miniatuur|Vogeldorp, Zamenhofstraat in zuidoostelijke richting bezien, juni 2018. Vogeldorp is het oudste tuindorp in Amsterdam-Noord, gelegen in de Vogelbuurt, ten zuiden van het Vliegenbos en het Volkstuinpark Buitenzorg. Het dorp is in 1918 gebouwd door de Gemeentelijke woningdienst met Berend Boeyinga van de Amsterdamse School als projectarchitect en bestond oorspronkelijk uit 313 woningen. Aan het ontwerp ligt de tuinstadgedachte van Ebenezer Howard ten grondslag. Vanwege de architectonische waarde en de plaats die het inneemt in de geschiedenis van de sociale woningbouw en de emancipatie van de arbeidersklasse, is Vogeldorp – evenals zusterdorp Disteldorp – bestempeld als onderdeel van een "monument van nationaal belang" dat op het hoogste niveau bescherming verdient.Prof. dr. Bock, Advies Begeleidingscommissie MSP (Monumenten Selectie Project) Amsterdam-Noord, 10 januari 1995, p. 5. Dit advies is o.a. terug te vinden als bijlage 1 bij de Cultuurhistorische verkenning Tuindorp Nieuwendam en Buiksloot, C 13-005 Amsterdam 2014. Sinds 2000 is Vogeldorp een gemeentelijk monument en vanaf 2014 maakt het onderdeel uit van het rijksbeschermde stadsgezicht Amsterdam-Noord.Erfgoed van de Week - Tijdelijk duurt het langst, amsterdam.nl; 27 september 2018

Historie en achtergronden Van baggerstortplaats tot bouwgrond miniatuur|220x220px|Kaart uit 1901 met daarop de Nieuwendammerham, waar Vogeldorp in 1918 gebouwd zal worden.|alt= Amsterdam-Noord is ontstaan op veengronden die vanaf de zevende eeuw werden ontgonnen.Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Noord, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2012, p. 4 en 15. Om de ontginning mogelijk te maken, werden dijken opgeworpen. Daaruit ontwikkelde zich rond 1300 uiteindelijk de Waterlandse Zeedijk, waarlangs verschillende dijkdorpen ontstonden. Ten zuiden van deze dijk lag in het IJ de natuurlijk gevormde landtong Volewijk, die tot 1795 werd gebruikt als galgenveld van 't Geregt van Amsterdam; er werden lijken van terechtgestelden opgehangen. De watervlakte ten westen van deze landtong werd door de gemeente gebruikt als baggerstortplaats voor modder uit de grachten en de vaarweg van het IJ. In de negentiende eeuw wordt die stortplaats echter omgevormd tot de polder Buiksloterham, waarna de gemeente op zoek moet naar een nieuwe baggerstortplaats. Het oog valt dan op de waterplas ten oosten van de landtong Volewijk, namelijk op de Nieuwendammerham. Uiteindelijk wordt ook deze omstreeks 1870 ingepolderd bij de aanleg van het Noordzeekanaal en zo ontstaat de grond waarop later Vogeldorp gebouwd zal worden.

De grond blijft echter eerst jarenlang onaangeroerd liggen. In 1903 verschijnt een rapport van de IJ-commissie die adviseert om de industrie vanuit de stad naar de overkant van het IJ te verplaatsen. In plaats daarvan worden er, vanwege de problemen met het dagelijks overvaren van arbeiders voor de scheepswerven in Noord, uiteindelijk vele duizenden arbeiderswoningen gebouwd. miniatuur|180x180px|Amsterdamse kelderwoning aan de Zeedijk nr. 58.

