Het dwaallicht is een novelle van Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons De Ridder), waarin hoofdpersonage Frans Laarmans drie "Afghaanse" zeelui helpt met hun zoektocht naar de mysterieuze Maria Van Dam. Het verhaal speelt zich af in Antwerpen, de geboorteplaats van de auteur. De eerste druk verscheen in 1946. Het dwaallicht werd meteen ook het laatste werk in Elsschots oeuvre.
Samenvatting
Frans Laarmans slijt meestal zijn avonden in de kroeg, in plaats van na het werk meteen naar de sleur van zijn gezinsleven weder te keren. Op een regenachtige novemberavond echter, wijst de vrouw van zijn vaste krantenwinkel (die hem steevast Verbruggen noemt) hem op drie donkerhuidige matrozen die buiten haar winkel staan. Laarmans leert dat zij op zoek zijn naar een meisje, waarop ze hem een kaartje met haar naam en adres tonen: Maria Van Dam, Kloosterstraat 15. Ze vertellen hem dat zij een zakkenverstelster is die eerder bij hen aan boord was. Het drietal was zo onder de indruk van haar, dat ze haar spontaan sigaretten, een sjaal en een potje gember schonken. Laarmans probeert hen in gebrekkig Engels de weg te wijzen naar de Kloosterstraat en zet vervolgens zijn tocht naar huis verder. Bij het aanzien van hun aarzelen, besluit hij echter de drie in het verhaal als "Afghanen" betitelde zeelieden (hoewel Laarmans aanvankelijk aanneemt dat ze Indiërs zijn) zelf te gidsen tijdens hun zoektocht door Antwerpen. Hij slaagt er enkel in met de aanvoerder van het trio te communiceren, die hij meteen Ali Khan noemt. Bovendien blijkt het opgegeven adres incorrect; het viertal stoot op een winkel van vogelkooien waar Maria Van Dam onbekend is. Laarmans stelt daarop voor om te gaan informeren bij een nabijgelegen politiekantoor. Hier worden hen twee nieuwe adressen bezorgd: Zand 15 en Lange Ridderstraat 71. Door de overeenkomst met het oorspronkelijke huisnummer, besluiten ze eerst naar Zand 15 te trekken. Dit adres leidt hen tot de havenkroeg van het Carlton Hotel. Hier blijkt het begeerde meisje evenmin bekend. De drie zeelieden hebben inmiddels de hoop opgegeven en besluiten hun zoektocht te staken. Vervolgens gaan de vier een gedachtewisseling aan over de liefde, godsdienst en politiek, waardoor de verschillen tussen Oost en West aan de oppervlakte komen. Na een uitgebreide monoloog van Ali nemen ze allen afscheid. Op zijn terugweg moet Laarmans echter langs de Lange Ridderstraat 71 en hoewel hij ervan overtuigd is dat hij daar Maria Van Dam zal aantreffen, besluit hij ditmaal echt huiswaarts te keren.
Personages Frans Laarmans – Hij is zowel het hoofdpersonage als de verteller van het verhaal, die zichzelf opwerpt als leider van de drie donkere zeelui tijdens hun zoektocht door Antwerpen naar een zekere Maria Van Dam. Zijn leiderschap kan echter in twijfel worden getrokken door de zuiverheid en zekerheid die het drietal uitstraalt, in tegenstelling tot Laarmans voortdurende twijfel. In zekere zin zijn het dus ook de drie Afghanen die Laarmans leiden, en niet omgekeerd. In tegenstelling tot andere personages, schetst Elsschot een minder karikaturaal en visueel beeld van Laarmans. De beschrijving van zijn uiterlijk wordt ondergeschikt aan die van zijn psyché. De lezer leert hem voornamelijk kennen door zijn manier van denken en registreren. Laarmans' troebele gevoelens zijn grotendeels te wijten aan zijn gespleten persoonlijkheid. Enerzijds is hij een nederige huisvader met kleinburgerlijke idealen, maar anderzijds is hij een spontane romanticus die erg veel sympathie toont voor de hulpeloze matrozen, waardoor hij ook rebelleert tegen de gemeenschap waar de andere Laarmans net voor staat. Elsschot laat deze twee persoonlijkheden ook voortdurend met elkaar botsen. In het begin van het verhaal wint de romanticus van de conformist, doordat Laarmans toch maar besluit de Afghanen te begeleiden op hun queeste, in plaats van meteen huiswaarts te keren. Aan het einde draaien de rollen echter weer om; Laarmans weerstaat de verleiding om aan te bellen bij de Lange Ridderstraat 71 en laat zo de deugd winnen van wat zijn hart hem ingeeft.
