thumb|400px|Kaartje Nederlands-Guiana

Dit artikel behandelt de geschiedenis van Nederlands-Guiana, de naam waaronder de voormalige koloniën Berbice, Essequebo, Demerary en Suriname gezamenlijk bekendstonden tijdens een groot deel van de kolonisatieperiode.

Nederlands-Guiana Nederlands-Guiana (of Nederlands-Guyana) was een verzamelnaam voor de Nederlandse koloniën op de kust van de Guyana's (de kust van de Orinoco tot de Amazone, bijgenaamd de Wilde Kust). De rest van West-Indië (Antillen, Caraïben) worden hier niet toe gerekend. Door de jaren heen veranderde de koloniën vaak van exacte ligging door kaping of overname. Tot Nederlands-Guiana behoorden ten minste op een moment tijdens de kolonisatieperiode de gebieden van oost naar west:

Cayenne (hedendaags Frans-Guyana) Suriname Berbice (hedendaags Guyana) Demerary (hedendaags Guyana) Essequebo (hedendaags Guyana) Pomeroon (hedendaags Guyana)

Nederlands-Guiana was geen staatkundige eenheid maar een geografische aanduiding. De koloniën die samen Nederlands-Guiana vormden, hadden verschillende eigenaren. Essequebo en Demerary werden door de West-Indische Compagnie (WIC) bestuurd; Berbice door de Sociëteit van Berbice; Suriname door de Sociëteit van Suriname. Ook het tegenwoordige Frans-Guyana werd van 1660 tot 1664 door Nederlanders bestuurd (Cayenne), en opnieuw van 1676 tot 1677 tijdens de Hollandse Oorlog. Nadat alle koloniën behalve Suriname in Britse handen waren gekomen in 1815, stond de benaming Nederlands-Guiana feitelijk synoniem voor Suriname.

16e en 17e eeuw – Vestiging Nederlands-Guiana Van Columbus tot de West-Indische Compagnie In 1492, toen Columbus op de Bahama's landde, waren er gevechten tussen de Koriabo's en Arowakken. Columbus werd gewaarschuwd voor deze agressieve stammen op het continent, en voer in 1498 eerst de kust langs. In 1499 bezochten de ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci en Alonso de Ojeda het gebied. De Ojeda landde als eerste op de kust bij de Marowijne.

Aan het einde van de 16e eeuw zeilden de eerste Nederlanders naar Zuid-Amerika vanwege het zout, tabak en edelmetaal. Na een aantal succesvolle reizen, vestigden zich de eerste Nederlanders in het gebied, dat aangeduid werd als de Wilde Kust. Deze vestigingen werden weer opgeheven, niet alleen vanwege de tegenstand door de lokale stammen. In 1621 had de West-Indische Compagnie (WIC) het als octrooigebied verkregen, met de achterliggende bedoeling het de Spanjaarden en Portugezen in Zuid-Amerika zo lastig mogelijk te maken. De strijdende partijen probeerden zo veel mogelijk schepen van elkander te kapen.

In de begin jaren werden enkele plantages opgezet, maar was vooral de ruilhandel met de inheemse lokale bevolking belangrijk in onder andere suikerriet, orleaan, Copaiba balsem, tabak en diverse houtsoorten.

In 1616 was de eerste vestiging door Nederlanders in Essequebo ontstaan, en in 1627 die in Berbice. Beide vestigingen stelden aanvankelijk niet veel voor, en kwamen pas in de 18e eeuw tot ontwikkeling.

