Het Land van Hoogstraten was een bundeling van verschillende heerlijkheden die onder het gezag van één en dezelfde heer stonden. Het bestond uit de dorpen Hoogstraten, Wortel, Minderhout, Meer, Meerle en Meersel. Afhankelijk van de periode kwamen er heerlijkheden bij of vielen er af, zoals Rijkevorsel of Merksplas.
Kenmerkend voor het Land van Hoogstraten was dat het territorium geografisch was opgebouwd rond de rivier de Mark, die een structurerende rol speelde in de samenhang van het gebied.
Geschiedenis Tot ± 1100 was de omgeving van Hoogstraten een dunbevolkt gebied, bedekt met heide en moerassen. Het gebied lag op de grens tussen het markgraafschap Antwerpen en de baronie van Breda. Het blijft onduidelijk welke nederzetting het oudste is, maar mogelijk was dit Wortel met het leengoed Gelmelslot. Grote delen van het gebied werden geschonken aan de Kerk, namelijk de kapittels van Thorn, Sint-Michiels en Onze-Lieve-Vrouwe. Deze begonnen, in de loop van de 12e eeuw, met nieuwe ontginningen. De nederzetting Hoogstraten werd gesticht aan de "hoge straat" Leuven–Aarschot–Breda. Verder ontstonden gehuchten zoals Minderhout, Meer, Meer-Loo en Meer-Zele.
Na 1200 kwamen de diverse leengoederen rond Hoogstraten onder invloed van de hertog van Brabant, die zowel markgraaf van Antwerpen als baron van Breda was. In 1210 stelde de hertog de "vrijheid Hoogstraten" in. Dit was een stad van tweede rang die een aantal privileges kreeg, zoals het alleenrecht op een marktplaats. Het hertogdom Brabant bestond uit autonome gebieden en door de strategische stichting van vrijheden, die rechtstreeks met de hertog verbonden waren, versterkte deze zijn centrale machtspositie.
Historische opbouw In een oorkonde van 24 februari 1213 werd geregeld dat onderdanen van Godfried III van Breda/Schoten die zich al in de nieuwe hertogelijke vrije plaatsen Oosterwijk, Arendonk, Herentals, Turnhout en Hoogstraten hadden gevestigd, daar mochten blijven. Zij konden ook vrij terugkeren naar het land van Godfried. Wie daarna zonder toestemming naar deze of latere hertogelijke vrijheden verhuisde, riskeerde dat Godfried zijn achtergelaten goederen aansloeg. De hertog zou zich daar niet tegen verzetten.
In 1287 werd het Land van Breda door hertog Jan I van Brabant verdeeld tussen Gerard van Wezemaal en Raas van Gaveren-Liedekerke; ook die verdeling was geen nette kaartgrens, maar een boekhoudkundige en juridische verdeling van rechten.
Tot in de 13e en 14e eeuw lagen Baarle, Meer, Meerle, Minderhout, Loenhout en Oostmalle in of nabij de invloedssfeer van het Land van Breda. Dat gebied vormde geen strak afgebakend territorium, maar een middeleeuws geheel van rechten, lenen, voogdijrechten, rechtsmacht en domeingoederen. Volgens W.A. van Ham was het geografische kader van het Land van Breda dan ook “vrij verbrokkeld” en had het in het zuiden geen duidelijke natuurlijke grens.
De huidige enclaves van Baarle tonen nog altijd hoe ingewikkeld die bestuurlijke en juridische verhoudingen konden zijn. Ook elders bestond zo’n verwevenheid van rechten en plichten. Zo behoorde de heerlijkheid Popendonk, gelegen tussen Loenhout en Zundert, dit zijn twee heerlijkheden in de invloedssfeer van Breda, aan de hertog van Brabant die er de rechten bezat.
In 1286 werden Hoogstraten en Wortel als afzonderlijke lenen benoemd. De dochter van Joanna van Elsloo, vrouwe van Hoogstraten (komt voor in oorkondes van 1285 tot 1295), was Sophia van Gemmenich. Zij trouwde in 1295 met Willem van Cuijk. Het is hun zoon Jan III van Cuijk, in Hoogstraten Jan I van Cuyck genoemd, die Hoogstraten een lange tijd zal besturen, van 1303 tot 1357. Vanaf zijn bewindsperiode ging men spreken van het Land van Hoogstraten.
De hertog van Brabant was de hogere leenheer. Jan I van Kuik was heer van Hoogstraten en leenman van de hertog. In de 14de eeuw wist hij, waarschijnlijk via belening, aankoop, opvolging of het overnemen van heerlijke rechten, Meer, Meerle en Minderhout aan de Bredase invloedssfeer te onttrekken en bij Hoogstraten te brengen. Onroerend Erfgoed zegt voor Hoogstraten dat onder Jan I van Kuik, heer van 1312 tot 1357, “in diverse fasen” het Land van Hoogstraten tot stand kwam.
