The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie van werkgelegenheid, rente en geld) is een economieboek, dat in 1936 werd geschreven door de Britse econoom John Maynard Keynes.
Het boek wordt algemeen beschouwd als Keynes zijn magnum opus. In dit werk introduceert hij een belangrijk deel van de terminologie uit de huidige moderne macro-economie. , "The General Theory of Employment, Money, and Interest, " Foreign Affairs; sep/okt 1997 Keynes legde met dit werk de basis voor de "keynesiaanse revolutie" in het economisch denken en ontkrachtte de stelling dat een markteconomie van nature geneigd zou zijn om zich na tijdelijke schokken te herstellen tot een situatie van volledige werkgelegenheid. Het werk wordt algemeen beschouwd als de hoeksteen van het keynesiaanse denken; het boek daagde de gevestigde neoklassieke economie uit en introduceerde belangrijke nieuwe concepten, zoals de consumptiefunctie, de multiplier, de marginale efficiëntie van kapitaal, het principe van de effectieve vraag en de liquiditeitsvoorkeur in de economische theorie.
Achtergrond Het eerdere werk van Keynes baande de weg voor The General Theory. Keynes en andere economen te Cambridge ontwikkelde de Cambridge cash-balancetheorie, een voorloper van het concept van de liquiditeitsvoorkeur, dat centraal stond in de latere theorie van Keynes. . John Maynard Keynes: 1883-1946. Penguin: 2003. blz. 131. Zijn A Treatise on Probability onderzocht de aard van de onzekerheid. Keynes' ideeën over de economische besluitvorming en de aarzeling van investeringen onder onzekerheid in The General Theory kunnen direct worden teruggevoerd op zijn Treatise.
The General Theory werd geschreven tijdens de Grote Depressie, hetgeen de titel verklaart: Keynes wilde een algemene theorie van werkgelegenheid en geld geven, die ook de massawerkloosheid van de jaren dertig kon verklaren, terwijl de eerdere ('klassieke') economie enkel speciale gevallen hadden beschreven. Hoewel het werk wordt geassocieerd met de 'keynesiaanse' politiek van overheidsingrijpen voor het bereiken en behouden van de volledige werkgelegenheid, is het boek voor het belangrijkste deel een abstract theoretisch werk en niet een politiek manifest. De volle betekenis van The General Theory wordt tot op de huidige dag bediscussieerd.
Qua stijl verschilt het boek van moderne mainstream-economische teksten, omdat de argumentatie concepten bijna uitsluitend in proza wordt uitgedrukt met weinig expliciete wiskundige modellering, naar aanleiding van de praktijk van Alfred Marshall en zijn andere opvolgers in het Cambridge van de jaren dertig. Deze aanpak is noch toevallig, noch een tekortkoming. Keynes (zelf opgeleid tot wiskundige) bekritiseerde het gebruik van wiskunde in de economie. Hij was bang dat twijfelachtige argumenten achter wiskundige notatie zouden worden verstopt. , 'An Abstruse and Mathematical Argument: The Use of Mathematical Reasoning in the General Theory, in Bradley Bateman et al. (redactie) The Return to Keynes; The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge, 2010 Het boek wordt verder verlevendigd door enkele briljante retorische passages, met inbegrip van de beschrijving van de beurs in hoofdstuk 12 en het afsluitende hoofdstuk 24 over de (vrij voorlopige) gevolgen voor beleid die Keynes uit zijn theorie afleidt.
Samenvatting Het centrale argument van The General Theory is dat het niveau van de werkgelegenheid niet door de prijs van de arbeid wordt bepaald, zoals in de neoklassieke economie wordt gesteld, maar door de bestedingen van geld (de geaggregeerde vraag). Hij stelt dat het verkeerd is om te veronderstellen dat competitieve markten, op de lange termijn, voor volledige werkgelegenheid zullen zorgen of dat volledige werkgelegenheid de natuurlijke evenwichtstoestand van een geldeconomie is. Integendeel, gebrek aan werkgelegenheid en onderinvestering zijn [volgens Keynes] waarschijnlijk de natuurlijke staat der dingen, tenzij er actieve maatregelen worden genomen. Een implicatie van The General Theory is dat een gebrek aan concurrentie niet het fundamentele probleem is en dat maatregelen om de werkloosheid terug te dringen door de lonen of uitkeringen te verlagen niet alleen hardvochtig, maar uiteindelijk tevergeefs zijn.
Keynes wilde met dit boek de conventionele economische wijsheden op zijn kop zetten. Op nieuwjaarsdag 1935 schreef hij in een brief aan zijn vriend George Bernard Shaw:
Voorwoord Keynes schreef vier voorwoorden, bij de Engelse, Duitse, Japanse en Franse editie van The General Theory, elk met een iets ander accent. In het Engelse voorwoord richt hij zich tot zijn collega-economen, maar merkt hij ook op dat het boek ook voor anderen nuttig is om te lezen. Hij beweert ook dat de relatie tussen dit boek en zijn Treatise on Money, dat vijf jaar eerder werd geschreven, waarschijnlijk voor hem [Keynes] duidelijker zal zijn dan voor iemand anders, en dat eventuele tegenstrijdigheden als een evolutie in zijn denken gezien moeten worden.
