De Irakoorlog was een door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in maart 2003 ingezette oorlog tegen en in Irak, waarbij ook andere landen troepen leverden. De oorlog was onderdeel van de War on Terror. Schattingen van het aantal slachtoffers lopen sterk uiteen, van circa 150.000 tot vele honderdduizenden doden.
De oorlog kan worden onderverdeeld in twee fases. De eerste fase (maart-mei 2003) was de invasie waarbij een multinationale troepenmacht, de zogenoemde Coalition of the Willing, in krap anderhalve maand tijd het bewind van Saddam Hoessein verdreef. Het doel van de coalitie was naar eigen zeggen het ten val brengen van het regime van Saddam Hoessein, dat de Iraakse bevolking zou onderdrukken, het internationale terrorisme zou ondersteunen en massavernietigingswapens zou hebben ontwikkeld, bezitten en hebben ingezet. Tot op heden zijn dergelijke wapens niet gevonden, noch is een verband met Al Qaida aangetoond. Enkele maanden nadat de coalitie het Iraakse grondgebied had ingenomen werd Saddam Hoessein gearresteerd. Hij werd drie jaar later geëxecuteerd.
De fase na de invasie (2003-2011) bestond uit een programma van nation-building, de opbouw van een nieuw Irak door de coalitiemacht die de macht had overgenomen van Saddam Hoessein. Deze fase werd vanaf het begin geplaagd door grootschalige opstanden tegen de bezettende troepen. Tegelijkertijd groeiden de onderlinge spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen doordat de voorheen machtige soennitische minderheid zich in het nieuwe Irak bedreigd voelde door de sjiitische meerderheid. Tussen 2006 en 2009 escaleerde het onderlinge geweld zodanig dat wel gesproken werd van een burgeroorlog.
De Amerikanen trokken in december 2011 hun laatste troepen terug. Het conflict was daarmee echter niet ten einde en zou opnieuw escaleren door voortwoekerend onderling geweld, het overslaan op Irak van de in 2011 uitgebroken Syrische Burgeroorlog, het bloedig neerslaan van nieuwe protesten tegen de overheid en de oprichting van jihadistenbeweging Islamitische Staat (ISIS), die mede vanwege het machtsvacuüm na Saddam Hoessein kon ontstaan en in de zomer van 2014 het noorden van Irak binnenviel en een islamitisch kalifaat uitriep. Om ISIS te bestrijden, keerden de VS in 2014 na tweeënhalf jaar afwezigheid alweer terug aan het Iraakse strijdtoneel, als aanvoerder van een nieuwe internationale coalitie.
Voorgeschiedenis Golfoorlog van 1991 Op 17 januari 1991 begon Operatie Desert Storm, die ten doel had het Iraakse leger te verdrijven uit het door Irak in augustus van het jaar daarvoor bezette Koeweit. De strijd werd gevoerd door een grote coalitie van landen, onder aanvoering van de Verenigde Staten en eindigde begin maart 1991 met het beoogde resultaat.
UNSCOM en sancties In de daaropvolgende wapenstilstand was de voorwaarde opgenomen dat Irak zich zou ontdoen van zijn massavernietigingswapens, onder toezicht van wapeninspecteurs van de Verenigde Naties in een missie genaamd UNSCOM. Het luchtruim van Noord-Irak en Zuid-Irak werd beheerst door de VS en VK. Er werden ook sancties ingesteld om de Iraakse in- en uitvoer te beperken.
Op 31 oktober 1998 beëindigde Irak de toestemming voor verdere inspecties. Op 16 december 1998, de dag dat de UNSCOM-inspecteurs Irak verlieten, begon Operatie Desert Fox en werden doelwitten in Irak gebombardeerd door Amerikaanse en Britse vliegtuigen.
De Iraakse tegenwerking en de afwezigheid van controle voedde bij sommigen de angst dat het regime van Saddam Hoessein nog steeds bezig was met de productie van massavernietigingswapens, wat verondersteld werd, want uiteindelijk werden er helemaal geen massavernietigingswapens gevonden.
De sancties hadden evenwel een catastrofaal effect op de Iraakse bevolking. De levensstandaard in Irak daalde jaar na jaar. Dit leidde tot kritiek en ondermijnde de politieke wil de sancties te handhaven. Opheffen was voor de VS evenwel niet bespreekbaar, omdat er dan de kans bestond dat Irak zich zou herstellen en opnieuw de machtsbalans in het Midden-Oosten kon verstoren. Hierdoor kwam meer en meer de optie om Saddam Hoessein en zijn kliek met geweld te verwijderen, op tafel.
