Transilien is de merknaam voor de voorstadstreinen en de tramtreinen die de SNCF rijdt in opdracht van de regio Île-de-France, de hoofdstedelijke regio van Parijs. De naam "Transilien" is een woordspeling op "Francilien", het bijvoeglijk naamwoord van Île-de-France.
Transilientreinen vertrekken vanaf de Parijse kopstations, het station van zakenwijk La Défense en RER-stations (hoewel veel van de RER-stations in het centrum worden beheerd door de RATP). Alle Transiliendiensten samen vervoeren 2,9 miljoen reizigers per dag.
Geschiedenis Het spoornetwerk De eerste lijn naar de banlieue van Parijs werd geopend op 26 augustus 1837. De route ging van Gare Saint-Lazare naar Le Pecq. De spoorlijn werd gezien als de sleutel tot de westelijke voorsteden. Op 1 oktober 1972 werd de lijn overgedragen aan de RER en begon de dienst als de RER A.
Kopstations thumb|Kaart van 1937 die de ringlijn en de kopstations toont in en rond Parijs Na deze eerste spoorlijn bouwden enkele grote spoorwegmaatschappijen ieder een of meer kopstations om toegang tot de Parijse binnenstad te krijgen. Dit zijn de stations: Gare Austerlitz (1840): Hoofdstation van de Compagnie du Chemin de fer de Paris à Orléans (PO) Station Paris Montparnasse (1840): Een van de twee Parijse stations van de Compagnie des chemins de fer de l'Ouest. Het heette bij opening "gare de l'Ouest – Rive gauche", naar het feit dat de spoorlijnen vanuit dit station de linkeroever van de Seine bedient. Dezelfde maatschappij gebruikte ook station Saint-Lazare, voor de bediening van de rechteroever. Gare du Nord (14 juni 1846): Hoofdstation van de Compagnie des chemins de fer du Nord Gare de Lyon (12 augustus 1849): Hoofdstation van de Compagnie des chemins de fer de Paris à Lyon, later de Compagnie des chemins de fer de Paris à Lyon et à la Méditerranée (PLM) Gare de l'Est (1854): Hoofdstation van de Compagnie du chemin de fer de Paris à Strasbourg (later Compagnie de l'Est). Het station heette bij opening 'Embarcadère de Strasbourg", daar Straatsburg het eindpunt was van de lijn die op het station begon. Na de aanleg van de spoorlijn naar Mulhouse werd het station hernoemd naar de huidige naam.
Daarnaast kwamen er drie kleinere kopstations hoofdzakelijk voor het voorstadvervoer. Dit zijn: Station Denfert-Rochereau (7 juni 1846): eindpunt van de Ligne de Sceaux, een voorstadslijn die later overgenomen is overgenomen door de RATP. De lijn maakt nu deel uit van de RER B, het station is nu geen kopstation meer. Station Paris-Bastille (22 september 1859): eindpunt van de Ligne de Vincennes, een voorstadslijn die aangelegd is door de Compagnie des chemins de fer de l'Est. Het station is in 1969 gesloten, en daarna gesloopt, vanwege de verbouwing van de ligne de Vincennes tot een deel van de RER A. Station Invalides (5 juli 1893): eindpunt van de Ligne des Invalides, een voorstadslijn die aangelegd is door de Compagnie de l'Ouest. Het station werd gebouwd ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling van 1900 en is vernoemd naar het nabijgelegen Hôtel des Invalides. Vanuit dit kopstation reden er voorstadtreinen naar Versailles en Puteaux, dicht bij La Défense. Sinds 1979 maakt het station deel uit van RER C.
Uitbreiding spoornet en ringlijnen De grote spoormaatschappijen bouwden naast hun nationale hoofdlijnen veel zijlijnen om de in ontwikkeling zijnde voorsteden van Parijs te bedienen. Om op de hoofdlijnen de stoptreindiensten te scheiden van de langeafstandstreinen werden veel hoofdlijnen viersporig. Door deze scheiding, en de aanwezigheid van concurrerende spoorwegmaatschappijen, ontstonden verschillende voorstadsnetten die grotendeels onafhankelijk geëxploiteerd werden van het landelijk spoorwegnet.
