De Aetosauria zijn een groep of orde van uitgestorven reptielen met een grotendeels terrestrische levenswijze. Het waren uitsluitend herbivoren, met de mogelijke uitzondering van zeer primitieve geslachten, en nauwe verwanten van de krokodilachtigen. Het waren middelgrote Crurotarsi, waarbij de kleinere vormen zo'n vijftig centimeter werden en de grootste vormen tot ongeveer zes meter lang. Aetosauriërs waren wijdverspreid over de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en Europa. Er zijn echter ook resten bekend van Noord-Afrika, Madagaskar, India en Groenland. Voetafdrukken van een type dat Brachychirotherium genoemd wordt, worden vaak in verband met aetosauriërs gebracht. Deze voetafdrukken zijn in Brazilië, Italië, Duitsland en de Verenigde Staten gevonden. De naam Aetosauria betekent 'arendsauriërs'. Aeto verwijst naar arend, omdat door vroegere onderzoekers de schedel van Aetosaurus vergeleken werd met die van een arend, en de naam Sauria is afkomstig van het Grieks saura, 'hagedis', omdat dit de grootste moderne groep reptielen is. thumb|250px|left|Voetafdrukken van Brachychirotherium.

Vondst en naamgeving De eerste fossielen van aetosauriërs zijn in 1844 door de Zwitserse paleontoloog Louis Agassiz bij Elgin op de noordkust van Schotland gevonden. Hij benoemde ze als het geslacht Stagonolepis. Het dier was toen alleen nog bekend van schubben en Agassiz dacht dat het een kwastvinnige vis uit het Devoon was, waarnaar het lepis in de naam van het dier verwijst. Nadat Thomas Henry Huxley de schubben bekeken had, vond hij deze in 1858 meer op die van een krokodilachtige lijken, dan een basale vis. In 1875 werd dit idee door hem naar aanleiding van nieuw materiaal bevestigd. thumb|left|Vijfentwintig exemplaren van het geslacht Aetosaurus in één blok steen Aan het eind van de jaren zeventig van de negentiende eeuw werden er in Duitsland bij Stuttgart fossielen gevonden, waaronder een plaat van twee vierkante meter met de fossielen van vijfentwintig individuen die uitzonderlijk goed bewaard gebleven waren. Oscar Friedrich von Fraas benoemde de vondst als het nieuwe geslacht Aetosaurus naar het Grieks ἀετός, 'adelaar'. Naar aanleiding van dit fossiel werd er begin twintigste eeuw een reconstructie gemaakt door de kunstenaar F. John, welke in die illustratie de hypothese opperde dat de diertjes omgekomen waren door een zandstorm. In feite gaat het om een rivierafzetting. Lange tijd waren illustraties van de groep zeer speculatief.

Ondertussen waren er in Noord-Amerika al eerder aetosauriërs gevonden hoewel die nog niet als een aparte groep werden onderkend. Edward Drinker Cope benoemde Typothorax in 1875 en Episcoposaurus in 1877. Beide kwamen uit New Mexico. Hij dacht dat het Phytosauria waren. Othniel Charles Marsh benoemde in 1896 Stegomus uit Connecticut. Hij was de eerste die begreep dat zulke vondsten verwant waren aan Aetosaurus. Later werd door Friedrich von Huene ook Desmatosuchus benoemd. De meeste vondsten zijn in Noord-Amerika gedaan.