Woningnood leidt tot Woningwet miniatuur|220x220px|Wethouder Wibaut, onderkoning van Amsterdam. Een belangrijke oorzaak van de woningnood in Amsterdam in de negentiende eeuw, die uiteindelijk dwong tot de bouw van onder andere Vogeldorp, is gelegen in de Industriële Revolutie. Veel zelfstandigen op het platteland gingen failliet door concurrentie met de fabrieken en werden gedwongen massaal naar de stad te trekken om in diezelfde fabrieken te werken. Mede daardoor groeide het aantal inwoners van Amsterdam tussen 1870 en 1900 van 264.694 naar 510.853. Voor hun huisvesting waren deze nieuw gearriveerde arbeiders aangewezen op particuliere verhuurders; woningbouw voor arbeiders en minvermogenden liet de overheid toen nog volledig over aan particulieren. Die verhuurden voor veel geld kleine, donkere en onhygiënische ruimtes (krotwoningen) aan de laagbetaalde arbeiders, vaak gelegen in dicht op elkaar gebouwde straten met weinig daglicht en frisse lucht. Deze ongezonde woonomstandigheden leidden tot ziektes en epidemieën. Uiteindelijk werd de politiek het erover eens dat aan de erbarmelijke woonomstandigheden iets gedaan moest worden en zo werd in 1901 door het kabinet-Pierson de Woningwet aangenomen.Wet van 22 juni 1901 houdende wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting, Staatsblad 158. Het doel van de Woningwet was om bouw en bewoning van krotwoningen onmogelijk te maken, en met voorschotten van het rijk de bouw van goede woningen te stimuleren. Het duurt echter tot 1910 voordat de bouw van woningwetwoningen op gang komt, maar voor de allerarmsten laten de woningbouwverenigingen het afweten. Om die reden beginnen de gemeenten na verloop van tijd zelf woningwetwoningen te bouwen, waaronder Vogeldorp. In Amsterdam is het met name Floor Wibaut die daarvoor ijvert, ook wel de 'onderkoning van Amsterdam' genoemd. Wibaut, Keppler en Tellegen: voorvechters van betaalbare gemeentelijke woningbouw, waaronder Vogeldorp miniatuur|216x216px|Arie Keppler, directeur Woningdienst. miniatuur|212x212px|Burgemeester Tellegen.

Wibaut was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de PvdA. In 1907 treedt Wibaut toe tot de Amsterdamse gemeenteraad en de Gezondheidscommissie. Die commissie en verklaarde veel krotwoningen onbewoonbaar. Wibaut zag de miserabele woonomstandigheden van de arbeiders zodoende van dichtbij, waarbij het besef groeide dat die omstandigheden drastisch verbeterd moesten worden. Datzelfde gold voor Wibauts vriend, partijgenoot en later ook zwager Arie Keppler. Keppler kreeg in 1908 een vaste aanstelling bij de dienst Bouw- en Woningtoezicht – op voorspraak van toenmalige directeur Jan Willem Tellegen – en was eveneens betrokken bij de onbewoonbaarverklaringen. Bij gebrek aan voldoende goede woningen bleven veel bewoners van onbewoonbaar verklaarde woningen zitten waar ze zaten. De SDAP-fractie stelde daarom voor dat de gemeente zelf betaalbare woningen zou gaan bouwen voor arme Amsterdamse arbeiders. Dat gebeurt nadat Wibaut in 1914 wethouder wordt van onder andere volkshuisvesting en een jaar later de Gemeentelijke Woningdienst wordt opgericht met Keppler als eerste directeur én Tellegen promoveert tot burgemeester. Dit driemanschap wist in Amsterdam voldoende (politieke) steun te organiseren voor betaalbare gemeentelijke woningbouw, waaronder Vogeldorp. De gemeentelijke woningbouw startte in Noord in 1915 met de Van der Pekbuurt. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) nam de woningnood ondertussen verder toe, omdat veel mensen hun toevlucht zochten in het neutrale Nederland. Ondanks dat Wibaut en Keppler er geen voorstander van waren, ontkwam Amsterdam er daarom niet aan noodwoningen te bouwen, dat wil zeggen woningen die niet voldeden aan de minimumeisen uit de Bouwverordening.De Bouwverordening was door de gemeente ingesteld, omdat de Woningwet daartoe verplichtte. Tellegen was verantwoordelijk voor het opstellen van de eerste Bouwverordening van Amsterdam. Eerst werd in 1917 door de Gemeentelijke Woningdienst het grotendeels houten nooddorp Erica gebouwd, ook wel Obelt genoemd.Ook wel genoemd: 'de sinaasappelkistjes van Wibaut'. Het dorp was gelegen nabij het badhuis Obelt, ongeveer op de plek van de tegenwoordige Tolhuistuin. De laatste bewoners vertrokken er in augustus 1929 waarna de woningen zijn gesloopt. miniatuur|Oorspronkelijke plattegrond Vogeldorp. Aangetroffen in gemeentelijke bouwarchiefstukken. |alt=|180x180px

