Dit artikel behandelt de seksualiteit in het Romeinse Rijk tussen ca. 750 v.Chr. en 476 na Chr.

Huwelijk Een van de aspecten van een wettig huwelijk bij de Romeinen wasKiefer (zie literatuur), Duitse versie pag. 15-21; Engelse versie pag. 20-27., dat daarmee het meisje, de bruid, overging van het gezag van haar vader naar het gezag, oftewel ‘in de hand’ (in manum), van haar echtgenoot. Tot het jaar 445 v.Chr. was zo’n wettelijk huwelijk echter alleen mogelijk voor patriciërs onderling; dit ceremoniële huwelijk heette confarreatio. In dat jaar wordt, in de zogenaamde Lex Canuleia van volkstribuun Canuleius, dit huwelijk ook opengesteld voor een patriciër met een plebejer.

Voor plebejers onderling bestond wel, misschien sinds de 6e eeuw v.Chr., een vorm van civielrechtelijk huwelijk genaamd coemptio, maar dit had niet het juridische effect dat de vrouw overging naar de familie (gens) van de echtgenoot. Bovengenoemde wet van Canuleius maakte, dat voortaan de juridische effecten van coemptio gelijk waren aan die van confarreatio.

Een derde vorm van huwelijk was het huwelijk door ‘gewoonte’, ‘usus’. In ongeveer 451 v.Chr. was in de Twaalftafelenwet bepaald dat als man en vrouw een jaar lang zonder onderbreking samenleefden, hun relatie gold als civielrechtelijk huwelijk. Vanaf Lex Canuleia hield dat dus ook in, dat de vrouw dan in de ‘hand’ van de echtgenoot kwam. Wilde de man of de vrouw die juridische consequentie vermijden, dan moesten ze zorgen per jaar drie nachten op rij niet samen te zijn. Het huwelijk was dan wel civielrechtelijk erkend, maar de vrouw vermeed ‘manus’, oftewel de totale onderworpenheid aan haar echtgenoot.

Gezinsleven De Romeinse samenleving was in de vroege keizertijd (ca. 27 v.Chr. – 284 na Chr.) minder dan bij de Grieken een mannenmaatschappij. De vrouw had in het gezin als mater familias bepaald een centrale positie. In het publieke leven trad zij meer naar voren dan bij de Grieken gebruikelijk was. Zij kon echter in het publieke leven geen openbare functie vervullen, openbare functies waren toebedeeld aan de man.

Buitenechtelijke liefde thumb|Muurschildering in het ‘House of the Epigrams,’ (huis van de epigrammen) in Pompeï. Naast huwelijk bestonden er van oudsher vrije, buitenechtelijke seksuele relaties, en die zouden ook altijd blijven voortbestaan.Kiefer (zie lit.), Duitse versie p.13-14 en 61; Engelse versie p.18 en circa 68-71. Vrouwen in Rome met buitenechtelijke sekscontacten warenKiefer Duitse versie p.57-65; Engelse versie p.66-73. hetzij slavinnen, hetzij vrijgelatenenOver vrijlaten van slaven, zie Slavernij in de oudheid#Slavernij in Rome, hetzij vrij levende vrouwen uit hogere standen. Dichters, filosofen, maar ook mannen zoals generaal/politicus/dictator Sulla, en advocaat/politicus Cicero, verkeerden graag met vrije gezellinnen zoals toneelspeelsters, danseressen, harpspeelsters en andere muzikantes.

Concubinaat De Romeinen kenden naast het huwelijk het zogenoemde concubinaat. Bij de Romeinen was het concubinaat – anders dan bij de Grieken – slechts toegestaan aan niet-gehuwde mannen. In Rome waren de regels, ook wat het erfrecht van kinderen uit het concubinaat betreft, strenger dan bij de Grieken. Voor soldaten was het in de tijd van Augustus verboden om te huwen. Vandaar dat het concubinaat toen veel voorkwam. Ook was er uitvoerige wetgeving voor met name de kinderen uit het soldatenconcubinaat geboren.