11 september 2001 In de loop der jaren legde Irak alle oproepen om de VN-inspecteurs weer toe te laten en openheid van zaken te geven over zijn vermeende wapenprogramma’s naast zich neer. Na de terroristische aanslagen op 11 september 2001 besloten de Amerikanen deze weigering niet langer te tolereren.
Kort na de aanslagen kondigde de regering van George W. Bush de strijd tegen terrorisme aan, vergezeld met de doctrine van de preëmptieve militaire actie, de bushdoctrine genaamd.
De Amerikanen drongen er bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op aan om een nieuwe resolutie aan te nemen die een oorlog zou kunnen rechtvaardigen. Onder deze toegenomen druk stemde het Iraakse bewind op 16 september 2002 in met de terugkeer van de wapeninspecteurs.
Ontwapeningscrisis
In 2002 rees de ontwapeningscrisis rondom Irak allereerst als een diplomatieke situatie. In oktober 2002 kreeg president Bush van het Amerikaanse Congres toestemming om oorlog te voeren met Irak. De "Joint Resolution to Authorize the Use of United States Armed Forces Against Iraq" bevatte de aanmoediging, maar niet de vereiste, om van de VN-Veiligheidsraad goedkeuring voor militaire actie te verkrijgen.
Uiteindelijk nam de Veiligheidsraad op 8 november 2002 unaniem resolutie 1441 aan, die het Iraakse regime een laatste kans bood eerdere resoluties uit te voeren, op straffe van ‘ernstige gevolgen’. Irak werkte mee, maar allesbehalve van harte, en slaagde er daardoor in de eensgezindheid in de Veiligheidsraad te doorbreken. De VS en het Verenigd Koninkrijk vonden begin 2003 dat Saddam zijn laatste kans verspeeld had, terwijl andere landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, van mening waren dat de inspecties meer tijd moesten krijgen.
Toen duidelijk werd dat in de Veiligheidsraad geen meerderheid te vinden was voor een resolutie die militair geweld zou rechtvaardigen, en dat het waarschijnlijk was dat Frankrijk en wellicht Rusland en China een veto uit zouden spreken tegen een dergelijke resolutie, besloten de VS en de Britten Irak een ultimatum te stellen zonder expliciete machtiging van de Veiligheidsraad. De eisen in het ultimatum (onder meer het aftreden van Saddam Hoessein), en de korte tijd van slechts enkele dagen, maakten het op voorhand aannemelijk dat deze niet ingewilligd zouden worden.
Aangevoerde motieven voor de oorlog Voor de noodzaak om Irak binnen te vallen werden de volgende redenen aangedragen: Irak zou in het bezit zijn van massavernietigingswapens; Irak zou het internationale terrorisme steunen, met name Al Qaida; Saddam Hoessein zou zijn bevolking onderdrukken en vermoorden en moest daarom verwijderd worden; Saddam Hoessein steunde het zelfmoordterrorisme tegen Israëliërs. Nabestaanden van zelfmoordterroristen kregen van Saddam een financiële tegemoetkoming; Saddam Hoessein negeerde keer op keer allerlei resoluties van de VN-Veiligheidsraad.
Vanuit het oogpunt van rechtmatigheid is een aantal van de bovenstaande argumenten niet overeind gebleven, doordat er geen bewijsgrond voor was. De punten 3 en 5 bleven echter onomstreden. Overigens was een aantal waarnemers van mening dat de vijf argumenten geen wettelijke rechtvaardiging voor het schenden van de soevereiniteit van een erkende staat kon betekenen, al was en is daarover tot op de dag van vandaag veel discussie. Er is geen bewijs gevonden voor een relatie tussen de Iraakse regering en Al Qaida. Het onderdrukken van een bevolking door een regering geldt binnen de internationale politieke traditie als een 'binnenlandse aangelegenheid'. Israël heeft de VS nooit verzocht om een inval in Irak en evenmin was er sprake van een oorlog tussen Irak en een bondgenoot van de VS. De Veiligheidsraad heeft geen goedkeuring verleend aan de inval en zou dat waarschijnlijk ook niet hebben gedaan wanneer het voorstel ter stemming was gekomen (Frankrijk zou vrijwel zeker een veto hebben uitgesproken). Een resolutie van de Veiligheidsraad zou echter niet per definitie rechtmatigheid creëren in het licht van de actuele internationale wetgeving. Het negeren door Irak van de resoluties is evident en erkend omdat er resoluties zijn aangenomen ter bevestiging hiervan, de sancties die aan deze resoluties zijn verbonden waren voor de inval echter altijd beperkt tot een economische boycot.
