeuwen, toen een vorm van sociale zorg ontstond in de Godshuizen en de Gasthuizen. Na de Franse Revolutie (1789) nam de staat de organisatie van onder meer de armenzorg over. Vanaf de 19e eeuw werden de eerste sociale wetten gestemd. De grondslag van de sociale zekerheid in België in zijn huidige vorm berust echter op de besluitwet van 28 december 1944,28 DECEMBER 1944. - Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Gearchiveerd op 8 november 2022. die de bestaande wetgeving omtrent pensioenen, kinderbijslag voor werknemers en jaarlijkse vakantie samenbracht. Daarnaast werd de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de werkloosheidsverzekering verplicht gesteld.
1813-1944: eerste sociale wetgeving Periode 1813-1885 In de periode voor 1886 werd een eerste aanzet gegeven om een aantal sociale voorzieningen te organiseren onder druk van de eerste "vakbonden". Deze verzetten zich tegen de erbarmelijke omstandigheden waarin en de hongerlonen waarvoor het patronaat de arbeiders liet werken. Zo werd op 4 maart 1857 te Gent de "Broederlijke Maatschappij der Wevers" opgericht en een maand later hielden de spinners hun "Maatschappij der Noodlijdende Broeders" boven de doopvont. Die eerste vakverenigingen stelden zich relatief gematigd op en stonden ook open voor alle arbeiders, ongeacht de politieke strekking of levensbeschouwing waartoe ze zich bekenden.
De economische depressie van 1873 tot 1896 maakte de arbeidersmiserie nog dramatischer. Het Belgische patronaat, dat reeds bekendstond voor zijn uitgesproken lage lonen, verscherpte die strategie nog om zo zijn concurrentiekracht te handhaven. De werkloosheidsgraad nam in deze periode onwezenlijke proporties aan en de situatie verslechterde zienderogen. Artikel 310 van het strafwetboek maakte het zo goed als onmogelijk hiertegen syndicale actie te ondernemen en door het cijnskiesrecht bestond de arbeidersklasse politiek gezien niet. Toch zijn er reeds in deze periode enkele belangrijke maatregelen getroffen waaruit de sociale verzekering (onze hedendaagse sociale zekerheid) is ontstaan:
26 mei 1813: Na een zwaar ongeval in de mijnen van de Ourthe, werd het allereerste fonds bij keizerlijk decreet opgericht dat gefinancierd werd door werknemers en werkgevers. De mijnwerkers kunnen voortaan terugvallen op een invaliditeit- en overlevingsrente. 1839: De mijnexploitanten richten zes voorzorgfondsen op, die bekrachtigd werden bij koninklijk besluit. 19 september 1844: De "Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden onder Belgische Vlag" werd opgericht. De werknemers konden vanaf nu gebruikmaken van een verzekering tegen ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en werkloosheid. 16 april 1849: Rijkstoelage voor maatschappijen van voorzorg en onderlinge bijstand die gedeeltelijk tegemoetkomt aan de oprichtingskosten van deze voorzieningen. 3 april 1851: Wet die de mogelijkheid creëerde dat de maatschappijen van onderlinge bijstand rechtspersoonlijkheid verworven. De strenge erkenningsvoorwaarden zorgde er echter voor dat slecht een beperkt aantal voorzieningen een aanvraag indienden tot erkenning. 8 mei 1850: Oprichting van de Algemene Lijfrentekas (de latere ASLK), waarbij eenieder vrijwillig een ouderdomsrente kon vestigen. 1853: Oprichting van de eerste vakvereniging. 4 maart 1857 oprichting van het eerste vakverbond, de "Broederlijke Maatschappij der Wevers", te Gent. 1866: Erkenning van het stakingsrecht 1869: Oprichting van de eerste socialistische mutualiteit, "La Solidarité, te Fayt-lez-Manage.
