De Moskouse Processen (Russisch: Московские процессы) waren een drietal showprocessen tegen prominente personen uit de Sovjet-Unie en een geheim proces tegen hoge militairen, gevoerd in de periode 1936-1938 als onderdeel van Stalins Grote Zuiveringspolitiek. In 1956 gaf Nikita Chroesjtsjov toe dat de processen in scène waren gezet. Na de opening van de Sovjetarchieven, ten tijde van de perestrojka, werd eens te meer aangetoond hoezeer de processen gebaseerd waren op met intimidatie en foltering afgedwongen verklaringen en ook hoezeer Stalin er zelf de regie over had gevoerd. thumb|350px|De Loebjankagevangenis in Moskou, waar de aangeklaagden werden veroordeeld en geëxecuteerd. Op de voorgrond de gedenksteen voor de slachtoffers van politieke onderdrukking in de Sovjet-Unie.
Achtergrond De Moskouse processen uit de jaren 1936-1938 kunnen worden beschouwd als een direct gevolg van Stalins algemene politiek van Rode Terreur, uiteindelijk uitmondend in een gerichte 'zuiveringspolitiek'. Als startsein voor de ‘Grote Zuivering’ wordt door historici vaak verwezen naar de moord op Sergej Kirov, lid van het Politbureau en partijsecretaris van Leningrad, op 1 december 1934.Andere historici zien het startsein eigenlijk al in 1932, toen Centraal-Comité-lid Rjoetin een uitgebreid anti-Stalin-document opstelde. Hij werd gearresteerd, Stalin had hem willen executeren, maar het Politbureau (vooral bij monde van Kirov en Roedzoetak) hield dat toen nog tegen. Het Rjoetin-rapport kwam (net als een later anti-Stalin-document van Smirnov) steeds weer terug tijdens de showprocessen. De meesten die het onder ogen was gekomen kwamen om tijdens de Grote Zuivering. Rjoetin zelf werd op nieuwjaarsdag 1937 geëxecuteerd; zie Bullock, Hitler en Stalin, blz. 312ev. De populaire, meer gematigde Kirov was kort daarvoor, op het zeventiende partijcongres, nog een geduchte concurrent van Stalin gebleken; bij het kiezen van de secretaris verloor Kirov slechts met één stem van Stalin (en wellicht is bij de telling zelfs nog gesjoemeldVolkogonov, Triomf en tragedie, blz. 157; Sebag Montefiore, Stalin; het hof van de rode tsaar, blz. 135). Denkbaar is dat Stalin achter de moord op Kirov zat om een concurrent uit de weg te helpen, maar echt bewezen is dat nooit, ook niet na opening van de Sovjetarchieven.Chroesjtsjov verklaarde in zijn geheime partijrede in 1956 dat Stalin inderdaad opdracht tot de moord had gegeven. Volkogonov heeft uitgebreid gezocht in de archieven, maar niets gevonden, dit wijst er echter wel op dat er zich gaten in de archieven rondom de moord bevinden en dat veel direct bij de verhoren en afwikkeling betrokken NKVD-officieren later zelf zijn gefusilleerd, zie Triomf en tragedie blz. 161-167; Sebag Montefiore geeft aan dat het in elk geval zo is dat Stalin Kirov niet meer vertrouwde en dat de moord hoe dan ook een voorwendsel is geweest “tot het uitroeien van de Bolsjewistische kliek”, zie Stalin; het hof van de Rode tsaar, blz. 154 Hoe dan ook, de moord op Kirov leek Stalin goed uit te komen in zijn voornemen om ‘schoon schip’ te maken. De stemming op het laatste partijcongres had hem immers eens te meer duidelijk gemaakt dat zijn leiderspositie niet zo onwankelbaar was als hij zelf wel wilde geloven.
Direct na de moord op Kirov werd een door Stalin ontworpen noodwet afgekondigd (de Kirovwet) die de basis legde voor willekeurige terreur, zonder een schijn van wettelijkheid. In de navolgende jaren zouden minstens twee miljoen ‘vijanden van het volk’ worden gearresteerd, geëxecuteerd of verbannen naar de Goelag. De meest prominente slachtoffers werden veroordeeld tijdens een aantal grote, naar later bleek geënsceneerde processen in Moskou. Velen van hen waren ‘oud-bolsjewieken’ van het eerste uur, vaak vertrouwelingen van Lenin, veelal voormalig aanhangers en sympathisanten van Lev Trotski, maar met name in de latere processen ook personen die eerder tot de aanklagers behoorden, of anderszins ‘vuile handen’ hadden gekregen tijdens de grote zuivering.
