De Billiton Maatschappij was een Nederlandse mijnbouwmaatschappij die in de 19de en 20ste eeuw een belangrijke rol speelde in de tin- en ertswinning in Nederlands-Indië en na de onafhankelijkheid in Indonesië. Deze industrie was in die periode een van de belangrijkste exportindustrieën in het gebied. Billitons eerste ondernemingen omvatten het smelten van tin en lood in Nederland, gevolgd in de jaren 1940 door bauxietwinning in Nederlands-Indië en Suriname. Billiton opende een tinsmelterij en raffinagefabriek in Phuket, genaamd Thaisarco (Thailand Smelting And Refining Company, Limited).
Tot aan het gedwongen vertrek uit Indonesië in 1958 werkte het bedrijf nauw samen met de nationale regering. Eerst was dit het gouvernement van de kolonie Nederlands-Indië, en na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) werd dit de regering van de staat Indonesië. De Billiton Maatschappij was tot 1972 onafhankelijk. In dat jaar werd het onderdeel van Royal Dutch Shell, en in 1994 werd de maatschappij van Shell overgenomen door het mijnbouwbedrijf Gencor. Van 1972 tot 2001 stond het bedrijf bekend als 'Billiton International Metals BV', waarna het hernoemd werd tot BHP Billiton.
Geschiedenis Ontstaansfase Op 13 augustus 1814 werd het eiland Bangka door de Engelsen uitgeruild tegen het "etablissement Cochin". Aangezien het bij Banka behorende Billiton "is said to be rich in ores" wilden de Engelsen dit eiland aanvankelijk zelf behouden, maar op 17 maart 1824 werd ook dit aan de Nederlanders overgedragen.
Baron Wolter Robert van Hoëvell keerde in 1849 terug naar Nederland van een twaalfjarig verblijf in Batavia. Hij zag veel potentie voor economische ontwikkeling in Nederlands-Indië, en dacht dat exploratie van de archipel lucratief kon zijn. In een gesprek met Vincent Gildemeester van Tuyll van Serooskerken ontstond het idee tin te delven in Belitung. Van Tuyll vroeg om kapitaal aan prins Willem Frederik Hendrik, die zelf in Nederlands-Indië rond had gereisd. De prins steunde regelmatig bedrijven die naar zijn mening belangrijk waren voor de ontwikkeling van de koloniën, ook al waren deze bedrijven niet altijd rendabel. Uiteindelijk werd met behulp van de prins en Kamerheer des Konings John Francis Loudon het benodigde kapitaal bijeen gebracht.
J.M. Croockewit had in een rapport in 1851 geschreven, dat op Belitung geen tinerts van betekenis aanwezig was. Cornelis de Groot van Embden, die in Cornwall tinmijnen gezien had, oordeelde dat er wel veel tinerts was.Groot van Embden (Cornelis de) in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek In 1851 lukte het alsnog. Op een expeditie met Van Tuyll en Loudon vond een klerk uit Bangka, Joh. F. den Dekker, na enkele uren tinerts. De bewoners van Belitung speelden een belangrijke rol tijdens deze expedities. Zij werkten onder andere als gids en drager en kenden de plaatselijke natuur, weersomstandigheden en tinrijke plaatsen.
De Billiton Maatschappij werd in 1852 kort na de expeditie opgericht door Vincent Gildemeester van Tuyll van Serooskerken en John Francis Loudon, met financiële hulp van prins Willem Frederik Hendrik. De oprichters van de maatschappij kregen een concessie voor tinwinning op het eiland Belitung). Tot 1958 werkte het bedrijf voornamelijk in de tinwinning op Belitung en Singkep, daarna zijn werkzaamheden verplaatste naar onder andere Zuid-Rhodesië, het latere Zimbabwe. Ook werd het actief in andere takken van metaalwinning.
De concessie (1852) thumb|rechts|260px|Indonesiërs graven de ertsgrondlaag af in de groeve Ajer Poetih Singkep Tin Maatschappij Riouw De Billiton Maatschappij verkreeg in 1852 een concessie op Belitung. Deze concessie, bestaande uit een overeenkomst met de plaatselijke regering en een gouvernementscontract, betekende dat de Billiton Maatschappij het recht kreeg om het eiland gedurende veertig jaar te ontginnen. In ruil daarvoor moest de onderneming een tiende van haar nettowinst afdragen aan het Nederlands-Indisch Gouvernement.
