De Amerikaanse kakkerlak of grote kakkerlak (Periplaneta americana) is een insect uit de orde van de kakkerlakken (Blattodea) en de familie Blattidae.
Het is een wat grotere soort en kan een lichaamslengte tot 4,5 centimeter bereiken. De kakkerlak heeft een roodbruine lichaamskleur en de kop draagt twee lange antennes. Boven de kop is een verharde plaat gelegen die een lichtere achterrand heeft. In combinatie met de lichaamslengte is de Amerikaanse kakkerlak hieraan vrij eenvoudig van andere kakkerlakken te onderscheiden.
De kakkerlak is oorspronkelijk afkomstig uit noordelijk Afrika. Het is een van de insecten die zich met behulp van de mens via de Columbiaanse uitwisseling over de gehele wereld heeft verspreid. De Amerikaanse kakkerlak heeft vooral gebruikgemaakt van het transport van goederen per schip. De kakkerlak komt wereldwijd veel voor in huizen, vooral in keukens.
De Amerikaanse kakkerlak wordt in warmere streken veel aangetroffen in huizen en voedselverwerkende fabrieken. De kakkerlak wordt beschouwd als een plaaginsect omdat voedsel voor menselijke consumptie kan worden vervuild. Na contact met de kakkerlak kan voedsel dat als vers wordt beschouwd besmet zijn geraakt met verschillende ziekteverwekkers. Op de Amerikaanse kakkerlak kunnen zowel eencellige micro-organismen als parasitaire eencelligen en wormen worden aangetroffen. De Amerikaanse kakkerlak is een warmteminnende soort die een hekel heeft aan kou, in tropische streken komt de kakkerlak daardoor veel voor. In meer gematigde gebieden kan het insect zich hierdoor niet handhaven, in tegenstelling tot andere kakkerlakken.
Verspreiding thumb|right|De kakkerlak is een bodembewoner die leeft tussen de bladeren
De kakkerlak leeft in tropische delen van Afrika maar heeft zich al vele honderden jaren geleden gevestigd op andere continenten. Het is tegenwoordig een kosmopolische soort die op veel plaatsen in de wereld voorkomt. Ondanks de naam Amerikaanse kakkerlak, die ook terugkomt in de wetenschappelijk naam americana, komt de kakkerlak van origine niet uit Amerika.
De Amerikaanse kakkerlak kan zich handhaven op schepen en heeft zich hierdoor de afgelopen eeuwen over de wereld kunnen verspreiden. De Amerikaanse kakkerlak wordt vooral gevonden in havensteden. Het transport van slaven vanaf de zeventiende eeuw heeft waarschijnlijk sterk bijgedragen aan de verspreiding van de Amerikaanse kakkerlak. In Amerika heeft de soort zich waarschijnlijk al voor de slavenhandel op zijn hoogtepunt kwam al gevestigd. In West-Europese landen, zoals België en Nederland, wordt de Amerikaanse kakkerlak soms per ongeluk met handelswaar geïmporteerd en wordt hierdoor soms gevonden in kustplaatsjes maar heeft zich nergens weten te handhaven. Dit in tegenstelling tot andere soorten kakkerlakken die wel algemeen voorkomen, zoals de Duitse kakkerlak en de Oosterse kakkerlak.
In de natuur is de Amerikaanse kakkerlak een belangrijke afvaleter die leeft van rottende organische materialen. De kakkerlak bewoont de strooisellaag en leeft tussen de bladeren en houtsnippers. De Amerikaanse kakkerlak is sterker aan warmte gebonden dan andere kakkerlakken en leeft in warme, vochtige streken. Nachtvorst is fataal, zodat de soort in koudere delen van de wereld niet in de natuur kan overleven.
Kenmerken thumb|left
De Amerikaanse kakkerlak heeft een roodbruine kleur en een langwerpig-ovale en duidelijk afgeplatte lichaamsvorm. De kakkerlak kan een totale lichaamslengte bereiken van ongeveer drie tot vier centimeter. De Amerikaanse kakkerlak heeft net als alle insecten een in drieën verdeeld lichaam. Aan de voorzijde is de kop (A) of cephalon aanwezig, daarachter is het borststuk (B) of thorax gelegen en ten slotte volgt het gesegmenteerde achterlijf (C) of abdomen.
