Een afleiding of derivatie is in de taalkunde een geleed woord waarvan een van de delen een gebonden morfeem is, een woorddeel dat niet zelfstandig als woord kan optreden zoals voor- of achtervoegsels (ook wel pre- en suffixen genoemd). De termen afleiding en derivatie worden ook gebruikt in het kader van woordvorming, om het morfologische proces aan te duiden waarmee dergelijke woorden gevormd worden. Een voorbeeld van een afleiding is het bijvoeglijk naamwoord roodachtig, waarin aan het grondwoord rood het affix (gebonden morfeem) -achtig is toegevoegd.

Door derivatie kan de woordsoort van het grondwoord veranderen. Wanneer achter het grondwoord groot het suffix -te wordt geplaatst en grootte wordt gevormd, verandert de woordsoort van bijvoeglijk naamwoord naar zelfstandig naamwoord.

Vaak heeft een afleiding of derivatie zich historisch ontwikkeld tot een formele samenstelling, die zich semantisch gezien als een ongeleed woord gedraagt. Dit treedt op waar de betrokken affixen geen onbegrensd toepassingsdomein hebben of zelfs geheel improductief geworden zijn. Het onderscheid is vaak subjectief in het oordeel over de mate waarin met behulp van een affix neologismen gevormd kunnen worden. De Nederlandse suffixen -ing, -baar en -er worden als productief beschouwd, terwijl -ser al minstens een halve eeuw geleden improductief zou zijn geworden. Gebeente heeft een circumfix, ofwel een voorvoegsel (ge-) met een achtervoegsel (-te), maar deze constructie kan niet vrijelijk op elk soortgelijk woord worden toegepast en levert hier een zelfstandig naamwoord op waarvan de betekenis en het gebruik zich al gedeeltelijk van het grondwoord (been) hebben losgemaakt.

Afleiding dient te worden onderscheiden van andere woordvormingsprocessen als flexie en samenstelling. Het verschil tussen afleiding en flexie is dat er bij afleiding een nieuw woord met een nieuwe betekenis wordt gevormd, terwijl het bij flexie gaat om verschillende (syntactische) verschijningsvormen van hetzelfde woord. Bij samenstelling wordt een woord samengesteld door vrije morfemen of woorden te combineren. De onderdelen van een samenstelling kunnen, in tegenstelling tot die van een afleiding, allemaal als zelfstandig woord voorkomen.

Voorgeschiedenis Afleiding heeft een grote rol gespeeld in de vorming van de Nederlandse taal. Het Nederlands stamt af van de Indo-Europese oertaal, het Proto-Indo-Europees, en is, net als alle andere Indo-Europese talen, een inflecterende taal waarvan de woorden vanouds met affixen verbogen of vervoegd konden worden. Volgens grammaticale regels werd met affixen een nieuwe context aan een grondwoord meegegeven zonder daarbij noodzakelijkerwijs al direct een nieuw woord te vormen. Het wordt verondersteld dat de taal in de Proto-Indo-Europese periode zelf affixen vormde en niet leende uit andere talen. De meeste achtervoegsels die uit deze oertaal stammen zijn tegenwoordig niet meer productief, dat wil zeggen dat er geen nieuwe woorden meer mee worden gemaakt. Dergelijke improductieve achtervoegsels zijn bewaard gebleven in woorden die eindigen op -r, -m, -n en -l:

-m was ooit zeer productief om zelfstandige naamwoorden van werkwoorden af te leiden. Vergelijk bloem van bloeien, helm van helen ('verbergen, bedekken'), en molm van malen. Bijvoeglijke naamwoorden werden van werkwoorden afgeleid met het achtervoegsel -n in bijvoorbeeld groen van groeien, en schoon van schouwen ('kijken naar'), en met het achtervoegsel -r in bijvoorbeeld bitter, lekker en wakker, van bijten, likken en waken. Een achtervoegsel dat in een groot aantal Nederlandse woorden is blijven voortleven, is -l, in het Nederlands -el. Men gebruikte dit achtervoegsel om de naam van een werktuig af te leiden, bijvoorbeeld; sleutel van sluiten, stempel van stampen, en zetel van zitten. Verder werd ditzelfde achtervoegsel gebruikt voor de vorming van verkleinwoorden, zoals nog blijkt uit de Nederlandse afleidingen; druppel van drop, eikel van eik, ribbel van rib, en stippel van stip.