De bouw van Vogeldorp: de eerste stenen eengezinsarbeidershuizen in Amsterdam miniatuur|180x180px|Vogeldorp in aanbouw, 14 augustus 1918. miniatuur|180x180px|Vogeldorp in aanbouw, 23 augustus 1918.

In januari 1918 startte de bouw van Vogeldorp en aan het eind van dat jaar waren de meeste woningen bewoond. Aanvankelijk was beoogd Vogeldorp in Amsterdam-Zuid te bouwen, maar gevreesd werd dat dat de bouw van permanente woningen op die plaats zou belemmeren. Het rijk betaalde mee aan de bouw op grond van de in datzelfde jaar in werking getreden Woningnoodwet.Kamerstukken II 1917-1918, 363, nr. 1. In de dienstverslagen van de Woningdienst zijn de woningen echter vanaf het begin semi-permanent genoemd, in plaats van noodwoningen.

Per woning kostte de bouw gemiddeld 3.780 gulden. De woningen werden niet onderheid, maar gebouwd op betonplaat. Er werd ook een badhuis gebouwd waar vrouwen en mannen afwisselend konden douchen.

Tegenwoordig is Museum Amsterdam Noord gevestigd in het voormalige badhuis. Aanvankelijk waren er ook een politie- en brandweerpost die in 1921 respectievelijk in de jaren 1960 zijn gesloten. De woningen hadden een toilet, elektriciteit en gas en voldeden - anders dan de noodwoningen in Obelt - wél aan de toenmalige minimumeisen van de Bouwverordening. De Gezondheidscommissie die het dorp in 1918 bezocht constateerde dat "door de benaming 'noodwoning' eigenlijk tekort wordt gedaan aan de qualiteiten van deze woningen, die in gehalte overeen komen met woningen, welke elders ' semi-permanente' worden genoemd, en een alleszins voldoende huisvesting aanbieden". Tegenstanders vonden de woningen in Vogel- en Disteldorp te luxe.

De eerste bewoners bestonden uitsluitend uit Amsterdamse arbeidersgezinnen afkomstig uit de oude arbeiderswijken zoals de Jordaan en de Nieuwmarktbuurt. In 1919 kregen de straten hun naam en in 1948 is de Plaatijzerweg omgedoopt in de Zamenhofstraat (naar Lejzer Zamenhof, de grondlegger van het Esperanto). Rondom het centrale Vogelplein zaten winkels. Na voltooiing van de bouw schreef Keppler: "Wat niemand ooit heeft kunnen verwachten is verwezenlijkt. Het eengezinsarbeidershuis uit steen gebouwd heeft zijn intrede in de hoofdstad gedaan."Keppler, 'Amsterdamsche noodwoningen tweede complex', Tijdschrift voor volkshuisvesting 1, 89-91.

Het vroegere Vogeldorp en zijn bewoners miniatuur|Eerste Vogelstraat 27, achterzijde. |alt=|180x180px miniatuur|Ons Huis op Vogelplantsoen, ca. 1920. |alt=|180x180px miniatuur|Johan van Hasseltkanaal met rechts Vogelkade. |alt=|180x180px miniatuur|180x180px|Vogelplantsoen.