thumb|300px|Zalmoxes Zalmoxes is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Roemenië.
De eerste fossielen van Zalmoxes werden rond 1895 ontdekt op het familielandgoed van de befaamde avonturier Franz Nopcsa. Die benoemde in 1899 de typesoort van het geslacht: Mochlodon robustum. Van die soort werd later vrij veel materiaal gevonden. In 2003 werd het geslacht zelf vernoemd naar een Dacische godheid. De nieuwe geslachtsnaam leverde samen met de oude soortaanduiding de nieuwe soortnaam Zalmoxes robustus op. Meteen werd een tweede soort benoemd: Zalmoxes shqiperorum. Ook die is gebaseerd op botten uit Roemenië.
Zalmoxes robustus was ongeveer drie meter lang en honderd kilogram zwaar. Hij was wat kleiner dan zijn directe verwanten. Volgens Nopcsa was het dier een soort dwerg geworden doordat hij op een eiland leefde met weinig voedsel. Zalmoxes had een erg grote en stevige kop die in staat was harde plantendelen te vermalen. Hij was een gedrongen tweevoeter met stevige achterpoten. Zijn romp werd in evenwicht gehouden door de staart. Zalmoxes shqiperorum was groter, zo'n vierenhalve meter lang.
Zalmoxes is een nauwe verwant van Rhabdodon binnen de Rhabdodontidae.
Vondst en naamgeving thumb|Slot Nopcsa Op het eind van de negentiende eeuw vond baron Franz Nopcsa in het Haţegbasin van Transsylvanië, een gebied dat toentertijd onder de Hongaarse kroon deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije, een groot aantal botten van kleine euornithopode dinosauriërs. Volgens de memoires van Nopcsa ontdekte zijn oudere zuster Ilona in 1895 de eerste beenderen in de oever van een rivier op hun landgoed te Sânpetru bij wat nu Sântămăria-Orlea heet en indertijd Szentpéterfalva. De vondsten zouden de reden voor de achttienjarige Nopcsa zijn geweest om in Wenen geologie te gaan studeren. Een gedeelte van het materiaal wees Nopcsa toe aan de uit Oostenrijk bekende soort Mochlodon suessii. Andere beenderen, die wat forser waren, benoemde hij in 1899/1900 als een tweede soort: Mochlodon robustum. In 1915 kwam Nopcsa tot de conclusie dat ze nauwer verwant waren aan de Franse Rhabdodon en hernoemde de soort tot Rhabdodon robustum, wat in 1990 door George Olshevsky geëmendeerd werd tot Rhabdodon robustus aangezien het Griekse odoon mannelijk is in plaats van onzijdig. Sommige auteurs achtten de soort identiek aan een Rhabdodon suessi of aan Rhabdodon priscus. left|thumb|De Europese Archipel in het Opper-Krijt In 2003 echter benoemden David Bruce Weishampel, Coralia-Maria Jianu, Zoltan Csiki en David Bruce Norman een apart geslacht: Zalmoxes. De naam is een variant van de Dacische godheid Zalmoxis, die zich steeds voor drie jaar in een ondergrondse crypte terugtrok om het vierde jaar als symbool van onsterfelijkheid te herrijzen; evenzo had Zalmoxes in de grond verborgen gelegen om door toedoen van Nopcsa uit zijn graf bevrijd te worden en taxonomische onsterfelijkheid te verwerven. De typesoort van het geslacht is als zodanig Mochlodon robustus, gerecombineerd tot de combinatio nova Zalmoxes robustus.
Het holotype, BMNH R.3392, bestaat uit een rechteronderkaak gevonden in de Sãnpetruformatie die dateert uit het bovenste Maastrichtien, ongeveer 67 miljoen jaar oud. Vele honderden andere specimina zijn aan de soort toegewezen zodat nu het grootste deel van het skelet bekend is, met uitzondering van het puntje van de staart, de handen en de voeten.