Andere achtervoegsels zijn nog steeds productief. Het achtervoegsel -sel diende en dient om zelfstandige naamwoorden van werkwoorden af te leiden. Woorden met -sel die gevormd zijn in de Indo-Europese tijd zijn deksel van dekken, hengsel van hangen, raadsel van raden, en voedsel van voeden. Recent (1923) werd met dit achtervoegsel nog het woord schrijfsel gevormd.

Typisch Germaanse voor- en achtervoegsels Erfrelieken uit het Oergermaans Het Nederlands ontwikkelde zich uit de Germaanse talen, die zich in een zelfstandige taaltak uit het oorspronkelijke Indo-Europees losmaakten. Achtervoegsels als -dom, -heid, -schap, -nis, -e, -ede, -ing, -in, -baar, -ig, -lijk, -loos en -zaam zijn van herkenbare Germaanse vormen afgeleid. In het Germaans ging men ook voorvoegsels gebruiken zoals: ur- (in het Nederlands oor-), mis- en wan-. Verder nog: be-, ont-, aan-, door-, voor- en weer-. Niet alle affixen zijn noodzakelijkerwijs van Proto-Indo-Europese afkomst. Volkeren die in de latere Germanen zijn opgegaan, zoals waarschijnlijk de hunebedbouwers van Drenthe, namen het Germaans over, maar zullen een aantal woorden en klanken uit hun oorspronkelijke taal hebben bewaard.

Latere ontwikkelingen door klankverschuivingen Vóór het begin van de jaartelling vonden er een aantal klankveranderingen plaats binnen het Germaans, waardoor de taal geen eenheid meer vormde. Vanaf dat moment spreekt men van drie groepen Germaans: Oost-Germaans (Gotisch), Noord-Germaans en West-Germaans. Het Nederlands is uiteindelijk voortgekomen uit het West-Germaans. Daarom is deze tak van het Germaans voor het Nederlands het belangrijkste. In de West-Germaanse taalperiode waren de acht naamvallen of naamvalsuitgangen uit het Indo-Europees gereduceerd naar vier, namelijk -e, -en, -er en -s. Toen deze vier naamvalsuitgangen uiteindelijk verdwenen, ging men de naamvalsuitgangen als bindingsklanken beschouwen. (De uitgang -de bij een zwakke verleden tijd komt waarschijnlijk uit een vorm van het werkwoord doen: een constructie als horen dee(d) ik veranderde in hoorde ik, ik hoorde.)

Voor- en achtervoegsels uit het Latijn Romeinse invloedssfeer Tijdens de Gallo-Romeinse periode (van rond het begin van onze jaartelling tot het begin van de vijfde eeuw) heeft de West-Germaanse taal achtervoegsels uit het Latijn, de taal die de Romeinen spraken, ontleend, of hebben soortgelijke affixen in het Germaans en Nederlands zich door het taalcontact parallel daaraan ontwikkeld.

Een achtervoegsel uit het Latijn met invloed op de Germaanse taalontwikkeling is -arius, dat overeenkomt met -aar. Hiermee werden mannelijke persoonsnamen die eindigden op -n, -l en -r vervoegd, bijvoorbeeld tot leraar, minnaar, winnaar, dienaar en zondaar. Mannelijke persoonsnamen die eindigden op de overige letters ging men vervoegen met -er, in eerste instantie als er overeenkomstige woorden in het Latijn bestonden. Overigens bestaan er ook soortgelijke achtervoegsels met een duidelijk Germaanse achtergrond, zoals -her ("heer", dat al vroeg voorkwam in samengestelde Germaanse namen, bijvoorbeeld Walter) en -hard ("hard", sedert de derde eeuw in Germaanse persoonsnamen aan te tonen, bijvoorbeeld Reinaart),J. van der Schaar, Woordenboek van voornamen, Het Spectrum BV, terwijl het Nederlandse achtervoegsel -aard via het oudfrans -ard weer zelf uit het Germaans stamt.J. de Vries, Etymologisch woordenboek, Het Spectrum BV,

In een volgende stap werden ook woorden zonder Latijnse tegenhanger met de achtervoegsels -er en -aar vervoegd voor het afleiden van persoonsnamen van werkwoorden, en kwamen deze in de plaats van het oudere Germaanse achtervoegsel -e. Aan de zwakte van -e zal de kracht van het geleende achtervoegsel -er te danken zijn; dit is inmiddels het meest gebruikte achtervoegsel van het Nederlands.

In de loop van de Middeleeuwen ging men het ook voor de afleiding van zaaknamen gebruiken. Wekker duidde eerst iemand die wekte aan, en bij overdracht vervolgens iets wat wekte. Zo werden ook bijvoorbeeld drijver, gieter, loper en wijzer gevormd.