In 1884 benoemde Marsh een onderorde Aetosauria. In 1889 benoemden Richard Lydekker en Henry Alleyne Nicholson een orde Aetosauria. Ze plaatsten die in de Crocodilia. Robert Hoffstetter was in 1955 de eerste die de aetosauriërs als een groep met een unieke bouw onderkende. thumb|Een oude reconstructie van Aetosaurus door F. John, die de hypothese opperde dat de diertjes omgekomen waren door een zandstorm. De illustratie is gemaakt naar aanleiding van een fossiel met vijfentwintig individuen. Een groot probleem bij de studie van de Aetosauria is dat verschillende soorten en geslachten alleen op basis van de pantserschubben zijn benoemd, vooral de vorm van de middelste rijen. Tegenwoordig wordt onderkend dat aan de ene kant soorten met identieke schubben kunnen verschillen in de rest van het skelet, wat leidt tot een onderschatting in de hoeveelheid taxa, en anderzijds er binnen één soort zich een variatie van schubben kan voordoen zodat het aantal soorten overschat wordt. Daarbij is weinig bekend over de verschillen ten gevolge van seksuele dimorfie of rijping. Vondsten van volledige skeletten zijn zeldzaam en het blok uit Duitsland vormt nog steeds de grootste concentratie die ooit opgegraven is. Zelfs deze skeletten zijn slecht beschreven. Een beschrijving uit 1961 van Stagonolepis is de meest complete die ooit is uitgevoerd. Vaak belemmeren de pantserplaten het zicht op de botten. left|thumb|Kaart van de vondsten Bij aetosauriërs doet zich hetzelfde vondstpatroon voor als bij veel andere uitgestorven reptielen: na een eerste golf in de negentiende eeuw valt het onderzoek in het midden van de twintigste eeuw vrijwel stil. Pas in 1960 wordt er weer een nieuw geslacht benoemd: Aetosauroides. In de jaren tachtig versnelt het onderzoek zich en meer dan de helft van de geslachten is benoemd sinds 1990.

In 2018 werd een twee dozijn geldige geslachten erkend.

Aetogate In 2007 deed zich een beruchte affaire voor met aetosauriërs in het middelpunt, Aetogate genaamd. In 2002 had William Parker die later een expert aangaande de Aetosauria zou worden, in een scriptie de soort Desmatosuchus chamaensis benoemd als het aparte geslacht Heliocanthus. De naam was voorlopig een ongeldige nomen ex dissertatione. Eind 2006 benoemden Spencer G. Lucas, Adrian P. Hunt en Justin A. Spielmann de soort in een bulletin van het museum waaraan ze verbonden waren, het New Mexico Museum of Natural History and Science, als het geslacht Rioarribasuchus. Dit is niet ongebruikelijk: het is geen gewoonte zich iets van scripties of dissertaties aan te trekken. Parker was echter hevig teleurgesteld. Hij stelde dat de auteurs donders goed wisten dat hij er zelf een artikel over aan het voorbereiden was. Ze zouden opzettelijk eerder gepubliceerd hebben om de naam voor zijn neus weg te kapen, ook nog eens gegevens uit zijn scriptie gebruikend. De zaak kwam in de publiciteit doordat de paleontologen Jeff Martz, Mike Taylor, Matt Wedel, en Darren Naish de beschuldigingen overnamen in het populaire blog van Naish: Tetrapod Zoology. Lucas voelde zich door deze aantijgingen in zijn eer aangetast. Hij had zich kalm kunnen beroepen op het feit dat het holotype in het bezit was van het museum, dat Parker indertijd alle gelegenheid gegeven was het te bestuderen en dat scripties er nu eenmaal zijn om te gebruiken. In plaats daarvan kreeg hij de schijn tegen door hooghartig tegen zijn aanklagers uit te varen, bewerend dat ze een stel amateurs en losers waren die slechts hun frustraties over een mislukte carrière op hem botvierden. Verschillende ethische commissies die zich over de zaak bogen, concludeerden dat Lucas, althans formeel gezien, niets te verwijten viel.

Definitie De eerste exacte definitie als klade was door Heckert en Spencer Lucas in 2000. Aetosauria werd gedefinieerd als de groep omvattende Desmatosuchus spurensis Case 1921 en alle soorten nauwer verwant aan Aetosaurus dan aan Prestosuchus chiniquensis Huene 1942, Rauisuchus tiradentes Huene 1942, Poposaurus gracilis Mehl 1915 en Crocodylus niloticus (Laurenti 1768). In 2005 verving Paul Sereno Desmatosuchus, die Heckert & Spencer gebruikt hadden omdat deze vorm van goede resten bekend is, door Aetosaurus ferratus Fraas 1877, zodat de verankerende soort ook degene is waarvan de naam afgeleid is, zoals de PhyloCode dwingend oplegt. In 2007 definieerde Parker de groep als Aetosaurus en Desmatosuchus en alle soorten nauwer verwant aan deze vormen dan aan Leptosuchus, Postosuchus, Prestosuchus, Poposaurus, Sphenosuchus, Alligator, Gracilisuchus of Revueltosaurus.