In 1630 werd door de Engelse kapitein Marshall een poging gedaan tabak in Suriname te planten, maar deze onderneming mislukte, alhoewel bijna alle soldaten in het Staatse leger rookten. In 1650 vestigde een groepje Engelsen zich aan de Surinamerivier. Het was een expeditie, uitgaande van Lord Francis Willoughby, de Britse gouverneur van Barbados. Vanwege de Engelse Burgeroorlog was een stroom van vluchtelingen op gang gekomen naar Barbados, dat inmiddels vol raakte. De door Willoughby zelf betaalde expeditie, bestaande uit drie schepen, stond onder leiding van majoor Anthony Rowse, de eerste gouverneur van Suriname. Hij wist zich te verzekeren van de goedgezindheid van de indianen. Twee jaar later kwam Willoughby zelf langs om zijn nieuwe bezit te aanschouwen. De productie van suiker bleek uitermate winstgevend en de aanplant van suikerriet, de bouw van suikermolens, en de aanvoer van kookketels werd met meer voortvarendheid ter hand genomen. De kolonie, genaamd Willoughbyland, bestond uit 30.000 akkers en het fort Willoughby; in 1663 uit circa vijftig suikerplantages. Het werk werd vooral gedaan door de lokale bevolking en drieduizend ingevoerde Afrikaanse slaven. Om meer planters aan te trekken werd door de Engelsen religieuze vrijheid gepropageerd. De circa driehonderd kolonisten werden gevolgd door Engelse Quakers en Portugese joden uit Mauritsstad in Nederlands-Brazilië. Niet ver van Paramaribo stichtten zij de Jodensavanne. Daar hadden de slaven op zaterdag vrij.

Nederlands-Guiana en Nieuw-Amsterdam De Engelsen hielden zeggenschap over het gebied tot 27 februari 1667, toen Abraham Crijnssen, ten tijde van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, na een drie uur durend gevecht het fort veroverde en William Byam, de tweede gouverneur, zich overgaf vanwege een gebrek aan kruit. De Zeeuw Crijnssen hernoemde de versterking tot Fort Zeelandia. Bij de Vrede van Breda, getekend op 31 juli 1667, mocht de Republiek Suriname houden in een soort ruil met Nieuw-Nederland dat door de Engelsen was veroverd. Nadat de Britten Suriname hadden heroverd en weer verloren, en de Nederlanders tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog Nieuw-Amsterdam hadden heroverd, werd bij de Vrede van Westminster de bestaande situatie gehandhaafd. De Britten beloofden bovendien zich niet langer op de Banda-eilanden te laten zien. Willoughbyland en andere Nederlandse bezittingen in en rond Suriname werden bekend als Nederlands-Guiana.

In 1674 werden drie schepen naar Suriname gezonden om de circa driehonderd Britten en twaalfhonderd slaven naar Jamaica over te brengen. Onder diegenen die het land wilden verlaten, bevonden zich Andrew en Jeronimo Clifford. De Zeeuwen zagen de uittocht met lede ogen aan en probeerden de Britten aan zich te binden door prijsafspraken over suiker en met levering van nieuwe armazoenen slaven, want de productie van suiker kwam in gevaar.

Geïnspireerd door de Franse politiek onder Colbert werd in 1683 de Sociëteit van Suriname opgericht, verantwoordelijk voor het beheer van plantages en het handhaven van de rust. Rond 1685 kwamen ook labadisten en hugenoten naar de kolonie, maar katholieken werden geweerd. Vanuit Suriname werd een ananas opgestuurd, die tot bloei werd gebracht in de Hortus Botanicus Amsterdam. Maria Sibylla Merian tekende fascinerende vlinders en exotische flora na. Op initiatief van Nicolaes Witsen werden koffieplanten uit de Hortus naar Suriname vervoerd.

18e eeuw – Plantagelandbouw en slavernij miniatuur|Kaart Nederlands-Guiana (rond 1700) thumb|Kaart Nederlands-Guiana (1781) thumb|Kaart plantages in Suriname (rond 1800)

Slaven en vrijen thumb|Lichtgekleurde huisslavin op een plantage die bezig is met naaiwerk; (litho door Petit naar een tekening van Théodore Bray)

De Portugezen waren de eersten die slaven vanuit West-Afrika naar de noordoostkust van Zuid-Amerika transporteerden. Na 1667 (het jaar waarin de Republiek het gebied Berbice verwierf) werd de slavenhandel naar dit gebied eerst door de Zeeuwen, later door de Hollanders overgenomen.

In Britse en Franse bronnen werd Suriname omschreven als een oord waar wreed omgegaan werd met slaven. In ruim 200 jaar werden ongeveer 550.000 slaven vanuit Afrika (vooral vanuit de Nederlandse Goudkust) door Nederlanders naar de koloniën getransporteerd. De slaven werden achtereenvolgens in de koffie-, de suiker- en de katoenplantages geëxploiteerd. Vooral op de suikerplantages was het werk bijzonder zwaar.