In 1873 besloot het Gouvernement dat mijnbouwconcessies met een looptijd tot 75 jaar konden worden uitgegeven. Hierdoor kon de concessie van Billiton met nog eens 35 jaar verlengd worden, hetgeen in 1882 gebeurde. Dit leidde tot woedende reacties in de Tweede Kamer. De woordvoerder van dit protest was anti-revolutionair Kamerlid Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius. De oppositie zag in de goedkeuring van de concessieverlenging door koning Willem III een botsing van belangen, aangezien Willem III en prinses Sophie de aandelen hadden geërfd van de overleden medeoprichter, prins Hendrik.
Een onafhankelijke commissie bracht op 7 december 1882 een rapport uit over de "Billiton-quaestie". Dit rapport keurde het beleid dat gevoerd werd door het Indische Bestuur en bekrachtigd door de minister van Koloniën Willem de Brauw en koning Willem III af. De Nederlandse regering dwong Willem III om zijn aandelen te verkopen, maar prinses Sophie mocht de hare behouden. Het schandaal leidde tot het aftreden van De Brauw en gouverneur-generaal Frederik s’Jacob in 1884. De Tweede Kamer aanvaardde het nieuwe contract op 20 mei 1892.
De Billiton Maatschappij in Nederlands-Indië (1852-1942) thumb|Werknemers van de Billiton Maatschappij in de centrale werkplaats op Lipat Kadjang Vóór het gedwongen vertrek uit Indonesië vormde tinwinning op de eilanden Belitung en Singkep het hart van de activiteiten van de Billiton Maatschappij.
In 1852 verwierf het bedrijf mijnbouwrechten op de Belitung en Bangka-eilanden voor de oostkust van Sumatra in de Indische archipel. De firma werd in 1860 omgezet in een naamloze vennootschap met de naam "Billiton Maatschappij" (BM). Aandeelhouders van deze nieuwe firma waren veelal familie van de oprichters en vertegenwoordigers van de Nederlandse adel.
Relatie met de plaatselijke bevolking Oorspronkelijk woonde de bevolking van Belitung verspreid over het hele eiland in op palen gebouwde hutten. Toen de Billiton Maatschappij constateerde dat veel mensen overleden aan ziektes, bracht zij de bevolking in de tweede helft van de 19de eeuw samen in kampongs of zogeheten "keleka" (gemeenschappen). Deze kampongs werden gevormd onder het mom van hygiëne, maar eigenlijk speelden vooral economische en politieke motieven een rol. Het Gouvernement wilde het heffen van belasting vergemakkelijken en het gebied makkelijker bestuurbaar maken. Vergelijkbare projecten werden opgezet in Nieuw-Guinea en Celebes. Sommige kampongs kregen toegang tot scholen, maar deze waren meestal alleen bedoeld voor de kinderen van het personeel van de Billiton Maatschappij.
Rond 1920 dreigde uitputting van de alluviale ertstreserven op Belitung. Dit was voor de Maatschappij aanleiding om het eiland efficiënter administratief in te delen. Vanaf 1920 kregen plaatselijke gemeenten meer zeggenschap toegekend en kregen ze een eigen kas. Zij waren vanaf dat moment verantwoordelijk voor een duurzamer gebruik van het bos en het onderhoud van wegen. De gemeenten werden bestuurd door een demang, die bijgestaan werd door twee assistent-demangs. Het Europese bestuur wilde hiermee vooral een Europees bestuursmodel opleggen.
De oprichting van de Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij Billiton De exploitatie van de tinaders op Belitung werd na een korte dreiging van nationalisering in 1924 ondergebracht in de Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij “Billiton”(GMB). De Billiton Maatschappij voerde de directie over de GMB, een joint venture tussen het Gouvernement en de Billiton Maatschappij. Het Gouvernement had 62,5 procent van het bedrijf in handen. De werkzaamheden buiten Nederlands-Indië bracht de GMB onder in Mijnbouwmaatschappij Stannum (1920). Toen in de jaren 1920 uitputting van de ertsreserven op het eiland Belitung dreigde, nam de Maatschappij in 1933 de Sinkep Tin Exploitatie Maatschappij over. Hierdoor werd de tinproductie van het eiland Singkep ook onderdeel van de werkzaamheden van de Maatschappij. De Billiton Maatschappij breidde haar werkzaamheden ook uit naar bauxiet, in 1934 richtte zij de Nederlandsch-Indische Bauxiet Maatschappij.