Aan de voorzijde zijn de antennes (1) en de ogen (2) duidelijk zichtbaar. De bovenzijde van de kop en het voorste deel van het borststuk worden beschermd door het halsschild of pronotum (3). Het achterlijf is grotendeels gelegen onder de vleugels, met bovenop de voorvleugels (4) die over elkaar gevouwen zijn en niet naast elkaar liggen zodat een schuine middennaad (5) ontstaat. Aan weerszijden zijn delen van het achterlijf zichtbaar, de tergieten (6), aan de achterzijde steken de achtervleugels (7) uit. Het uiteinde van het achterlijf draagt twee gelede tastorganen genaamd cerci (8).
De drie paar poten bestaan uit vergelijkbare delen, weergegeven zijn de dij of femur van de voorpoot (Fe), de scheen of tibia van de middelste poot (Ti) en de voet of tarsus van de achterste poot (Ta).
Kop thumb|right|Kop van de Amerikaanse kakkerlak met zichtbare ogen, antennen en palpen
De Amerikaanse kakkerlak heeft een naar onderen gekromde kop, de kop wordt hierdoor deels aan het oog onttrokken door het sterk vergrote halsschild. De Amerikaanse kakkerlak valt met name op door de lange sprieterige antennes, waardoor de voorzijde gemakkelijk is te onderscheiden van de achterzijde. De antennes hebben net als bij andere kakkerlakken geen verdikkingen en zijn dun en draadvormig, wat filiform wordt genoemd. De antennes bestaan uit enkele tientallen segmenten, het oppervlak bevat vele sensorische receptoren. De antennes dragen vele mechanosensorische receptoren, dit zijn zintuiglijke cellen die bewegingen registreren. Daarnaast bevatten de antennes vele chemosensorische vezels die geuren kunnen waarnemen en onderscheiden. De receptoren zijn gelegen in een groot aantal zeer korte en kleine haartjes op de antennes, die met het blote oog niet te zien zijn. Volwassen mannetjes hebben beduidend meer van deze structuren dan de vrouwtjes. Een juveniel mannetje dat bijna volwassen is heeft ongeveer 14.000 van dergelijke zintuiglijke vezels, maar een volwassen mannetje heeft er ongeveer 270.000 op iedere antenne. Bij mannetjes zijn de haartjes met name gevoelig voor vrouwelijke lokstoffen, die feromonen worden genoemd. De kakkerlak kan ook de luchtvochtigheid bepalen met de antennes. De luchtvochtigheid beïnvloed de weerstand van de receptoren.
Aan de voorzijde van de kop zijn de samengestelde ogen gelegen, die door hun zwarte kleur goed afsteken tegen de bruine kleur van de rest van de kop. De ogen zijn langwerpig van vorm en breder aan de bovenzijde. Net als andere insecten bestaan de ogen uit vele kleine suboogjes die de ommatidiën worden genoemd. De ogen van de kakkerlak zijn relatief slecht ontwikkeld, ze kunnen echter wel licht waarnemen.
De Amerikaanse kakkerlak heeft net als andere kakkerlakken geen gespecialiseerde monddelen. De belangrijkste monddelen zijn de kaken of cheliceren, ze bestaan uit een verharde en verbrede structuur die voorzien is van verhoornde, stekelachtige 'tandjes'. Deze dienen om het voedsel te verkleinen waarbij het voorste deel een snijdende functie heeft en relatief lange tanden draagt. Het achterste deel dient om te malen is hiertoe voorzien van plattere tanden. Naast de kaken beschikt de kakkerlak over twee paar mondtasters. Aan de bovenkaak of maxilla zijn de maxillaire palpen gelegen en de onderkaak of labium draagt een paar labiale palpen.
Borststuk thumb|right|Een mannetje eet van giftige lokgel.
Het borststuk bestaat uit drie delen, die net als bij andere insecten vergroeid zijn tot één geheel. Het voorste deel van het borststuk wordt aan de bovenzijde beschermd door het brede en sterk vergrote halsschild of pronotum. Het halsschild is bruin van kleur maar de rand is lichter, vooral aan de achterzijde. Het laatste -achterste- deel van het borststuk is onder de vleugels gelegen. De drie delen van het borststuk zijn als zodanig te herkennen doordat ieder deel steeds één paar poten draagt aan de onderzijde. De poten zijn vrij lang en zijn bruin van kleur, iedere poot bestaat uit vijf segmenten, de poot is aan het lichaam gehecht door de heup of coxa, deze is met de dijbeenring of trochanter verbonden met de dij of femur. Het volgende segment wordt de scheen of tibia genoemd en ten slotte is aan het uiteinde van iedere poot de voet of tarsus aanwezig. De tarsus bestaat zelf ook uit vijf segmenten, het laatste segment draagt kleine haakjes die de klauwtjes worden genoemd. Wat opvalt aan de poten en met name de dij en de scheen, zijn de vele stekelige haartjes. Deze dienen als tastorgaan en helpen de kakkerlak navigeren in kleine spleten.
