miniatuur|272x272px|Schilderij van heks die danst met de duivel 1820 Mayken Karrebrouck (ca. 1560 – Brugge, 1634) was een vrouw uit Brugge die tijdens de heksenvervolgingen in de Zuidelijke Nederlanden werd veroordeeld wegens vermeende hekserij. Zij bekende, na enkele uren pijniging met de halsband, dat zij op verschillende plaatsen met duivels en andere tovenaressen had gedanst. Haar dood zette een reeks van beschuldigingen op gang. In 1634 kwam ze in Brugge op de brandstapel terecht.
Achtergrond Karrebrouck was de weduwe van Guillaume Coese en woonde met haar zoon Jan in 't Viergenyckenstraatje in Brugge. Zij hield zich onder meer bezig met de verkoop van melk en room en hielp soms bij bevallingen. Karrebrouck was een arme vrouw, verloor in haar leven twee zonen en leefde van aalmoezen die ze kreeg door mensen te helpen.
Arrestatie en proces In 1633 ontstonden in Brugge meerdere klachten van inwoners die beweerden betoverd te zijn. De stedelijke schepenen stelden een onderzoek in naar mogelijke hekserij. Daarbij werden vier oudere vrouwen gearresteerd: Mayke Karrebrouck, Mayken Luucx, Cathelyne Verpoort en Catheline Ide.
Karrebrouck werd beschuldigd van het veroorzaken van ziekten en andere onheilspellende gebeurtenissen. Sommige inwoners beweerden ziek te zijn geworden na het gebruik van door haar geleverde zuivelproducten, terwijl anderen verklaarden dat zij tijdens bevallingen door haar zouden zijn betoverd.
Haar rechtstreekse buurvrouw Marie Padieu had een dochtertje die erg ziek werd. Marie verkondigde dat de ziekte bij haar dochter telkens verergerde als de hond van Mayken blafte of huilde. Als gevolg hiervan werd een vooronderzoek opgestart door de Brugse schepenbank en leidde tot haar arrestatie op 2 januari 1634.
Omdat Karrebrouck de beschuldigingen aanvankelijk ontkende, werd zij meerdere malen onderworpen aan foltering om een bekentenis af te dwingen.
Veroordeling In 1634 werd Karrebrouck samen met de drie andere beschuldigde vrouwen schuldig bevonden aan hekserij. Zij werden op de Burg in Brugge ter dood veroordeeld. Volgens het vonnis werden zij eerst gewurgd aan een paal en daarna verbrand.
Familie Haar zoon Jan Coese, een kleermaker, werd eveneens gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij hekserij. Hij werd later vrijgelaten en vermaand zich voortaan christelijk te gedragen. Hij zou verklikt zijn door een andere 'toveres' Calle Besems als speelman op de sabbat.
Historische context De veroordeling van Mayke Karrebrouck vond plaats tijdens de laatste fase van de heksenvervolgingen in de Zuidelijke Nederlanden. Tussen de 15e en het begin van de 17e eeuw werden in verschillende steden en heerlijkheden personen beschuldigd van hekserij en voor de rechtbank gebracht. De vervolgingen bereikten hun hoogtepunt in de 16e en het begin van de 17e eeuw.
Ook in Brugge kwamen dergelijke processen voor. Beschuldigingen ontstonden vaak naar aanleiding van ziekte, misoogsten of andere tegenslagen waarvoor men een bovennatuurlijke verklaring zocht. Vooral oudere vrouwen, mensen met een marginale sociale positie of personen die werkzaam waren als genezer, vroedvrouw of kruidenkenner liepen een verhoogd risico om van hekserij beschuldigd te worden.
In het Vlaamse strafrecht gold de brandstapel traditioneel als de gebruikelijke straf voor personen die wegens hekserij werden veroordeeld. Soms werd de veroordeelde vooraf gewurgd voordat het lichaam werd verbrand, een maatregel die door de rechtbank als een vorm van genade kon worden toegestaan.
De executie van Karrebrouck en haar medeveroordeelden in 1634 wordt vaak beschouwd als een van de laatste heksenexecuties in Brugge.
Zie ook Heksenlijst Vlaams Brabant en Antwerpen Heksenlijst Belgisch Limburg Heksenlijst Vlaanderen
Categorie:Slachtoffer van heksenvervolging Categorie:Zuid-Nederlands geëxecuteerd persoon (voor 1830) Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 17e eeuw