Suchia is een superorde die veel uitgestorven geslachten, maar ook de hedendaagse krokodilachtigen omvat. Fossielen zijn bekend van over heel de wereld, behalve Antarctica uit Laat-Triassische lagen tot recent. Leden variëren sterk in grootte, uiterlijk, levenswijze en eetpatroon. Sommige geslachten waren zeer klein, zoals de kleinste aetosauriërs, terwijl andere, zoals de enorme Sarcosuchus, Deinosuchus en andere grote krokodilachtigen, mogelijk lengtes van 10 tot 16 meter konden bereiken en de dinosauriërs in grootte benaderden. De bloeitijd van de Suchia was sinds hun oorsprong in het Laat-Trias. De Suchia heeft een aantal grote uitstervingen overleefd, waaronder degene die in het Laat-Krijt de dinosauriërs fataal werd. De nauwste levende verwanten van de Suchia zijn, behalve de krokodilachtigen binnen de Suchia, de vogels, die net als de leden van de Suchia tot de Archosauria gerekend moeten worden.

Vondst en naamgeving De Suchia werd in 1991 door Sereno benoemd als onderverdeling van de Crurotarsi met als zustergroep de Phytosauria, Doswellia en andere basale crurotarsen (in sommige analyses valt ook de Ctenosauriscidae buiten de Suchia). Dit was vlak nadat de Crurotarsi in 1990 door Sereno en Arcucci werd benoemd. De Suchia omvatte eerst alleen de krokodilachtigen, aetosauriërs en hun gemeenschappelijke voorouder. Later werden ook de Rauisuchia, de Ornithosuchidae en Revueltosaurus binnen de Suchia geplaatst. In een analyse van Parrish uit 1993 werd Turfanosuchus ook binnen de Suchia geplaatst. Turfanosuchus wordt tegenwoordig weer buiten de Suchia geplaatst.

Ontwikkeling 250px|left|thumb|Ctenosauriscus, een herbivore suchiër uit de Ctenosauriscidae. Dit kopje gaat over de evolutie van de Suchia door de tijd heen.

Trias In het Trias beleefden de suchiërs hun bloeiperiode, vlak na hun oorsprong. Vroege vormen als Mandasuchus zijn bekend uit het Zuid-Afrika van het Midden-Trias. Zij hadden toen nog concurrentie van primitievere archosauromorphen als de erythrosuchiërs en grote cynodonte therapsiden. Er zijn zeer weinig primitieve vormen bekend, dus is er weinig duidelijk over de ontwikkeling van de groepen suchiërs uit het Midden-Trias.

thumb|250px|right|De kop van Erpetosuchus. In het Laat-Trias treft men een grote variateit aan vormen aan. Groepen als de Aetosauria, de Rauisuchia en de Ornithosuchidae zijn ontwikkeld en beleven hun bloei. Een groepje kleinere suchiërs is ook bekend uit de laatste lagen van het Trias. Zij waren de vroegste crocodylomorfen. Hiervan zijn twee groepen te onderscheiden: Sphenosuchia Protosuchia De Sphenosuchia kwamen het meest voor en waren het primitiefst, terwijl de Protosuchia zeldzamer waren en meer gavanceerd. Verder zijn er ook nog enkele zeer primitieve vormen als Gracilisuchus en Erpetosuchus bekend. Aan het eind van het Trias was er een grote uitsterving, waarvan de oorzaak onbekend was, die vele geslachten suchiërs fataal was. Alleen de Sphenosuchia en de Protosuchia overleefden deze uitsterving, die de grens tussen het Trias en het Jura markeerde.

Jura right|250px|thumb|Metriorhynchus. Hoewel de dinosauriërs nu volop evolueerden waren er voor de crocodylomorfen veel concurrenten uit de weg geruimd. Temnospondyle amfibieën waren zwaar getroffen. Alle andere crurotarsen waren uitgestorven, evenals vele therapsiden. De rol van amfibische roofdieren lag nu open. Terwijl de Sphenosuchia hun terrestrische levenswijze behield, gingen de protosuchiërs naar een aquatische levenswijze toe.

Aan het begin van het Jura ontwikkelde zich echter een nieuwe groep krokodilachtigen: de Mesoeucrocodylia. Een 'missing link' tussen de Protosuchia en de Mesoeucrocodylia is lastig te vinden, maar Hsisosuchus vertoont kenmerken van beide groepen. Net als de Mesoeucrocodylia had hij vermoedelijk een aquatische levenswijze, hoewel hij net als de Protosuchia vermoedelijk goed op het land kon lopen.