Periode 1885-1920 Op 6 april 1885 start met de oprichting van de Belgische Werklieden Partij (BWP), en de "Antisocialistische Katoenwerkersbond" (waaruit later het Algemeen Christelijk Vakverbond zou groeien) een jaar later, een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de sociale zekerheid. De successen van de arbeidersbewegingen stapelen zich al snel op:
1886: Oprichting van de eerste socialistische regionale federatie te Gent. 21 juli 1890: Oprichting van het Fonds van Voorzorg en Onderstand ten Bate der Slachtoffers van Ongevallen bij den Arbeid. Deze instelling had tot doel hulp te verlenen door middel van een verzekering tegen arbeidsongevallen voor arbeiders en hun gezinnen. De toestand hieraan voorafgaand deed koning Leopold II beslissen de gelden bestemd voor de 25ste verjaardag van zijn troonsbestijgen aan het fonds over te dragen. 1889: Reglementering vrouwen- en kinderarbeid 1891: Een commissie van het Ministerie van Justitie belast met een "voorontwerp van wet ter regeling van arbeidsovereenkomsten van arbeiders en huispersoneel" wijdde het ganse eerste deel van haar verslag aan een arbeidsongevallenwetgeving. 1893: Meervoudig algemeen stemrecht 1894: Eerste wet op de ziekenfondsen 23 juni 1894: Versoepeling van de wet van 3 april 1851 inzake toegelate doeleinden, beheer van het vermogen. Daarnaast kon een ontbinding van een maatschappij van onderlinge bijstand voortaan enkel nog gerechtelijk afgedwongen worden. Voortaan konden de verschillende maatschappijen zich onderling verenigen waardoor gemeenschappelijke dienstverlening mogelijk werd. Deze fusies vonden vervolgens plaats tussen 1906 en 1920 en leidde tot het ontstaan van de (nog steeds bestaande) landsbonden. 1895: Eerste wet op de ouderdomspensioenen 1896: Wet op de bescherming van loon 1897: De provinciale raad van Luik stelde vanaf dit jaar toelagen ter beschikking aan de syndicale kamer, de stad Gent verdeelde haar toelagen rechtstreeks onder de werklozen als een vorm van aanvullende uitkeringen. 31 maart 1898: Deze wet maakte de beroepsverenigingen legaal. 11 april 1898 Oprichting van de Syndikale Kommissie in de schoot van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). 19 maart 1898: De overheid mag voortaan financiële hulp verlenen aan ziekenfondsen met een invaliditeitsfonds. 10 mei 1900: Verplichting van de door de overheid voorziene toelage voor alle personen die een rente gevestigd hebben bij de ASLK. 24 december 1903: Omzetting van de bevindingen van de hierboven besproken commissie van het Ministerie van Justitie in een wet (Wet op de arbeidsongevallen). De regeling steunde op het beroepsrisico en werd gekenmerkt door de forfaitaire aard van de schadeloosstelling. De wet gold voor alle arbeiders in industriële ondernemingen met ten minste 5 arbeiders. 1904: Fusie van de verschillende Christelijke vakverenigingen, onder leiding van de Dominicanenpater Georges Rutten tot het "Algemeen Secretariaat der Christelijke Beroepsverenigingen". 1905: Wet op de zondagsrust 1906: Eerste collectieve arbeidsovereenkomst (cao) 1908: Langs Vlaamse zijde werd het "Verbond der Christene Beroepsverenigingen" boven de doopvont gehouden en langs Waalse zijde de "Confédération des Syndicats Chrétiens et Libres des Provinces Wallonnes". 1907: Invoering van de rijkstoelage voor werklozen. 5 juni 1911: verplichte pensioenverzekering voor mijnwerkers. 1912: Fusie van het "Verbond der Christene Beroepsverenigingen" en de "Confédération des Syndicats Chrétiens et Libres des Provinces Wallonnes". tot het "Algemeen Christelijk Vakverbond/Confédération Générale des Syndicats Chrétiens et libres de Belgique". De allereerste voorzitter werd Gustaaf Eylenbosch. 5 mei 1912: Uitbreiding van de wet van 19 maart 1898, voortaan is de overheid verplicht financiële hulp te verlenen aan ziekenfondsen met een invaliditeitsfonds. 1913: De Socialistische Mutualiteiten verenigen zich tot het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (NVSM). 1914: Invoering schoolplicht tot 14jaar en gratis onderwijs 1914-1918: Door het grote aantal werklozen tijdens de Eerste Wereldoorlog kon het systeem van werkloosheidsuitkeringen (in voege sinds 1907) niet langer gehandhaafd worden. Ter compensatie werd een hulpverleningsregeling ingesteld en werd de toekenning van uitkeringen toevertrouwd aan het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. 1919: Invoering enkelvoudig stemrecht voor mannen