Homoseksualiteit en pederastie

Pederastie mocht dan weliswaar niet zo breed gedragen zijn als in het oude Griekenland, toch was het net als pedofilie, zij het uitsluitend in de omgang met slaven, ook in het Romeinse Rijk een algemeen aanvaarde praktijk. Het geliefde slavenkind of schandknaapje ('lustknaap') waarmee vrije, voorname mannen toen seksuele betrekkingen hadden, werd een delicium-kind genoemd.Laes, Christian, Kinderen bij de Romeinen, Zes eeuwen dagelijks leven, Davidsfonds, Leuven, 2006, p. 284

Prostitutie

Uit de vroegste Romeinse eeuwen zijn geen betrouwbare gegevens bekend over prostitutie of bordelen. Ongeveer vanaf komediedichter Plautus, rond 200 v.Chr., zijn vermeldingen bekend van bordelen, onder de namen lustrumZie Asinaria van Plautus (zie externe links en literatuur). (= dierenhol) (Plautus), lupanar (= wolvinnenhol) (Juvenalis, Catullus, Petronius) en fornix (= gewelf, boog) (Livius, Horatius, Martialis). De bordeelprostituees waren vermoedelijk vooral slavin, eventueel geroofd of ontvoerd.

Zeker vanaf Plautus is de term meretrix (letterlijk: ‘zij die verdient’) gebruikelijk voor de vrouw die met seks haar brood verdient. Op zeker moment wordt de meretrix wettelijk gedefinieerd als: de vrouw die de kost verdient met haar lichaam.Bullough (zie lit.), pag. 45. Deze prostituees (maar ook eerbare weduwen die seksueel actief waren) waren wettelijk verplicht zich bij de aedilis als meretrix te laten registreren in een speciaal daarvoor bestemde rol of register. Tegen betaling van een vectigalia meretricum (keizerlijke taks) verleende de aedilis hun dan een licentia stupri, 'een vergunning om ontucht te plegen', met name om zich te prostitueren.Brundage, James A., Law, Sex, and Society in Medieval Europe, The University of Chicago Press, London, 1990, p. 25 Het register vermeldde niet alleen de naam, de geboorteplaats en de leeftijd van de sekswerkster maar ook haar pseudoniem en de maximumtarieven die zij haar klanten mocht aanrekenen. Bedoeling van de registratie (die onomkeerbaar was) was niet zozeer om de schatkist te spijzen maar vooral om te verhinderen dat 'infame' (oneerbare) vrouwen via een relatie of een (verboden) huwelijk met hun klanten konden opklimmen op de sociale ladder.Altink, Sietske, Geschiedenis van de registratie van sekswerkers, Sekswerk erfgoed, 7 juli 2013

Buiten de bordelen waren er zelfstandig rondzwervende prostituees, aangeduid met vele namen, zoals: scorta erratica (= ronddwalende geliefden), noctilucae (lichtjes in de nacht), ambulatrices (wandelaarsters), bustiariae (begraafplaatswerksters), diabolariae (tweestuiversmeisjes).

Reacties op prostitutie Citaten die morele oordelen over prostitutie suggereren mogen voor zichzelf spreken:

Plautus, komedie Poenulus (circa 212-184 v.Chr.), proloog, vers 87-90: “De man die hen ontvoerde (…) verkocht hen, de voedster en de [twee] zusjes, voor contant geld aan een mens – als een lenoDe term leno (vrouwelijk lena) is moeilijk te vertalen en werd in minstens twee betekenissen gebruikt. Enerzijds voor de man (of vrouw) die kamertjes verhuurt aan vrouwen die als min of meer zelfstandige prostituee werken; anderzijds voor hem die een seksbedrijf leidt waar slaven of vrijgelatenen tegen een karig loon zijn tewerkgesteld (bron: Bullough, pag.47, verwijzend naar Julius Rosenbaum - The Plague of Lust: Being a History of Venereal Disease in Classical Antiquity (1901), pag.91). geldt als mens – zo vervloekt als niemand anders op aarde”.Plautus, Poenulus, proloog verzen 87-90: ”eas qui surripuit, (…) vendit eas omnis, et nutricem et virgines, praesenti argento homini, si leno est homo, quantum hominum terra sustinet sacerrumo.” (Bron: zie externe links en literatuur.)

Cicero zegt, in een pleidooi (Pro Caelio, 56 v.Chr.) voor een jongeman die kennelijk een nogal vrij liefdesleven wordt aangewreven: “Maar als er iemand is die seks met meretrices’meretrix’, meervoud ‘meretrices’, betekent, letterlijk vertaald: ‘zij die verdient’. voor de jeugd als verboden beschouwt, is die persoon wel zeer streng (dat kan ik niet ontkennen), maar staat hij afkerig niet alleen van de vrijheid die men zich tegenwoordig veroorlooft, maar ook van de gewoontes en toegevendheid van onze voorouders. Want wanneer was dat niet gebruikelijk, wanneer werd het afgekeurd, wanneer niet toegestaan, wanneer ten slotte zou dat, wat de mens vrijstaat, hem niét vrijgestaan hebben?”Cicero, Pro Caelio, § 48: “Verum si quis est, qui etiam meretriciis amoribus interdictum iuventuti putet, est ille quidem valde severus (negare non possum), sed abhorret non modo ab huius saeculi licentia, verum etiam a maiorum consuetudine atque concessis. Quando enim hoc non factitatum est, quando reprehensum, quando non permissum, quando denique fuit, ut, quod licet, non liceret? ” (Zie externe links en literatuur.)