De Afghanen – Deze drie zeelui, afkomstig van het vrachtschip Dehli Castle, zijn op zoek naar Maria van Dam en schakelen hiervoor Laarmans’ hulp in. Twee van hen blijven slechts randfiguren en zijn zelfs naamloos, waar de derde meteen ook gezien wordt als hun 'leider' en door Laarmans gedoopt wordt als Ali Khan. "Meer dan als personages worden ze door Elsschot gebruikt als symbool van het Oosten om op die manier de tegenstelling tussen de niet altijd zuivere gedachten van Laarmans en hun reine gevoelens voor Maria duidelijk te laten uitkomen.”
Ali Khan – Dit is niet de echte naam van het personage (deze komt de lezer nooit te weten) maar de typische Arabische jongensnaam die Laarmans geeft aan de leider van de drie Afghanen. Khan is bovendien een “Oosterse vorstentitel die in de loop der tijden door verschillende Turkse en Mongoolse heersers is gevoerd." Een bekend voorbeeld is Djengis Khan, stichter van het Mongoolse wereldrijk.
Maria Van Dam – Het meisje dat aan boord van de Dehli Castle komt als zakkennaaister* en de drie Afghaanse zeelieden een foutief adres overhandigt, waardoor zij zichzelf tot doel van hun speurtocht door Antwerpen maakt. De Dam was tevens de benaming van de havenbuurt in Antwerpen, daarom kan ze door haar naam gezien worden als 'meisje van de haven.' Haar figuur verbindt het "erotisch en geestelijk ideaal". Waar Laarmans haar aanvankelijk beschouwt als een prostituee, incarneert zij voor de Afghanen net de Liefde. Daarnaast is Maria in de novelle eerder een abstract symbool dan een personage: “Niet enkel blijft ze in het hele verhaal verborgen, ze blijkt zelfs niet eens te bestaan.”
Haroun Al-Rachid – Een naam die slechts eenmalig vermeld wordt, maar een hooggeplaatst persoon blijkt, die de drie oosterlingen bekend moet zijn. Hoogstwaarschijnlijk liet Elsschot zich inspireren door Haroen ar-Rashid, een zeer belangrijke kalief, onder wiens bewind het islamitische rijk tot grote bloei kwam. Ar-Rashid betekent bovendien ‘de rechtvaardige’. "In de Arabische verhaaltraditie wordt hij vaak als held afgeschilderd.”
Mijnheer Verbruggen – Dit is de titel die de oude juffrouw van het krantenwinkeltje aan de Melkmarkt hardnekkig gebruikt als aanspreking voor Laarmans. De inspiratie hiervoor is onbekend. Dezelfde naam zorgt in De Verlossing eveneens voor verwarring, doordat ook Pol van Domburg als ‘mijnheer Verbruggen’ wordt aangesproken. Elsschot was bovendien een Multatuli-bewonderaar; ook in Max Havelaar komt een onbelangrijke bediende Verbrugge voor.
Mohammed – Geen echt personage, maar een naam die symbool staat voor het geloof van de Afghanen. Mohammed (Mekka, ca. 570-Medina 632) is de profeet van de Islam.
Melchior – “Een van de drie wijzen of koningen uit het Oosten, die de pasgeboren Jezus met geschenken eerden in zijn stal. Een van hen was zwart, zoals de drie zeelieden, maar dat was Caspar en niet Melchior.” In het verhaal wordt de naam gebruikt als metafoor voor Ali, die eerbied toont voor een kindje in de havenkroeg.
‘Manke’ Jan – Een buurman van het Carlton Hotel, die Laarmans als referentie gebruikt om het hotel te lokaliseren.
Kortenaar – De eigenaar van het Carlton Hotel, dat eigenlijk meer een bordeel blijkt te zijn. Waarschijnlijk is hij een Nederlander met Surinaams of Antilliaans bloed, aangezien Laarmans zijn huidskleur beschrijft als "een vale kleur, iets tussen mij en Ali in".
Fathma – Opnieuw geen reële figuur in het verhaal, maar een personage uit Laarmans’ fantasie. Hij identificeert zich met de “donkere zeelieden en stelt zich voor dat hij in Bombay op zoek is naar een veelbelovend maar onbereikbaar meisje dat hij Fathma noemt, een naam die hij vindt passen bij India.” Dit is een “veelvoorkomende islamitische vrouwennaam, de alledaagse variant van Fatima, de dochter van de profeet Mohammed.”