De vrouwelijke tegenhanger van -er is -ster. Dit heeft eveneens een Latijnse tegenhanger en wordt gebruikt in woorden als herbergierster, naaister en werkster.

Daarnaast werd voor vrouwelijke persoonsnamen -egge gebruikt (In het Latijn klonk dit als -iga), ook samengetrokken tot -ei. Dit achtervoegsel was in het Middelnederlands heel gewoon, maar is tegenwoordig slechts in een enkel woord overgebleven – in dievegge, en in de Zuid-Nederlandse woorden klappei en labbei, die beide 'babbelaarster' betekenen.

Oudnederlandse periode Tijdens de Frankische tijd (derde tot negende eeuw) vonden de Germaanse volksverhuizingen plaats. Hieruit volgde dat het West-Germaans splitste in vier talen, namelijk het Engels, Duits, Fries en het (Oud)Nederlands. In de Nederlanden vestigden zich Franken en Saksen. De Friezen die er al woonden, breidden hun gebied uit richting het zuidwesten.

In de zesde eeuw verschenen de eerste geschreven teksten in de Lage Landen, waarmee de historische periode van het Oudnederlands of Oudnederfrankisch begon. Een voorvoegsel dat we in deze periode ontleend hebben, is het voorvoegsel aarts-, vanuit het Kerklatijn. Aanvankelijk kwam dit voor in de Latijnse leenwoorden aartsbisschop, aartsengel en aartsvader. Het voorvoegsel werd productief in woorden als aartsbedrieger en aartsvijand. Daarna werden bijvoeglijke naamwoorden gemaakt als aartsdom en aartsvijandig.

Middelnederlandse periode Invloed van het Frans Rond 1130 begon de Middelnederlandse periode, die duurde tot begin zestiende eeuw. In deze periode, de Middeleeuwen, was de bovenlaag (adel) van de bevolking in Vlaanderen, Brabant en Limburg geheel op Frankrijk gericht en volgde de Franse gewoonten, ook in bestuur en staatsinrichting. Die bovenlaag sprak Frans, terwijl het volk Nederlands sprak. Ook in Holland en Zeeland was de Franse invloed groot. Er zijn in deze periode veel Franse leenwoorden overgenomen, die vooral te maken hadden met de riddercultuur, de hofhouding, de weelderige woninginrichting van de adel, het adellijke voedsel en verder nog bestuurlijke termen en rechtstermen. Ook Latijnse leenwoorden bleven Nederland nog binnenstromen. We kregen met deze nieuwe woorden ook nieuwe klanken in het Nederlandse klanksysteem. Door de grote hoeveelheid leenwoorden en 'leenklanken' werden er een groot aantal Franse achtervoegsels productief.

De enige aan het Frans ontleende achtervoegsels die onbeklemtoond zijn, en werden gebruikt voor de vorming van persoonsnamen, zijn: -aard en de verzwakte vorm -erd, zoals in: gierigaard, grijsaard, leukerd, goeierd.

Ontleende Franse achtervoegsels die verbonden zijn met Nederlandse woorden zijn onder andere: -ier, soms uitgebreid tot -(e)nier: herbergier, scholier, tuinier, rentenier, vliegenier; -esse, tegenwoordig meestal -es: prinses, lerares, secretaresse; -ij, soms uitgebreid tot -erij, -enij, -ernij: abdij, heerschappij, afgoderij, artsenij, razernij (dit achtervoegsel gaat terug op het Franse -ie: batterie–batterij, galerie–galerij, partie–partij).

Achtervoegsels die (vrijwel) alleen verbonden worden met vreemde woorden, zijn onder andere: -aris: commissaris, notaris, referendaris, secretaris; -ist, soms uitgebreid tot -(e)nist: drogist, organist, violist, klokkenist, toetsenist; -ant: fabrikant, muzikant, predikant; -eur, vrouwelijk -euse: ambassadeur, chauffeur, etaleur, acteur, chauffeuse.

Invloeden van andere talen Het voorvoegsel her- ('opnieuw') is aan het Picardisch ontleend: herademen, herbebossen, herboren, herontdekken.

Verder is in deze periode het voorvoegsel er- aan Duitse mystieke teksten ontleend: erbarmen, erkennen, ervaren.

Tot slot is het achtervoegsel -erik uit het Iers (van -(e)oig) overgenomen, in woorden zoals bangerik en slimmerik.

Renaissance