Dezelfde auteurs benoemden in 2003 een tweede soort van het geslacht: Zalmoxes shqiperorum. De soortaanduiding verwijst naar Shqiperia, Albanees voor Albanië, omdat Baron Nopcsa eens een poging deed koning te worden van dit land. Het holotype is BMNH R.4900, een gedeeltelijk skelet van een volwassen dier gevonden bij Vurpǎr dat Nopcsa in 1928 beschreef als "Individu I". Een tweede skelet van een jong dier is aan de soort toegewezen alsmede enkele losse botten. Niet alle onderzoekers zijn van het bestaan van deze soort overtuigd.
In 2005 werd het materiaal van Mochlodon suessii door Sven Sachs en Jahn J. Hornung provisorisch toegewezen aan een Zalmoxes sp.; indien echter beide vormen inderdaad identiek zouden zijn dan heeft de naam Mochlodon prioriteit.
In 2022 werden twee hersenpannen die aan Zalmoxes waren toegewezen, bij Telmatosaurus ondergebracht.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken van Zalmoxes robustus thumb|Zalmoxes in grootte vergeleken met andere Iguanodontia Zalmoxes is een kleine tot middelgrote tweevoetige planteneter. Het langste bekende dijbeen van Z. robustus heeft een lengte van 333 millimeter wat wijst op een lengte tegen de drie meter en gewicht van rond de honderd kilogram. De bouw is tamelijk gedrongen met een grote kop die grote tanden draagt, korte dikke nek en een bolle rug die overgaat in een iets aflopende vrij korte staart. Deze kenmerken zijn door Nopcsa verklaard als een geval van dwergvorming: het Haţegeiland, deel van de Europese Archipel, zou te klein geweest zijn om al te grote dieren te voeden en Zalmoxes zou dan afstammen van veel grotere voorouders waarvan bepaalde robuuste trekken bewaard bleven.
De beschrijvers wisten een groot aantal onderscheidende kenmerken vast te stellen, de meeste in de schedel. Het buitenste zijvlak van het quadratum vormt een ingewikkeld raakvlak met het quadratojugale dat ook een facet heeft dat aan het squamosum raakt. De fenestra posttemporalis is naar achteren verschoven en tot een foramen, opening, in het squamosum geworden. Het squamosum heeft geen verruwing als peesaanhechting voor de Musculus adductor mandibulae externus superficialis. Het postorbitale heeft een gekromde richel op het buitenoppervlak. De voorste bovenrand van het bovenste slaapvenster wordt gevormd door het postorbitale. Het voorhoofdsbeen heeft een ingewikkelde dwarse beennaad die het slaapbeen overgroeit. Dit been draagt bij enkele exemplaren ook een dwarskam, een mogelijk geval van seksuele dimorfie. De quadrata zijn zijdelings gespreid wat het achterhoofd een driehoekige vorm geeft. Het quadratojugale is groot en schijfvormig. Het predentarium van de onderkaken is massief gebouwd met gepaarde onderuitsteeksels. Boven de voorste bovenrand van het surangulare bevindt zich een verkleind buitenste fenestra mandibularis, opening in de achterste zijwand van de onderkaak, die overlapt wordt door het dentarium. Het surangulare heeft een secundair foramen en bovenaan een scherp uitsteeksel. In het bekken is et voorblad van het darmbeen nauw en gedraaid; nauw is ook de bovenrand van het heupgewricht door dat darmbeen gevormd. Het zitbeen heeft geen processus obturatorius, een verheffing aan de basis als spieraanhechting. De schacht van het zitbeen is naar boven gekromd. De beschrijvers wezen erop dat veel kenmerken wellicht alleen maar uniek lijken doordat de toestand bij de verwanten, Rhabdodon en Mochlodon, onbekend is; het fossiele materiaal van die soorten is erg beperkt.