Meer tussen 1278 en 1338: Meer was bijzonder omdat het op het einde van de 12de eeuw een allodium was: een vrijgoed van de familie Van Meer, dus niet gewoon een leen onder Breda. Na het uitsterven van Margaretha van Meer in 1278 kwam het dorp in de daaropvolgende decennia in handen van de heer van Hoogstraten, Jan I van Kuik. Onroerend Erfgoed dateert dit voor Meer breed: tussen 1278 en 1338.
Minderhout tussen 1303 en 1334: Minderhout had een gelijkaardige oorsprong als Meerle: gesticht vanuit Baarle, met een band met Thorn en met wereldlijk bestuur via Breda. Jan I van Kuik wist Minderhout vermoedelijk tussen 1303 en 1334 bij zijn gebied te voegen. Belangrijk detail: Castelré bleef bij het Land van Breda, waardoor Minderhout bestuurlijk werd gesplitst. Binnen het Land van Hoogstraten werd Minderhout bovendien een apart leen, gehouden door Wenemar/Wennemar van Kuik, broer van Jan I.
Meerle na 1312, maar voor 1349, waarschijnlijk voor 1333: Meerle was ontstaan vanuit Baarle en was verbonden met de abdij van Thorn. De abdij had daar kerkelijke rechten, maar voor wereldlijk bestuur had zij de heren van Breda nodig; daardoor werd Meerle als Thorns goed opgenomen in het Land van Breda. Volgens de samenvatting bij Onroerend Erfgoed bleef Meerle tot na 1312 nog bij het Land van Breda, maar was het vóór 1349, waarschijnlijk zelfs vóór 1333, deel geworden van het Land van Hoogstraten.
In 1350 verkocht Jan III van Brabant de heerlijkheid Breda voor 43.000 florijnen aan Jan II van Polanen en werd het gebied een vrije en hoge heerlijkheid. Men spreekt vanaf dan van de baronie Breda. De vorming van de heerlijkheden en de grenslijnen kunnen dan als voltooid beschouwd worden zoals ze tot op heden nog gekend zijn. Deze verschuiving uit de 13e, 14e eeuw tekent zich sterk af in de vorm van de grenslijn tussen België en Nederland (de middelste bult van België)
Vanaf 1429 was Hoogstraten een bezit van diverse hoge edelen. In 1518, onder de heerschappij van Antoon I van Lalaing, werd de heerlijkheid verheven tot een graafschap. Antoon I gaf ook opdracht tot de bouw van een nieuw stadhuis en van de Katharinakerk.
Drie machten in het land van Hoogstraten Het hertogdom Brabant kende een systeem van drie machten: de geestelijken, de adel en de steden. Elke macht kende hiërarchische structuren en dit was allemaal verweven met elkaar. Geestelijke macht De grens van Hoogstraten met Minderhout was ook de grens tussen het bisdom Kamerijk en het bisdom Luik. In 1234 ging het patronaatsrecht van de kerk van Minderhout over van Rutger van Hout naar de Sint-Michielsabdij van Antwerpen. In 1286 ging het patronaatsrecht van de kerk van Hoogstraten van Joanna van Elsloo naar het Onze-Lieve-Vrouw kapittel van Antwerpen. Een deel van de huidige beiaard van Hoogstraten is nog in bruikleen van dit kapittel wat de band tussen beide nog aangeeft. De Sint-Michielsabdij had een tiendenschuur in Houterle waar de graanopbrengst van Minderhout, Wortel en Achtel werden opgeslagen om naar Antwerpen te worden afgevoerd. Adellijke macht De adel die over Hoogstraten regeerde behoorde steeds tot de intimi van de centrale macht in Leuven en Brussel. Ten tijde van Margaretha van Oostenrijk werd dit zelfs letterlijk als dusdanig gezien. Dit was een constante gedurende de vele eeuwen, ook in de Oostenrijkse tijd ging het leen over tot hertogdom omwille van de nauwe banden met het Oostenrijks hof. De adel bestond uit drie categorieën: de baanrotsen, de ridders en de knapen. Dat Hoogstraten privileges kreeg en een hoge graad van trouw aan de hertog bezat, is af te leiden uit het feit dat de heer van Hoogstraten in 1406 en in 1415 in een lijst staat met baanderheren of baanrotsen. Dit is de topcategorie binnen de adel in het hertogdom Brabant. De heerlijkheid van een baanrots moet een hogere rechtspraak hebben en voldoende middelen voortbrengen om er een zekere levensstijl