Mevrouw Pasmans – De naam van de eigenares van de winkel in vogelkooien in de Kloosterstraat nummer 15, het adres dat volgens Ali’s briefje aan Maria Van Dam zou toebehoren. “Namen die op ‘mans’ eindigen zijn bij Elsschot alledaags.”
Frans Pasmans – De zoon van Mevrouw Pasmans, die zij roept wanneer ze zich bedreigd voelt door de donkere zeelui.
Jeanne Goethals – Een naam die Maria van Dam ook had kunnen hebben, zoals Laarmans zelf stelt. Elsschots inspiratie hiervoor is onbekend.
Kapitein Cunningham – De kapitein van de City of Rangoon, eveneens een schip dat in de Antwerpse haven ligt. “Niet geheel toevallig de naam van de vermaarde admiraal Andrew Cunningham.” Vooraleer hij opperbevelhebber was van de expeditionaire zeestrijdkrachten, was hij reeds bevelhebber op een vlaggenschip van de Britse Middellandse Zeevloot tijdens de tweede wereldoorlog, genaamd de Dehli.
Paratekst Titel De titel van Het dwaallicht kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Enerzijds verwijst het naar het "blauwachtig beweeglijk vlammetje boven moerassen en kerkhoven, ontstaan door de langzame verbranding van moerasgas", dat voor nachtelijke wandelaars een even onbereikbaar licht is als Maria van Dam blijkt te zijn op de vergeefse zoektocht van het viertal. Anderzijds kan Laarmans zelf als een figuurlijk dwaallicht voor de Afghanen worden gezien, aangezien hij als gids deels verantwoordelijk kan worden gehouden voor de mislukking van hun zoektocht. Op een meer abstract niveau, kan de titel ook in verband staan met Elsschots sceptische levensvisie: "De mens wordt altijd en overal geleid door dwaallichten". Bovendien toont Laarmans fantasie over Fathma in Bombay aan dat een dwaallicht iets universeels is en dat de mens overal ter wereld illusies nastreeft.
Opdracht De roman is opgedragen aan Paul en Jan Veen. Willem Elsschot verkocht reclame voor zowel de kleine als de grote Snoeck's Almanak. De broers Veen achter de "Gebroeders Veen's Beschuiten" adverteerden via Elsschot op de rug van de eerste editie (1942). De directe aanleiding voor de opdracht van Het dwaallicht blijft echter onbekend.
Cover Op de cover van de eerste druk uit 1946 staan de drie Afghanen samen met Laarmans, die het briefje met het adres van Maria Van Dam vasthoudt, uitgebeeld tegen een sterrenhemel. Deze illustratie op de omslag werd bezorgd door Ben Mohr en gepubliceerd bij P.N. van Kampen & Zoon NV te Amsterdam. Mohr was van begin jaren dertig tot midden jaren vijftig van de 20e eeuw een erg populaire vormgever van allerlei publicaties en mini-affiches. Naast Willem Elsschot illustreerde hij ook boeken van onder meer A. den Doolaard, Albert Helman, Jan de Hartog, A.M. de Jong, G. van Nes-Uilkens en Madelon Székely-Lulofs. Zijn karakteristieke ontwerpen zijn vooral te herkennen aan "hun grote vlakken in heldere kleuren, vaak overheersend aanwezige menselijke figuren, stevige belettering en ferme signatuur".
Structuur Compositorisch en narratologisch zit de roman vrij eenvoudig in elkaar. Het verhaal bevat een bijna symmetrische opbouw, namelijk een die gelijkt op de structuur van een klassieke tragedie. De queeste naar Maria Van Dam voltrekt zich via een typische spanningsopbouw, die zich als volgt ontwikkelt:
Stemmingsinleiding: De stemming van het verhaal wordt bepaald door het begin van de roman, waar op een sombere novemberavond het al even sombere leven van Laarmans wordt geschetst. De expositie: De aanhef van dit deel wordt verzorgd door de uitroep van de krantenjuffrouw: "Kijk, drie rijstkakkers!". De personages worden hier voorgesteld aan de hand van hun karaktertrekken en uiterlijke kenmerken. Meer bepaald zijn dit de drie vreemde zeemannen die zich overdreven beleefd gedragen en gecontrasteerd worden door de "racistisch bevooroordeelde landgenoten". Dit contrast zet ook al meteen de meeste motieven uiteen. Motorisch moment: Dit is het moment waarop Laarmans zich gelijkstelt met de drie Afghanen. Hij beseft dat hij een gelijkaardige droom heeft, enkel neemt de sacrale vrouw hier de identiteit van Fathma aan.