Evolutie thumb|Aetosauroides is de meest basale bekende aetosauriër Aetosauriërs leefden voor zover bekend alleen tijdens het Laat-Trias. Ze verschenen in het Carnien en stierven kennelijk uit tijdens het Rhaetien. Ze hadden een wereldwijde verspreiding, vermoedelijk bevorderd door het feit dat alle continenten verenigd waren in Pangea. Doordat hun voorkomen in de geologische tijd beperkt was, worden de schubben van Aetosauria vaak gebruikt als gidsfossiel om lagen te dateren. Daarin ligt wel het gevaar van een zekere circulariteit besloten: als de aetosauriërs zelf gebruikt worden om de leeftijd van een laag vast te stellen, kan een mogelijk eerder of later voorkomen dan het Laat-Trias niet onderkend worden.

De precieze herkomst van de aetosauriërs is wat raadselachtig. Ze moeten zich tijdens het Midden-Trias hebben afgesplitst van een andere archosaurische groep. De meeste Archosauria zijn vleeseters. Om planten te kunnen eten ontwikkelden de aetosauriërs allerlei speciale aanpassingen en die maken het lastig hun verwantschappen te bepalen. Een mogelijke nauwe verwant is Revueltosaurus die ook een planteneter was en dezelfde soort pantserplaten toont. Een wat minder nauwe verwant kan Turfanosuchus geweest zijn. Klopt dat, dan waren de voorouders van de aetosauriërs vermoedelijk middelgrote, vrij lage en langwerpige roofdieren.

Volgens sommige analyses is Aetosauroides uit Zuid-Amerika de meest basale bekende aetosauriër. Dat is een vrij fors dier wat een aanwijzing kan zijn dat een meer aanzienlijke lichaamsgrootte oorspronkelijk was voor de groep en lichtgebouwde soorten zich later hebben ontwikkeld. Alle andere soorten worden toegewezen aan de Stagonolepididae. Vóór het onderkennen van Aetosauroides als basale soort werd daarom wel gesteld dat het hele begrip Aetosauria overbodig was. Aetosauroides is ook de oudste bekende soort, zo'n 230 miljoen jaar.

De verdere onderverdelingen van de groep zijn omstreden. Zo is het de vraag of de Aetosaurinae een belangrijke aftakking zijn of juist beperkt tot Aetosaurus alleen. Duidelijker aparte takken vormen de Desmatosuchinae en de Typothoracisinae. Deze twee laatste groepen hebben lange stekels op de flanken. Ze hadden hun bloeiperiode tijdens het Norien. De Typothoracisinae hebben een breed lichaam en een korte nek. Het zijn vrij grote dieren, meer dan twee meter lang. De Desmatosuchinae uit het Vroeg-Norien zijn slanker zoals basale vormen. Ze hebben extra lange nekstekels.

Anatomie en morfologie Grootte Volwassen Aetosauria hebben een lichaamslengte van één tot zes meter. De kleine exemplaren van Aetosaurus uit Duitsland betreffen jonge dieren. Ze zij een halve meter lang en hun gewicht is geschat op slechts vier kilogram. Vroege vormen als Aetosauroides scagliai en Neoaetosauroides engaeus waren al heel fors met een gewicht van twintig tot zeventig kilogram. Typothoracisinae werden twee à drie meter lang en wogen zeventig tot honderdtien kilogram. Desmatosuchus spurensis is de grootse bekende soort met een lengte van zes meter en een gewicht van 280 kilogram.

Onderscheidende kenmerken Wat de onderscheidende kenmerken zijn van de Aetosauria, hun gedeelde afgeleide eigenschappen ofwel synapomorfieën, zal per analyse verschillen. Naarmate onze kennis over de groep toeneemt, worden die kleiner in aantal omdat er steeds basalere vormen gevonden worden die steeds meer lijken op de laatste gemeenschappelijke voorouder van de groep die maar weinig verschilt zal hebben van een soort die nog geen aetosauriër was. In 2013 noemde een studie vier mogelijke synapomorfieën. Het benige neusgat is groter dan de schedelopening in de zijkant van de snuit, de fenestra antorbitalis. Het bovenste slaapvenster is naar buiten gericht. Het voorste deel van de onderkaak is tandeloos. Het jukbeen buigt naar achteren toe naar beneden.

Schedel en onderkaken thumb|De schedel van Aetosaurus door Jaime Headden