Er waren geen doorgaande verbindingen binnen Parijs, en het aantal aansluitingen tussen de verschillende netwerken buiten Parijs was klein. Vrij snel na de start van de ontwikkeling van het Parijse voorstadsnetwerk werd besloten tot de aanleg van een ringlijn binnen de stadsmuren van Parijs. Deze Ligne de Petite Ceinture verbond alle kopstations van de verschillende spoormaatschappijen, en kende een hoge frequentie. De bouw van deze ringlijn begon in 1852 en eindigde in 1869. Door de groei van het nieuwe Parijse metronetwerk werd het belang van de ringlijn steeds minder. Nadat het reizigersvervoer in 1934 gestaakt werd, is de lijn nooit officieel gesloten, enkele delen werden later opgenomen in de RER C.
Voor de wereldtentoonstelling van 1900 werd een verbindingslijn aangelegd tussen vanaf Boulainvilliers op de ringlijn naar Champ de Mars. Hierdoor kon een treindienst gereden worden tussen het Gare Saint-Lazare en Invalides. Zowel deze verbindingslijn als een deel van de ringlijn werd later opgenomen in de RER C.
Ten behoeve van het goederenverkeer werd de Ligne de la Grande Ceinture de Paris aangelegd, een ringlijn die de verschillende netwerken verbond, en het centrum van Parijs meed. Hoewel de lijn oorspronkelijk alleen bedoeld was voor goederentreinen, worden enkele delen van deze lijn ook gebruikt door de RER C en door doorgaande TGV's.
Trains-tramways Naast de reguliere spoordiensten onderhielden de spoorwegen zogeheten "trains-tramways", tramdiensten over lichte zijlijnen, met hogere frequenties. Een knooppunt voor deze lijnen was La Plaine-Tramways, een overstaphalte aan de spoorlijn Paris-Nord - Lille, tussen het Gare du Nord en het huidige station Stade de France - Saint-Denis.
Elektrificatie Vanaf het begin van twintigste eeuw werden steeds meer voorstadslijnen geëlektrificeerd met 500-750 volt gelijkspanning met derde rail.De bronnen vermelden verschillende spanningen en deze zijn in de loop van de tijd verhoogd. Dit betrof de voorstadslijnen vanuit Saint-Lazare, Austerlitz en Invalides. De Compagnie du Chemin de fer de Paris à Orléans (PO) wilde vanaf het kopstation Gare Austerlitz haar treinen doortrekken naar het hart van de stad. Hiervoor is in 1900 een elektrische lijn aangelegd onder de kade van de linkeroever van de Seine naar het Gare d'Orsay, met een halte in Saint-Michel. Een deel van de langeafstandstreinen (met stoomlocomotief) werden met een elektrische locomotief gesleept van station Austerlitz tot het Gare d'Orsay. Later is deze lijn opgenomen in de RER C.
In 1936 is voor het laatst elektrificatie door middel van derde rail toegepast, op het voorstadnet van station Saint-Lazare. Alle lijnen die met derde rail geëlektrificeerd waren, zijn later voorzien van bovenleiding. De laatste spoorlijn waar nog een derde rail gebruikt werd, de spoorlijn Puteaux – Issy-Plaine, is in 1993 gesloten en geschikt gemaakt voor tramlijn T2.
De eerste elektrificatie met 1500 V gelijkspanning werd in 1926 toegepast op de hoofdlijn van Gare d'Austerlitz naar Orléans. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd ook 25 kV wisselspanning gebruikt, op de voorstadnetten in het noorden en noordoosten.
Vandaag de dag zijn er in de streek slechts enkele niet-geëlektrificeerde spoorlijnen die voor reizigersdienst gebruikt worden. Dit zijn: Tournan – Longueville – Provins Trilport – La Ferté Millon Speciaal voor deze lijnen zijn hybride B 82500 treinstellen gekocht, die elektrisch onder bovenleiding kunnen rijden en met een dieselmotor zijn uitgerust om op niet-geëlektrificeerde trajecten te rijden.
Merknaam 'Transilien' thumb|Expositie en promotie van de nieuwe Z 50000 'Francilien'treinen in 2008 De verschillende voorstadsnetten werden als een onderdeel van de spoornetten van de grote spoormaatschappijen geëxploiteerd, zonder dat er veel samenhang was tussen de verschillende netwerken. De nationalisatie en fusie van de spoorwegmaatschappijen in 1938 veranderde daar weinig aan. De SNCF was opgedeeld in vier sectoren die grotendeels gelijk liepen met de spoornetten van de oude maatschappijen. Onder druk van de lokale overheid werden wel tariefintegratie en zonetarief geïntroduceerd.