De eerste Mesoeucrocodylia verschijnen rond het Laat-Sinemurien. De oudstebekende en primitiefste groep is de Thalattosuchia, bestaande uit twee families: Teleosauridae Metriorhynchidae De Teleosauridae verschijnen het eerst in het fossielenbestand en kunnen ook nog aan land komen. De Metriorhynchidae verschijnen later, de primitiefste vormen zijn bekend van het einde van het Midden-Jura. Zij waren volledig aan een mariene levenswijze aangepast en hadden waarschijnlijk niet meer de mogelijkheid om aan land te gaan. Hun osteodermen waren vervangen door gladde huid en aan het eind van de staat zat een vinvormige peddel. In plaats van poten hadden ze waarschijnlijk flippers. Het waren de enige suchiërs die ooit een volledig aquatische levenswijze hadden. Net als dolfijnen moesten ze echter wel naar het oppervlak om adem te halen.

thumb|left|250px|Een fossiel skelet van de neosuchiër Crocodilaemus. Iets later, in het Sinemurien, vindt men een meer geavanceerde orde die dicht bij de oorsprong van de hedendaagse krokodilachtigen staat: de Neosuchia. Van deze groep, die in het Vroeg-Jura ontstond, zijn verschillende families en geslachten bekend. Pas in het Krijt bereikten zij hun bloei.

Krijt thumb|250px|right|De 10 meter lange Stomatosuchus. Aan het eind van het Jura stierven vele groepen primitievere krokodilachtigen uit. De sphenosuchiërs verdwenen zo'n 150 miljoen jaar geleden, maar in tegenstelling tot deze laatste groep deed de Protosuchia het goed. In het Krijt zijn verschillende geslachten aangetroffen, zoals de Russische Tagarosuchus. Voorheen kende de Protosuchia slechts één familie: de Protosuchidae. Nieuwe families ontstonden, als de Shartegosuchidae en de Gobiosuchidae. De Protosuchia leefden tot aan het eind van het Krijt met leden als Zosuchus en stierven gelijk met de dinosauriërs uit, aan het eind van het Maastrichtien.

thumb|250px|left|Een reconstructie van Bernissartia. De laatste Thalattosuchiërs stierven aan het begin van het Vroeg-Krijt uit. Dit legde nieuwe ecologische niches open voor andere suchiërs. De neosuchiërs grepen deze kans en evolueerden in een grote variateit aan geslachten. Hoewel zij nooit zo goed aan het mariene leven aangepast werden als de metriorhynchiërs, waren zij zeer succesvol. Vele families zijn bekend waaronder de Goniopholididae, Pholidosauridae, Elosuchidae, Paralligatoridae, Stomatosuchidae, Trematochampsidae, Itasuchidae, Bernissartiidae en Dyrosauridae, die allemaal waterbewoners waren. Landbewonende families als de Sebecidae, Bergisuchidae, Bretasuchidae, Peirosauridae, Mahajangasuchidae en Atoposauridae waren er ook.

thumb|250px|right|De herbivore notosuchiër Simosuchus. Een tak van de Neosuchia die ook de Paralligatoridae en Bernissartiidae bevatte leidde naar een nieuwe groep: de Eusuchia. Deze groep omvat ook de moderne krokodilachtigen. Hoewel Hylaeochampsa het oudst bekende en primitiefste geslacht is, zijn ook de Alligatoridae en de Gavialidae zeer oude families. De Crocodylidae verscheen pas later, in het Paleogeen. De eerste alligators en gavialen verschijnen al in het Laat-Krijt. Het geslacht Alligator zelf is van fossielen bekend sinds het Campanien samen met vele andere geslachten van alligators en alligatorachtigen als Albertochampsa, Brachychampsa en de 15 meter lange Deinosuchus. De gavialen waren in tegenstelling tot de alligators in het Krijt nog vrij zeldzaam en hadden een uitsluitend mariene levenswijze. Zij namen net als de andere neosuchiërs de niche van de thalattosuchiërs in, maar vervingen tegelijkertijd ook de oudere neosuchiërs, die in het Vroeg-Krijt hun bloei hadden, maar nu weer in aantal teruggedrongen werden door hevige competitie van de Eusuchia. Alle nu levende krokodilachtigen worden tot de Eusuchia gerekend.

thumb|250px|left|Amadillosuchus, een gepantserde notosuchiër uit Argentinië. Aan het begin van het Krijt evolueerde zich nog een groep, die veel basaler dan de Neosuchia was, de Notosuchia. Dit waren voornamelijk landkrokodillen met een carnivoor eetpatroon, hoewel er ook enkele geslachten met een herbivoor eetpatroon waren. Zij waren concurrenten van de overlevende protosuchiërs, hoewel de twee groepen voornamelijk niet op dezelfde continenten voorkwamen. Anders dan de Protosuchia, die een vergelijkbare levenswijze hadden, overleefden zij wel de grote uitsterving die de dinosauriërs fataal werd aan het eind van het Krijt, hoewel dit slechts voor één familie en daarbinnen drie geslachten gold.