Periode 1920-1944 De regeringen van de oorlogvoerende landen waren tijdens de Eerste Wereldoorlog genoodzaakt geweest een beroep te doen op de medewerking van de syndicale leiders van de vakbonden. Dezen eisten dan ook tijdens het interbellum de opstelling van een sociale wetgeving en de actieve deelname aan het vormingsproces hiervan en aan de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden. Dit leidde tot de volgende verworvenheden:
1920: Na de Eerste Wereldoorlog werd het werkloosheidsverzekeringsstelsel opnieuw ingevoerd. Doch ook nu weer verstoord, ditmaal door de Grote Depressie. 1920: Het Nationaal Crisisfonds werd opgericht met als functie het toekennen van financiële steun gedurende de periodes dat werklozen niet konden beschikken over een uitkering. 1920: Fusie van een aantal liberale vakverenigingen die leidt tot de oprichting van de Nationale Centrale der Liberale Vakbonden van België. 1920: Het rijk start met het verlenen van toelages aan de ziekenfondsen in sector geneeskundige verzorging. Door het succes en de uitbreiding tot de gezinsleden, waren nieuwe structuren al snel wenselijk. Zo werd de TBC en Verpleegdienst op landelijk niveau ingericht. Daarnaast werden er medisch-sociale inrichtingen opgericht waar verzorging tegen redelijk voorwaarden geschiedde. 1921: Invoering wet achturendag. 1921: In de textielnijverheid van het arrondissement Verviers wordt een kinderbijslagfonds opgericht. Al snel werd dit voorbeeld gevolgd en in 1925 telde België reeds twaalf van dergelijke fondsen. 10 december 1924: Uitbreiding van de verplichte pensioenregeling tot de arbeiders. 10 maart 1925: Uitbreiding van de verplichte pensioenregeling tot de bedienden. De uitvoering van beide laatstgenoemde wetten werd toevertrouwd aan de ASLK. 24 juli 1927: Invoering van de beroepsziektenverzekering 1 december 1928: Oprichting van een speciaal fonds voor mindervaliden. Het fonds werd, zo besloot de wetgever, voor de helft gefinancierd door het Rijk en voor ¼ door de provincies en ¼ door de gemeenten. 24 oktober 1929: Beurscrash van 1929 gevolgd door de Grote Depressie. 10 juni 1930: Invoering kinderbijslag voor zelfstandigen. 18 juni 1930: Aanpassing aan de wet van 10 maart 1925. Er werd een afzonderlijke pensioenregeling ingesteld. 30 juni 1930: Uitbreiding van de arbeidsongevallenwet van 24 december 1903. Deze had voortaan betrekking op alle industriële-, handels- en landbouwondernemingen en zowel op arbeiders als bedienden. 4 augustus 1930: Veralgemening bij wet van het recht op kinderbijslag voor alle werknemers. 1931: De wetgever beslist de financiering van het speciaal fonds voor mindervaliden voortaan volledig te financiering vanuit het rijk. 1933: Verstrenging van de voorwaarden om aanspraak te maken op een vergoeding van het speciaal fonds voor mindervaliden. 8 juli 1936: Ten gevolge van de Grote Staking van juni 1936 werd een wet ingesteld waarbij werknemers die minimaal één jaar in dienst waren bij een werkgever voortaan recht hadden op zes dagen betaalde vakantie. Het vakantiegeld was gelijk aan het loon. De wet werd niet ingesteld voor werknemers in familiebedrijven of kleine ondernemingen (-10 werknemers). 1937: Versoepeling van de voorwaarden om aanspraak te maken op een vergoeding van het speciaal fonds voor mindervaliden tot de situatie in 1931. 1 januari 1938 de Syndikale Kommissie werd omgevormd tot het Belgisch Vakverbond (BVV). 20 augustus 1938: De wet van 8 juli 1936 werd versoepeld. Het vereiste van één jaar arbeid bij dezelfde werkgever vervalt en er worden vakantiefondsen opgericht. De vakantieduur werd tevens verdubbeld (=12 dagen) voor werknemers onder de 18 jaar. 1939: Omvorming van de Nationale Centrale der Liberale Vakbonden van België tot de huidige Algemene Centrale Der Liberale Vakbonden Van België (ACLVB).
1944-heden: sociale zekerheid 1944: de besluitwet