In het kader van de Franse regionalisatie kregen de Franse regio's vanaf 1984 veel bevoegdheden om zelf hun regionaal spoorvervoer te beheren. Deze TER-netwerken kregen, doordat zij direct vanuit de regio's bestuurd werden, een sterke regionale identiteit, met een eigen huisstijl. In Île-de-France was de behoefte tot decentralisatie er ook, maar duurde dit tot 1999. Na de decentralisatie werd de organisatie van de treinen in de regio overgedragen aan het Syndicat des transports d'Île-de-France.
Samen met de decentralisatie werd de naam Transilien geïntroduceerd. Gedeeltelijk was dit noodzaak: de treinen naar de voorsteden van Parijs werden geteisterd door criminaliteit, vandalisme en hadden de reputatie voor sociale onveiligheid. Door het introduceren van een nieuwe merknaam is geprobeerd het oude slechte imago kwijt te raken. Ter behoeve van de verbetering van de sociale veiligheid is speciale politieafdeling opgezet, de Police régionale des transports, die samenwerkt met de veiligheidsdiensten van de RATP en SNCF.special noodnummerde GPSR (Groupe de protection et de sécurisation des réseaux) van de RATP en de Suge (Surveillance générale), de bedrijfspolitie van de SNCF
Sinds de start van Transilien in 1999 is het aantal reizigers flink toegenomen. Tussen 2002 en 2012 steeg het totale aantal reizigers met 30%, tot 2,9 miljoen reizigers per dag. Hausse du trafic: SNCF et RFF mobilisés, op lefigaro.fr
Lijnbenamingen Na de start van Transilien werd het netwerk opgedeeld in vijf deelnetten, die alle een Parijs kopstation omvatten. De lettering liep door na de RER-lijnen. Er werden geen klinkers gebruikt. De lijnen werden oorspronkelijk nauwelijks naar de reizigers toe gebruikt. De tabel hieronder toont de verdeling van de letters: Benaming Transiliendeelnet Lijn F Saint-Lazare Lijn G Montparnasse Lijn H Nord Lijn J Est Lijn K Lyon
Eind 2004 is de benaming aangepast. Voortaan werd lijn F gesplitst in de lijnen J en L, en lijn H in H en K. Nieuw was de lijn U, die voorheen onder twee lijnen viel. De overige lijnen kregen een andere letter, op willekeurige basis.Site personnel d'Aurélien Baro – «Les codes-missions RATP/SNCF, mode d'emploi» Voortaan waren er acht lijnen. De onderstaande tabel laat de veranderingen zien:
Benaming na 2004 Benaming voor 2004 Details Lijn H Lijn H - Lijn J Lijn F Groepen IV, V en VI van de sporenbundel rond Saint-Lazare Lijn K Lijn H Verbinding Paris-Nord – Crépy-en-Valois Lijn L Lijn F Groepen I, II en III van de sporenbundel rond Saint-Lazare Lijn N Lijn G - Lijn P Lijn J - Lijn R Lijn K - Lijn U Lijn F / Lijn G -
Op 20 november 2006 is tramlijn T4 als negende niet RER-lijn aan het Transiliennetwerk toegevoegd. De afwijkende naam slaat op het tramnetwerk van Île-de-France, waar zij deel van uitmaakt, ondanks het feit dat zij geëxploiteerd wordt door de SNCF.
Op 1 juli 2017 werd de 10e niet-RER-lijn van het Transilien-netwerk in gebruik genomen: het is de tram-treinlijn T11 die Épinay-sur-Seine verbindt met Le Bourget, in Seine-Saint-Denis.
Op 6 juli 2022 werd de 11e niet-RER-lijn van het Transilien-netwerk in gebruik genomen: het is de tram-treinlijn T13 die Saint-Germain-en-Laye verbindt met Saint-Cyr, in de Yvelines.
Op 4 december 2023 werd de 12e niet-RER-lijn van het Transilien-netwerk in gebruik genomen: het is lijn V van de Transilien die Versailles-Chantiers verbindt met Massy - Palaiseau.
Op 10 december 2023 werd de 13e niet-RER-lijn van het Transilien-netwerk in gebruik genomen: het is de tram-treinlijn T12 die Massy - Palaiseau verbindt met Évry-Courcouronnes, in Essonne.
Op 22 maart 2025 werd de 14e niet-RER-lijn van het Transilien-netwerk in gebruik genomen: het is de tram-treinlijn T14 die Esbly verbindt met Crécy-la-Chapelle, in Seine-et-Marne.
Transilien vandaag thumb|Transilienvoorstadstrein type Z50000 op het station van Luzarches, Val-d'Oise