Skelet Schedel thumb|De schedel De schedel van Zalmoxes is van bovenaf bezien sterk driehoekig met een zeer spitse snuit. Snuit en onderkaken dragen een puntige hoornsnavel die geschikt was om selectief hoogwaardig voedsel af te bijten; in de habitat van Zalmoxes groeiden Sphenophyta, varens, Pteridophyta en angiospermen. De achterkant van de kop heeft een opstaande dwarsrichel als aanhechtingsvlak voor de sterk nekspieren. Daarmee kon een rukkende beweging gemaakt worden. Het plantenmateriaal werd in stukken geknipt door per zijde tien tanden in zowel boven- als onderkaak. De jongen hebben maar acht tandposities.
De spitse snuit gecombineerd met een brede achterkant impliceert dat het gedeelte vóór de oogkas relatief klein is. De schedel als geheel is echter opvallend groot ten opzichte van het lichaam. De bovensnavel hangt iets af. De spitsheid van de snuit wordt weerspiegeld door de korte opgaande tak van de praemaxilla. De tak richting bovenkaaksbeen is kort. De uitholling rond het neusgat is, voor een euornithopode, beperkt van omvang en door een kanaal verbonden met de interne verhemelteplaat van de praemaxilla. De fossa holt desalniettemin het grootste deel van de zijwand van de snavel uit. De snijrand van de tandeloze praemaxilla is glad en scherp; meer naar boven is de botwand ruwer als aanhechting voor de hoornsnavel. De praemaxillae vormen intern een brede platte verbinding met elkaar voorzien van groeven voor stevige kapsels. Deze plaat is aan de achterzijde in het midden voor een centimeter ingekeept om de voorste afgeplatte pennen van de bovenkaaksbeenderen te ontvangen. Het bovenkaaksbeen vormt een robuuste driehoek, tweemaal langer dan hoog. Achter de tak naar het neusbeen ligt de kleine fenestra antorbitalis. Het bovenkaaksbeen overhangt de tandrij sterk; wellicht was dit bij het levende dier bedekt met een vlezige wang om te kauwen. De tandrij bestaat uit tien tandposities. Het bovenkaaksbeen heeft achteraan een golvende rand, schuin afzakkend, als contact met het hoge jukbeen. Het traanbeen is een grote trapeziumvormige plaat, aan de binnenzijde ingedeukt door het kanaal naar het foramen dat het midden van het bot doorboort. De buitenzijde is licht bol.
Het neusbeen is vrij breed, een geleidelijk oplopend bol bovenprofiel van de snuit vormend. De onderkant van de verbonden neusbeenderen toont een lengterichel die de neusholte in tweeën deelt. In 2003 werd dit gezien als de mogelijke basis van een turbinaat, een boekrolvormige structuur om vocht op te vangen bij het uitblazen van de warme ademlucht. Dat zou dan een aanwijzing zijn voor warmbloedigheid. Het voorhoofdsbeen is een min of meer driehoekig element, tweemaal langer dan breder en achteraan tweemaal breder dan vooraan. Specimen MAFI v.13528 wijkt af door een dwarsrichel bovenop waardoor Nopcsa het als een exemplaar van Orthomerus zag. Hij interpreteerde de richel als een mogelijke seksuele dimorfie of een pronkorgaan. De beschrijvers uit 2003 beaamden dat maar dan wel als variatie binnen Zalmoxes. Het voorhoofdsbeen wordt vermoedelijk door het postorbitale van de oogkas gedrongen. De wandbeenderen zijn samen niet erg ingesnoerd en hebben maar een lage middenkam. Het driestralige postorbitale vormt een ruwe achterste bovenrand van de oogkas. Ook het squamosum is driestralig of eigenlijk vierstralig want de achterste tak van het postorbitale wordt door twee takken omvat. Er is geen richel voor de musculus adductor mandibulae externus superficialis. Het squamosum is onderaan breed, met een diepe holte voor de kop van het quadratum. Er is geen afhangend uitsteeksel achter die kop. De achterzijde is hoog en wordt doorboord door een kanaal dat aan de binnenzijde uitkomt. Dit is een uniek kenmerk en werd geïnterpreteerd als het restant van een fenestra posttemporalis die geheel door het squamosum omsloten was geraakt. thumb|Een jukbeen