Eerste showproces, 1936 thumb|220px|left|Kamenev leest de Pravda Het eerste showproces, bekend geworden als het 'proces van de zestien', vond plaats van 19 tot 24 augustus in de Oktoberzaal van het Huis der Vakbonden te Moskou. De belangrijkste aangeklaagden waren Grigori Zinovjev en Lev Kamenev, oude strijdmakkers van Lenin en partijleiders van het eerste uur, maar ook sympathisanten van Trotski in diens strijd met Stalin, midden jaren twintig. Zinovjev en Kamenev waren in 1935 al gearresteerd, kort na de moord op Kirov, en vanwege vermeende betrokkenheid veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid in Siberië. In 1936 werden ze samen met vijftien anderen opnieuw gearresteerd. De voornaamste aanklacht was het lidmaatschap van een zogenaamd Verenigd Trotskistisch-Zinovjistisch Centrum, een gefingeerde terroristische organisatie van waaruit ze aanslagen zouden hebben beraamd op Stalin en diverse andere leden uit de top van de partij.
Aanvankelijk weigerden Zinovjev en Kamenev te bekennen en ze vroegen om een onderhoud met het Politbureau. Toen hen dat onderhoud werd toegestaan, verschenen alleen Stalin, Vorosjilov en Jezjov (die niet eens volledig lid was van het Politbureau). Stalin verzekerde hen dat ze niet geëxecuteerd zouden worden als ze bekenden, hetgeen ze toezegden te zullen doen.
Het proces van de zestien stond formeel onder leiding van NKVD-hoofd en Volkscommissaris van Binnenlandse Zaken Genrich Jagoda, maar de touwtjes waren in feite reeds in handen van Jezjov, die hem spoedig na het proces zou opvolgen. Stalin en Jezjov, zo bleek na opening van de Sovjet-archieven,Stalin had gedurende de processen vrijwel dagelijks contact met Jezjov en ontving hem tussen 1935 en 1938 1100 keer, Sebag Montefiore, Stalin; het hof van de rode tsaar, blz. 230 bereidden de verhoren feitelijk getweeën minutieus voor. De uitvoering werd in handen gelegd van procureur-generaal Andrej Vysjinski. Zijn 'toornige' manier van optreden zou hem spoedig tot een bekende Europeaan maken.
thumb|290px|Rykov en Tomski (l) tijdens een partijbijeenkomst, 1930. Nadat hun namen waren genoemd in het eerste proces wisten ze dat hun lot bezegeld was. Tomski pleegde zelfmoord, Rykov werd daarvan door zijn familie weerhouden maar kwam in 1938 alsnog voor zijn scherprechters te staan De aangeklaagden werden beschuldigd van een ongelooflijke aaneenschakeling van vaak met elkaar verweven misdaden, in opdracht van een duistere samenzwering die werd geleid door Trotski, Kamenev en Zinovjev. De taal waarin Vysjinski zijn beschuldigingen uitte was zo ondoorgrondelijk, kolossaal en ongeloofwaardig dat het moeilijk voorstelbaar is dat de aanwezigen het hele proces niet als een mise-en-scène zullen hebben gezien.Sebag Montefiore, Stalin; het hof van de tsaar, blz 188 Dat laatste voor zover nog van enige relevantie, want het publiek bestond vrijwel louter uit NKVD-agenten plus enkele journalisten. De pers (Pravda) zorgde er vervolgens voor, eveneens op instructie van Stalin, deels ook via de 'hofdichter' Demjan Bedny, dat de volkswoede zich als vanzelf op de beschuldigden richtte. Uiteindelijk legden alle aangeklaagden een volledige bekentenis af, en passant nog vage beschuldigingen uitend richting andere Sovjetcoryfeeën als Boecharin, Rykov, Tomski en Radek (en daarmee het pad effenend voor volgende processen).Zie Sebag Montefiore, Stalin; het hof van de rode tsaar, blz 190 Vysjinski eiste “dat deze honden een voor een worden geëxecuteerd”. Terug in de gevangenis, met de belofte van Stalin nog in hun geheugen,Stalin had Kamenev ook beloofd zijn familie met rust te laten; een jaar na zijn executie werden zijn vrouw en oudste zoon geëxecuteerd, evenals zijn zus en haar man; de jongste zoon overleefde in een weeshuis, zie Volkogonov, Triomf en tragedie, blz 203 smeekten de vermeende terroristen om genade. Het mocht niet baten; binnen 24 uur werd iedereen tijdens een door NKVD-beul Vasili Blochin geleid ritueel in de Loebjanka-gevangenis geëxecuteerd.De kogels die Kamenev en Zinovjev doodden werden uit hun hoofden gehaald en gingen eerst naar Jagoda en na diens arrestatie naar Jezjov, die ze als een soort relikwieën bewaarde, zie Sebag Montefiore, Stalin; het hof van de tsaar, blz 196