Paleogeen thumb|250px|right|De dyrosauriër Chenanisuchus. In het Paleogeen waren de Suchia sterk in aantal verminderd, wegens een massa-extinctie aan het einde van het Krijt. Veel basalere suchiërs hadden zware klappen gekregen. Sommige zoals de Notosuchia waren nog maar met drie geslachten aanwezig, terwijl andere groepen als de Protosuchia helemaal verdwenen waren. De Notosuchia is bekend van twee leden uit Europa uit lagen van het Eoceen. Deze drie genera, met de namen Iberosuchus, Eremosuchus en Bergisuchus, waren allen leden van de Baurusuchidae, maar nieuwe cladistische analyses suggereren dat zij alle drie niet tot de Notosuchia, laat staan deze familie, behoren, maar tot de Neosuchia, in het speciaal de Sebecia.

thumb|250px|left|Sebecus uit het Eoceen. thumb|250px|right|Sebecus De Sebecia was samen met de Dyrosauridae de enige overlevende groep van de Neosuchia buiten de Eusuchia. De Sebecia bevat twee families: Peirosauridae Sebecidae De Peirosauridae stierf aan het eind van het Maastrichtien samen met de dinosauriërs uit (met de mogelijke uitzondering van Iberosuchus, Eremosuchus en Bergisuchus), maar de Sebecidae deed het zeer goed in het Paleogeen en overleefde zelfs tot diep in het Neogeen. Omstreeks de tijd dat de eerste mensachtigen evolueerden, zo'n 7-8 miljoen jaar geleden, waren zij uitgestorven, zo'n vier miljoen jaar eerder. In het Krijt waren zij een van de vele terrestrische suchiërs, terwijl zich in het Paleogeen al deze niches openlegden. Nu alle niches die de primitievere waterbewonende neosuchiërs bezet hielden open waren, greep een relatief nieuwe familie zijn kans: de Dyrosauridae. Deze familie is nauw verwant aan de Pholidosauridae en evolueerde zich al in het Krijt. In het Paleoceen bereikten zij echter hun bloei. Sommige, zoals de 9-10 meter lange Phosphatosaurus, benaderden Deinosuchus in lengte. De dyrosauriërs waren zowel mariene als in zoet water levende suchiërs.

thumb|250px|right|Allognathosuchus, een Europese eusuchiër uit het Eoceen. Al deze openliggende niches waren niet alleen voor de overgebleven primitievere neosuchiërs weggelegd. Deze hadden twee concurrenten: de zoogdieren en de Eusuchia. Nu de dinosauriërs weg waren grepen de zoogdieren hun kans. In het Paleoceen werden zij al vrij groot en omstreeks het Eoceen ontstonden er ook enkele aquatische vormen, die de mariene suchiërs vervingen. Uiteindelijk zouden deze dieren de zee compleet bevolken en evolueren in wat wij nu kennen onder de naam walvissen.

thumb|250px|left|De gehoornde alligator Ceratosuchus. De Eusuchia waren in het Paleoceen en het Vroeg- tot Midden-Eoceen talrijker dan ooit tevoren en zouden ook nooit meer zo talrijk worden. Zowel de niche van landkrokodil als aquatische en zelfs mariene krokodilachtige werd opgevuld door hen. In de groeve van Messel, in Duitsland, en in Wyoming heeft men fossielen gevonden van een terrestrische krokodilachtige, Pristichampsus, die dezelfde niche bezette als de Sebecia. In meren en rivieren leefden verschillende soorten alligators als Diplocynodon en krokodillen als Asiatosuchus. Ook waren er gavialen, maar in tegenstelling tot de hedendaagse vormen, waren alle vormen in het Paleogeen uitsluitend marien. Toen aan het eind van het Eoceen de dyrosauriërs (en mogelijk ook de peirosauriërs) uitstierven namen de eusuchiërs al deze niches in.

Neogeen