De Billiton Maatschappij in onafhankelijk Indonesië (1945-1958) De Billiton Maatschappij kon zijn werkzaamheden relatief ongestoord blijven verrichten tussen 1945 en 1949, omdat zij vóór de dekolonisatie en de Tweede Wereldoorlog een overeenkomst had gesloten met het Nederlands-Indische Gouvernement. Deze overeenkomst bleef van kracht, ook al had het Gouvernement geen macht meer. In maart 1948 droeg het Gouvernement de exploitatie van de tinwinning op Bangka over aan de, door de Billiton Maatschappij geleide, GMB. Deze overeenkomst verlengde ook de GMB-concessie op het eiland Belitung. De tinproductie op Bangka werd voorafgaand aan de Onafhankelijkheidsoorlog verwerkt op het eiland zelf, maar de tinsmelterijen op Bangka waren in de oorlog allemaal verwoest. De Maatschappij besloot deze smelterijen niet te herstellen, maar de productie te verplaatsen naar de tinsmelterij in Arnhem (HMB) en naar een door Billiton beheerde smelterij in Texas.
Toen Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 alle rechten en plichten overnam van het Nederlands-Indische Gouvernement, werd het onafhankelijke Indonesië meerderheidsaandeelhouder van de GMB. De Billiton Maatschappij bleef desondanks de machtigste speler in de tinindustrie van Indonesië. Indonesië was hier niet tevreden over, en probeerde zijn positie als voornaamste aandeelhouder duidelijker te laten blijken. Na onenigheid over de verlenging van de bestaande overeenkomst, ondertekenden de Maatschappij en de Indonesische regering een nieuwe overeenkomst met een duur van vijf jaar. Het ondertekenen van deze overeenkomst betekende echter geen einde aan de onrust rondom de GMB. De Indonesische regering verving in december van datzelfde jaar alle Nederlandse leden van de Beheersraad door Indonesische en eiste meer zeggenschap over het bestuur van de GMB. Dit verslechterde de verhouding tussen de Billiton Maatschappij en de Indonesische regering. De eisen van de regering aannemen zou de positie van de Maatschappij erg verzwakken.
De GMB werd op 16 december 1957, na tien dagen bezet te zijn geweest door een Indonesische vakbond, onder formeel militair toezicht gezet. Een paar maanden later, op 24 februari 1958, hief de Indonesische regering de GMB op. De Indonesische staat zou de tinwinning voortzetten via het Bureau voor de Staatsmijnbouwondernemingen (Biro Urusan Perusahaan Tambang Negara). Het aanbod van Indonesië om de 165 Nederlandse werknemers van de GMB in dienst te laten treden van het staatsbedrijf werd door slechts twee mensen aangenomen. Tien jaar na haar vertrek, in 1968, keerde de Billiton Maatschappij weer terug in Indonesië. Generaal Suharto, de toenmalig heerser, gaf het bedrijf de opdracht om onderzeese tindepots bij Singkep uit te baten.
Overname door Shell en Gencor Nadat de GMB opgeheven werd, oriënteerde de Billiton Maatschappij zich op andere landen en sectoren, zoals het toenmalige Rhodesië (nu: Zimbabwe) en de chemische industrie. In 1951 richtte de Maatschappij Kamativi Tin Mines Ltd. op in Rhodesië. De Billiton Maatschappij Suriname werd in 1954 opgericht. Billiton richtte negen jaar later (1960) ook Tiofine op, een titaandioxidefabriek, en weer negen jaar later (1969) verkreeg de Billiton Maatschappij 50% van de aandelen van de Kempensche Zinkmaatschappij te Budel. Shell nam in 1970 de Billiton Maatschappij over. Toen dit bedrijf twee jaar later herstructureringsmaatregelen aankondigde, vreesden velen dat Shell minder belang zou hechten aan zijn metaalsector. Deze vrees bleek ongegrond. Onder de naam "Billiton International Metals BV" ontwikkelde het bedrijf meerdere internationale activiteiten: in Peru (1974), Brazilië (1976), Ierland (1977), Colombia (1978) en Australië (1980).