De coalitie De coalitie, bekend onder de Amerikaanse naam Coalition of the Willing, bestond uit 31 landen: de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Afghanistan, Albanië, Australië, Azerbeidzjan, Bulgarije, Colombia, Denemarken, El Salvador, Eritrea, Estland, Ethiopië, Filipijnen, Georgië, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Litouwen, Macedonië, Nederland, Nicaragua, Oezbekistan, Polen, Roemenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zuid-Korea.
Naast de eenendertig landen die de coalitie openlijk steunen zouden er nog vijftien landen, die niet bij naam genoemd wilden worden, tot de coalitie behoren.
Openlijk tegen de oorlog waren onder meer België, Brazilië, Canada, China, Cuba, Duitsland, Frankrijk, India, Indonesië, Libië, Luxemburg, Mexico, Rusland, het Vaticaan, Zweden, Zwitserland en alle Arabische landen behalve Koeweit. Spanje sloot zich in 2004 na een regeringswisseling bij de critici aan.
Nederlandse deelname
Het Nederlandse kabinet-Balkenende I verleende officieel slechts 'politieke steun' aan de oorlog; premier Balkenende verklaarde dat van militaire deelname geen sprake zou zijn. Uit eigen onderzoek concludeerde het VPRO-radioprogramma Argos vier jaar na dato echter dat ook Nederlandse commando's en F-16's van de Koninklijke Luchtmacht aan de eerste fase van de oorlog hebben deelgenomen, onder andere met verkenningsvluchten boven Irak. Op 27 januari 2009 meldde RTL Nieuws dat het kabinet ook de inzet van een fregat heeft overwogen hoewel premier Balkenende dit tegenover de Tweede Kamer altijd had ontkend.
De regering besloot tot een onafhankelijk onderzoek door een commissie, te leiden door de oud-president van de Hoge Raad mr. Willibrord Davids. De oppositie bleef echter aandringen op een parlementaire enquête; de ruimte hiervoor werd gecreëerd nadat PvdA-fractievoorzitter Hamer zulks had afgedwongen na openbaarmaking van het rapport. De commissie werd geacht uiterlijk 1 november 2009 te rapporteren.Rapport Commissie Irak Sectie 2.6 (Verantwoording), vanaf pagina 37. Op 12 januari 2010 presenteerde de Commissie-Davids haar bevindingen in een rapport. De belangrijkste conclusies waren: Er was geen adequaat volkenrechtelijk mandaat voor de inval in Irak. Er is geen bewijs voor actieve Nederlandse militaire bijdrage aan de inval. Premier Balkenende gaf geen of weinig leiding aan de debatten over Irak. De AIVD en de MIVD waren over Irak genuanceerder dan buitenlandse inlichtingendiensten. Die nuanceringen zijn niet door de Nederlandse ministers overgenomen. Er is geen volledige openheid van zaken gegeven tegenover het parlement over het Amerikaanse steunverzoek voor militaire opbouw. De informatieverstrekking aan de Tweede Kamer was op sommige momenten onvoldoende.
Verloop van de invasie Al vanaf mei 2002, ver voor het officiële begin van de oorlog, voerden Amerikaanse en Britse vliegtuigen missies uit boven Irak. Dit waren zogenaamde 'prik-activiteiten', bedoeld om het regime van Saddam Hoessein te prikkelen.
In 2002 werden ook (voornamelijk Koerdische) Iraakse ballingen door de CIA getraind op een geheime militaire basis in Jordanië om in steden als Bagdad en Fallujah sabotagedaden uit te voeren en zo de indruk te geven dat er een opstand bezig was.
Op 20 maart 2003 begon de invasie en daarmee de Irakoorlog, met beperkte aanvallen op de Iraakse hoofdstad Bagdad om 5.30 uur (plaatselijke tijd). Het Iraakse verzet was aanvankelijk zwaarder dan verwacht, maar stortte vrij plotseling in.
Belangrijke gebeurtenissen