Het ging om de volgende zestien personen: Grigori Zinovjev Lev Kamenev Grigori Jevdokimov Ivan Smirnov, volkscommissaris van communicatie Sergej Mratsjkovski, 'held' uit de burgeroorlog Vagarsjak Ter-Vaganjan, leider van de Armeense partijcel Ivan Bakajev Jefim Dreitzer Isak Reingold Richard Pickel Eduard Holtzman Fritz David Valentin Olberg Konon Berman-Jurin Moissej Lurje Nathan Lurje
Tweede showproces, 1937 thumb|230px|left|Stalin en Jezjov in overleg Het tweede grote showproces, het 'proces van de zeventien', vond plaats in januari 1937. Eigenlijk was dit een soort 'tussenproces', omdat Stalin de publieke opinie nog niet rijp achtte voor de eliminatie van Boecharin en Rykov.Zie Bullock, Hitler en Stalin, blz. 513-514 Tijdens dit proces werden de volkscommissaris van zware industrie, Georgi Pjatakov (eens toeverlaat van Lenin in financiële zaken), Karl Radek (die in 1917 samen met Lenin in een verzegelde trein via Duitsland naar Rusland was teruggekeerd), Grigori Sokolnikov (lid van het eerste Politbureau van 1917) en veertien andere voormalige aanhangers van Trotski berecht op beschuldiging van industriële sabotage en spionage.
Jezjov had nu inmiddels ook formeel de plaats als hoofd van de NKVD overgenomen van Jagoda en was opnieuw samen met Stalin het brein achter het spektakel. Het proces werd zo degelijk voorbereid dat zelfs de wilskrachtige Pjatakov een ontmoeting met Trotski in Oslo in geuren en kleuren beschreef (inclusief een missertje: Pjatakov zou in 1935 naar Oslo zijn gevlogen om Trotski in Hotel Bristol te ontmoeten, maar de Noorse autoriteiten konden al snel vaststellen dat er in die periode geen vlucht vanuit Rusland op Oslo was geweest en Hotel Bristol was al jaren gesloopt); volgens Pjatakov beschreef Trotski twee varianten om de macht te grijpen: een nog vóór de oorlog en een tijdens de oorlog. De eerste variant stelde Trotski zich volgens Pjatakov voor als een geconcentreerde terroristische aanval op Stalin en zijn directe helpers. De tweede variant, die Trotski waarschijnlijker achtte, was een militaire nederlaag.
thumb|220px|Vysjinski (midden), doet uitspraak tijdens het tweede showproces, januari 1937 De overige bekentenissen werden in dezelfde geest gedaan. De hand van Jezjov was duidelijk herkenbaar in de wijze waarop de bekentenissen waren verkregen: waar Stalin Zinovjev en Kamenev nog klein had gekregen door misleiding en uithongering, werden Pjatakov, Radek en de andere aangeklaagden, zo bleek met name na opening van de Sovjetarchieven, zwaar gefolterd.zie Volkogonov, Triomf en tragedie, blz. 213
Ook deze keer werden alle aangeklaagden schuldig bevonden. Procureur-generaal Vysjinski veroordeelde dertien van de zeventien aangeklaagden tot de hoogste strafmaat: de doodstraf. Vier personen werden gespaard en kregen dwangarbeid opgelegd, onder wie Karl Radek en Grigori Sokolnikov, zulks nadat zij gedetailleerde beschuldigingen hadden onderschreven tegen opnieuw Boecharin en Rykov, maar deze keer ook tegen maarschalk Toechatsjevski. Radek en Sokolnikov overleden beiden onder verdachte omstandigheden in een kamp, korte tijd na hun verbanning.
De veroordeelden tijdens het tweede showproces van 1937 (het ‘proces van de zeventien’) waren: Georgi Pjatakov Karl Radek (10 jaar dwangarbeid) Grigori Sokolnikov (10 jaar dwangarbeid) Nikolaj Moeralov Michail Bogoeslavski Leonid Serebrjakov Jacob Drobnis Ivan Hrasche Jakov Livtjits Ivan Knjasev Josif Toerok Stanislav Rataitsjak Boris Norkin Aleksej Sjestov Michail Strojlov (8 jaar dwangarbeid) P. Poesjin Valentin Arnold (10 jaar dwangarbeid)
Proces tegen de militairen