op na te houden. Oorspronkelijk was het een militaire rang waarbij de heer te herkennen was aan een vierkante banier op het slagveld. Dit betekende dat de heer een eigen militie mee had. Gewone ridders hadden een driehoekige banier. In de tweede helft van de vijftiende eeuw verwaterde het militaire belang. In 1406 waren er negentien baanrotsen in het hertogdom Brabant. Het is niet altijd geweten waarom iemand de titel van baanrots kreeg. Het erfelijk karakter van de titel was niet automatisch en hing ook af van de heerlijkheid die ze onder hun bevoegdheid hadden.Damen, M. J. M. (2010). Heren met banieren: de baanrotsen van Brabant in de vijftiende eeuw. In M. Damen, &L. Sicking (editors), Bourgondië voorbij: de Nederlanden 1250-1650: liber alumnorum Wim Blockmans (blz. 139-158). (Middeleeuwse studies en bronnen; Nr. 23). Hilversum: Verloren
Vrijheid Een vrijheid was een stad van tweede categorie en behoorde niet onder de macht van een heer, maar er was wel een nauw samenwerkingsverband. Er waren inkomsten die naar de vrijheid gingen, en inkomsten die naar de heer gingen. Een vrijheid had vrije burgers die bestuurd werden door schepenbanken. Wortel bezat in de 13de eeuw al een schepenbank met mensen uit de omliggende gehuchten zoals Bolk, Achtel en Houtel. In de 14de eeuw zouden deze gehuchten overgaan naar Vorsel wanneer dit ook een afzonderlijk bekrachtigd leen werd onder het bewind van Hendrik van Cuijk. In omvang werd Wortel flink gedecimeerd, maar kerkelijk behield ze nog een groot gebied. Kerkelijke en wereldlijke grenzen vielen niet altijd samen. Het aanzien van de vrijheid en het aanzien van de plaatselijke heer versterkten elkaar. Belangrijk hierbij was of de heer ook resideerde in zijn heerlijkheid. Dan was de kans op investeringen en groei het grootst. Kortweg kan men zeggen dat Jan III van Cuijk begon met het land van Hoogstraten, dat Jan IV van Hoogstraten het groot maakte, dat Antoon van Lalaing er in 1518 een graafschap van maakte en dat Nikolaas Leopold van Salm Salm er in 1740 een hertogdom van maakte. Dit alles kwam ten einde in 1794 toen de Franse periode begon en Hoogstraten zijn titels moest afgeven in 1796. Om redenen van efficiëntie begon men in 1977 met het fusioneren van dorpen tot gemeenten. Het land van Hoogstraten werd zo terug samengebracht. Inmiddels hadden zes dorpsgemeenschappen hun eigen identiteit opgebouwd en werden ze omwille van hun gezamenlijke geschiedenis weer bij elkaar gevoegd. Sommige mensen hadden het daar moeilijk mee. In 1985 verkreeg Hoogstraten de titel van stad. Dit was in een periode dat de Noorderkempen aantrekkelijk was voor inwijkelingen vanuit Nederland vanwege belastingtechnische redenen. Zoals vele dorpen in de buurt, verdubbelde de agglomeratie in omvang. miniatuur
Toerisme De term ‘Land van Hoogstraten’ wordt louter toeristisch gebruikt om de ruime regio rond Hoogstraten te promoten. Sterke punten zijn hierin het landschap en de natuurbeleving waar men goed kan fietsen en wandelen. Af en toe kom je dan een historisch gebouw tegen met verhalen uit een ver verleden.
Landsheren Joanna van Elsloo 1295: Willem van Cuijk (1265-1303) 1310: Jan III van Cuijk 1357: Jan IV van Cuijk 1363: Jan V van Cuijk 1363: Gerard III van Vorselaar 1381: Jan V van Cuijk 1382: Jan IV van Hoogstraten 1429: Frank van Borssele (leenverhef) 1471-1504: Jasper van Culemborg 1504-1508: Jan van Luxemburg-Ville 1509-1540: Antoon I van Lalaing, eerste graaf vanaf 1518 1540-1555: Filips van Lalaing, tweede graaf 1555-1568: Antoon II van Lalaing en Eleonora van Montmorency, derde graaf 1569-1590: Willem van Lalaing, vierde graaf 1590-1613: Antoon III van Lalaing, vijfde graaf 1613-1626: Karel III van Lalaing, zesde graaf 1626-1644: Albert van Lalaing, zevende graaf 1644-1691: Frans Paul van Lalaing, achtste graaf (zwakzinnig, onder voogdij) 1691-1709: Maria Gabriëlla van Lalaing, negende graaf