Daar stond tegenover dat al vanaf het begin van de Zeeuws/Hollandse heerschappij slaven probeerden te vluchten en naar het binnenland trokken. Na vele schermutselingen met deze marrons, die lang niet alle in het voordeel van de Nederlanders uitvielen, werd tijdens het bewind van de gouverneur Mauricius in 1743 dan ook het besluit genomen, te pogen vrede te sluiten met de marrons. In 1760 werd een vrede gesloten met de Aukaners, die zich in het oerwoud had gevestigd in het Vredesverdrag van 1760.

In 1763 vond zich een grootschalige slavenopstand plaats in Berbice onder de leiding van ondermeer de tegenwoordige nationale held van Guyana, Cuffy. De rebellerende slaven bezette de plantages voor meer dan een jaar en eisten een vrij bestaan verder landinwaarts. Mede door het overlopen van een deel van de rebellengroep, konden de Europese kolonisten weer terrein terugwinnen en werd de opstand op bloedige wijze onderdrukt waarbij ongeveer de helft van de slavenpopulatie de opstand niet overleefden.

Op de plantages bestonden tijdens de slavernij drie soorten slaven: plantageslaven, die op het veld moesten werken, huisslaven die huishoudelijke taken moesten verrichten, en dan nog eliteslaven, die een voorkeurspositie hadden verworven t.o.v. anderen. Vaak waren zij degene die de slaven in bedwang moesten houden, of moesten straffen bij overtredingen. Dit systeem was handig voor de blanke overheerser, het verdeel-en-heers-systeem, waarbij onderdrukten elkaar beconcurreerden voor betere posities en leefomstandigheden.

In Paramaribo was de situatie iets anders. Er waren huisslaven die huishoudelijke taken verrichtten, maar slaven konden zichzelf ook verhuren als bijvoorbeeld arbeider, handwerker of wasvrouw, om hun eigenaren een vast afgesproken bedrag te betalen. Verdiende de slaaf meer dan het afgesproken bedrag, dan kon hij dit surplus houden. In de loop van de 18e en 19e eeuw wisten steeds meer slaven, zichzelf of familieleden, zich op deze manier vrij te kopen. Tegen het einde van de slavernij vormde de groep van vrije gekleurden een meerderheid van de bevolking in Paramaribo.

Marrons In de eerste helft van de 18e eeuw maakte de landbouw in Suriname een bloeitijd door. De kolonie was belangrijk voor de export van letterhout, katoen, cacao, suiker en koffie. Rond 1713 telde Suriname niet veel meer dan 1.000 Europeanen en 12.000 slaven; in 1750 woonden er 1.500 Europeanen en 30.000 slaven. De WIC beheerste tot 1739 de slavenhandel en er zouden door hen jaarlijks 2.000 Afrikaanse slaven worden aangevoerd voor het werk op de plantages. De planters waren slechte betalers en de slavenhandel is door de WIC aan particulieren overgelaten. De behandeling van slaven was vanaf het eerste begin zeer slecht. Duizenden slaven ontsnapten naar het oerwoud en de planters organiseerden tochten om ze terug te halen, zonder veel succes. De weglopers vestigden zich in kleine gemeenschappen en staan bekend als 'marrons', of (verouderd) 'bosnegers'. Zij kwamen regelmatig terug naar de plantages om hun voorraden aan te vullen en slaven te bevrijden.

De marrons vormden een bufferzone tussen de Nederlanders die zich aan de kust en aan de rivieroevers vestigden, en de nog niet onderworpen indiaanse stammen in het binnenland. De Nederlanders sloten het een vredesverdrag van 1760 met de Aukaners, die daarbij als vrije groep werden erkend. Later volgden het vredesverdrag van 1762 met de Saramaccaners en in het vredesverdrag van 1767 met de Matawai. Bekende marronleiders waren Benti Basiton die een belangrijke rol speelde bij het verdrag van 1760 en Boni (1730-1793), die zijn basis had in Fort Boekoe in de moerasachtige kustgebieden van Commewijne. Met laatstgenoemde werd geen verdrag gesloten maar een jarenlange strijd gevoerd.

19e eeuw – Ten tijde van Napoleon en afschaffing slavernij