Horatius bespreekt in sermo (satire) I-2 (35 v.Chr.) de voor- en nadelen van het hebben of najagen van seks met verschillende categorieën vrouwen, en zegt daarin onder meer: “Toen een bekende man uit het bordeel naar buiten kwam deed Cato deze prachtige uitspraak: ‘Gefeliciteerd met uw mannelijk gedrag! Want als walgelijke lusten de aderen doen zwellen is het billijk als jongemannen hierheen komen, en niet de echtgenotes van anderen fijn malen’ ”Horatius, sermo I-2, vers 31-34: “quidam notus homo cum exiret fornice, 'macte virtute esto' inquit sententia dia Catonis; 'nam simul ac venas inflavit taetra libido, huc iuvenes aequom est descendere, non alienas permolere uxores.' ” (Zie externe links en literatuur.); “Van [intieme omgang] met danseressen of meretrices lijdt je goede naam meer schade dan je vermogen”.Horatius, sermo I-2, vers 58-59: “verum est cum mimis, est cum meretricibus, unde fama malum gravius quam res trahit. ” (Zie externe links en literatuur.)

Seneca de oudere beschrijft in zijn boek Controversiae 2 (37 na Chr.), thema 4, fragmenten uit debatwedstrijden, met in dit geval als fictief debatthema: een meretrix krijgt, samen met een man die verstoten was door zijn vader, een zoontje; vervolgens sterft de jonge vader; vervolgens adopteert die grootvader het kleine jongetje. Dit debatthema inspireerde diverse van de debatwedstrijddeelnemers tot onder andere deze uitspraken:

“Hij liep een meretrix tegen het lijf die, naast al haar andere fouten, ook nog vruchtbaar bleek te zijn”Seneca de oudere, Controversiae boek 2 nr. 4 (diverse debatwedstrijddeelnemers): ”Incidit in meretricem inter omnia mala etiam fecundam” (Bronnen: zie literatuur en Externe links) “Ik vraag jullie, is het niet beter een meretrix te beminnen dan niemand?””rogo vos: non satius est meretricem amare quam neminem?” “Het zou eervoller voor de meretrix geweest zijn als ze de jongen zelf had grootgebracht, dan het was dat ze hem ter wereld bracht””Quem honestius subiecit meretrix quam peperit” “Zijn ze [= de rechters] streng, dan laten ze in het nadeel van hem [= de grootvader] gelden dat hij de zoon van een meretrix opnam; zijn ze toegevend dan rekenen ze hem aan dat hij zijn eigen zoon verstootte””si severi sunt, nocebit isti quod recepit meretricis filium; si clementes, quod abdicavit suum” “Zal er dus een meretrix naar mijn huis komen? Of, nog schandelijker: zal mijn zoon naar haar toegaan?””in domum ergo meam meretrix veniet aut, quod turpius est, filius ad illam ibit” ”Hij heeft niets misdaan: hij bemint een meretrix; dat is gebruikelijk, hij is jongvolwassen; wacht rustig af, hij zal zich beteren; hij zal een vrouw huwen””nihil, inquit, peccaverat: ‘amat meretricem’; solet fieri, adulescens est; expecta, emendabitur; ducet uxorem”

Slaven en vrijgelatenen In een debatwedstrijd rond een fictieve situatie waarin een vrijgelatene wordt verweten concubinus (= mannelijke concubine) te zijn geweest van zijn meester, zegt een debatdeelnemer ter verdediging van die vrijgelatene: “zedeloosheid is schandelijk in een vrijgeborene, noodzaak voor een slaaf, dienstvaardigheid voor een vrijgelatene”.”Impudicitia in ingenuo crimen est, in servo necessitas, in liberto officium” (Seneca de oudere - Controversiae IV praef. 10) Men moet weliswaar bedenken dat in zulke debatwedstrijden de deelnemers zochten naar de pakkendste, best bekkende oneliner, desnoods ten koste van alle nuance, desalniettemin geeft deze uitspraak ongetwijfeld iets weer van de rolverdeling in de sekseconomie destijds.

Huwelijks- en seksuele moraal Straffen op echtbreuk