Boek I: Introductie In het eerste boek introduceert Keynes zijn boek dat volgens hem de manier hoe de wereld denkt zal veranderen. Hoofdstuk 1: De algemene theorie (slechts een halve pagina lang) bestaat eenvoudig uit de onderstaande radicale claim:
Hoofdstuk 2: De postulaten van de klassieke economie. (1936) The General Theory of Employment, Interest and Money, Chapter 2 : The Postulates of the Classical Economics http://www.marxists.org/reference/subject/economics/keynes/general-theory/ch02.htm (volledige tekst (in het Engels))"Hoewel werknemers zich doorgaans verzetten tegen een vermindering van het geldloon, is het niet hun gewoonte om minder arbeid aan te bieden wanneer er sprake is van een stijging van de prijs van loongoederen. Er wordt weleens gezegd dat het niet logisch voor werknemers zou zijn om weerstand te bieden aan een vermindering van het geldloon, maar niet om ook een vermindering van de reële lonen te weerstaan. .... Verder wordt de bewering dat de werkloosheid, die een depressie kenmerkt, aan de weigering van arbeid te wijten is om een vermindering van het geldloon [voor arbeid] te aanvaarden overduidelijk niet door de feiten ondersteund." Hoofdstuk 3: Het principe van de effectieve vraag
Boek II: Definities en ideeën Hoofdstuk 4: De keuze van eenheden Hoofdstuk 5. Verwachting[en] als bepalend voor productie en werkgelegenheid Hoofdstuk 6. De definitie van inkomen, sparen en beleggen Hoofdstuk 7. De betekenis van sparen en beleggen verder beschouwd
Boek III: De geneigdheid om te consumeren Boek III bespreekt de oorzaken die de mensen beweegt te consumeren, en daardoor de economische activiteit te stimuleren. In een depressie moet de overheid, zo betoogde Keynes, de motor van de economie kickstarten door al het noodzakelijk te doen. In hoofdstuk 10 zegt hij:
Hoofdstuk 8. De neiging om te consumeren: I. de objectieve factoren Hoofdstuk 9. De geneigdheid tot consumeren: II. de subjectieve factoren Hoofdstuk 10. De marginale geneigdheid tot consumeren en de multiplier
Boek IV: De aansporing tot investeringen
De marginale efficiëntie van kapitaal is de relatie tussen de potentiële opbrengst van een investering en haar aanbodsprijs of vervangingskosten. Keynes zegt op pagina 135: "Ik definieer de marginale efficiëntie van kapitaal als zijnde gelijk aan die afschrijvingsvoet die de contante waarde van de reeks van lijfrenten die tijdens haar leven wordt gegenereerd door de verwachte opbrengsten van de kapitaalgoed precies gelijk maakt aan haar aanbodsprijs." Hoofdstuk 11. De marginale efficiëntie van kapitaal Hoofdstuk 12. De staat van de lange termijn verwachtingen (bevat de bespreking van de Keynesiaanse schoonheidswedstrijd) Hoofdstuk 13. De algemene theorie van de rentevoet Hoofdstuk 14. De klassieke theorie van de rentevoet Hoofdstuk 15. De psychologische- en business incentives voor het aanhouden van liquide middelen Hoofdstuk 16. Diverse opmerkingen over de aard van het kapitaal Hoofdstuk 17. De essentiële eigenschappen van rentevoet en geld Hoofdstuk 18. De algemene theorie van werkgelegenheid anders geformuleerd Hoofdstuk 20. De werkgelegenheidsfunctie Hoofdstuk 21. De theorie van prijzen
Boek VI: Korte notities voorgesteld door de General Theory
Hoofdstuk 22. Opmerkingen over de Trade Cycle Hoofdstuk 23. Opmerkingen over het mercantilisme, de woekerwetten, stempelgeld en theorieën van onderconsumptie Hoofdstuk 24: Afsluitende opmerkingen over de sociale filosofie in welke richting de General Theory zou kunnen leiden
Voetnoten
Referenties (1989), The principle of effective demand, Aldershot UK and Brookfield US: Edward Elgar (2003), Keynes, Pigou and Cambridge Keynesians, London: Palgrave Macmillan (1983), Macroeconomics after Keynes, Oxford: Philip Allan (1972), Money and the Real World, London: Macmillan (2002), Financial markets, money and the real world, Cheltenham UK and Northampton US: Edward Elgar (1953), A Guide to Keynes, New York: McGraw Hill (eds), (1997) A ‘Second Edition’ of The General Theory, London: Routledge (2006), The economics of Keynes: a New Guide to The General Theory, Cheltenham UK and Northampton US: Edward Elgar. (1959), The Failure of the New Economics, Princeton, NJ: Van Nostrand. , (1936) The General Theory of Employment, Interest and Money, London: Macmillan (reprinted 2007) , (2006) The economics of Keynes in historical context, London: Palgrave Macmillan , (1968) Keynesian economics and the economics of Keynes, New York: Oxford University Press. , (1975) John Maynard Keynes, New York: Columbia University Press , (1976) Keynes’s monetary thought, Durham NC: Duke University Press , (1937) Introduction to the theory of employment, London: Macmillan , (2007) Keynes's General Theory, the Rate of Interest and ‘Keynesian’ Economics, London: Palgrave Macmillan , (1992) Involuntary unemployment, Hemel Hempstead: Simon & Schuster
Categorie:Economisch boek Categorie:Macro-economie Categorie:Keynesiaanse economie Categorie:Engelse literatuur (Verenigd Koninkrijk)