De Amerikaanse kakkerlak is een gevleugelde soort de volwassen exemplaren dragen twee paar vleugels. Bij de jonge dieren of nimfen maar alleen vleugels. De imagines zijn hieraan gemakkelijk te onderscheiden van de juveniele dieren of nimfen. De vleugels zijn aan de bovenzijde van het borststuk gehecht, de Amerikaanse kakkerlak heeft een paar voorvleugels op het tweede borststuksegment en een paar achtervleugels op het derde borststuksegment. De voorvleugels of elytra zijn de zichtbare vleugels, ze hebben een leerachtig oppervlak en zijn bruinrood van kleur. De voorvleugels zijn enigszins doorzichtig en dienen om de achtervleugels te beschermen waarmee gevlogen kan worden. De achtervleugels of tegmina hebben een vliezig oppervlak en zijn veel transparanter dan de voorvleugels. De achtervleugels hebben een aanzienlijk groter oppervlak, ze zijn geplooid zodat ze in rust kunnen worden opgevouwen onder de voorvleugels.
De Amerikaanse kakkerlak is een langgevleugelde soort, de vleugels bedekken altijd het gehele achterlijf. Andere kakkerlakken hebben helemaal geen vleugels of zijn kortgevleugeld -ook wel halfgevleugeld- waarbij de vleugels ongeveer tot halverwege het achterlijf reiken.Bij de Amerikaanse kakkerlak is de lengte van de vleugels een belangrijk geslachtsonderscheid, die van de mannetjes zijn langer dan de vleugels van vrouwtjes. De vleugels van een mannetje reiken tot iets achter de achterlijfspunt terwijl ze bij een vrouwtje hooguit de achterlijfspunt bereiken. Zowel mannetjes als vrouwtjes kunnen in principe vliegen maar doen dit vrijwel nooit; de kakkerlak zal altijd proberen weg te rennen of zich op de grond laten vallen om te vluchten. Andere soorten kakkerlakken zijn betere vliegers, maar geen enkele kakkerlak is aan te merken als een behendige vlieger zoals zweefvliegen en libellen.
Achterlijf thumb|right|Vivisectie van een Amerikaanse kakkerlak
Het achterlijf van de Amerikaanse kakkerlak is volledig door de vleugels bedekt en wordt hierdoor aan het oog onttrokken. Alleen aan weerszijden is een deel van het achterlijf door de half transparante vleugels zichtbaar. Het achterlijf bevat alle belangrijke organen zoals het spijsverteringsorganen en de geslachtsorganen. Het achterlijf is duidelijk gesegmenteerd, het wordt beschermd door platen aan zowel de rug- als de buikzijde. De buikplaten worden de sternieten genoemd en de rugplaten de tergieten. De sternieten en tergieten worden om ze als zodanig aan te kunnen geven van voor naar achteren genummerd. Het voorste deel is het eerste deel, het achterliggende het tweede enzovoort.
De achterzijde van het achterlijf wordt de achterlijfspunt genoemd en draagt twee zachte, langwerpige structuren die de achterlijfsaanhangsels of cerci worden genoemd. Ze zijn relatief lang en kegelvormig; de basis is veel breder dan de punt. De cerci steken zijwaarts onder de vleugels uit en hebben een belangrijke functie als tastorgaan, ze zijn bij mannetjes langer in vergelijking met de cerci van vrouwtjes. De cerci van vrouwtjes bestaan altijd uit 13 of 14 segmenten. De cerci bestaan bij mannetjes uit meer segmenten, 18 of 19. De cerci zijn belangrijke zintuiglijke organen, ze zijn direct verbonden met het centrale zenuwstelsel.
Bij de mannetjes zijn tussen de cerci gepaarde aanhangsels gelegen die staafvormig zijn en de styli worden genoemd. De styli komen bij alle nimfen voor -mannelijk of vrouwelijk- maar verdwijnen bij vrouwtjes als ze voor de laatste maal vervellen en volwassen zijn. De styli van de mannetjes hebben een met de antennen vergelijkbare functie en kunnen geuren waarnemen.
Onderscheid met andere soorten thumb|right|Vergelijking met de Australische kakkerlak (rechts)