Basilio Sancho de Santa Justa y Rufina (Villanueva del Rebollar, 17 september 1728 – Manilla, 12 december 1787), ook bekend als Basilio Tomás Sancho Hernando, was een Spaanse geestelijke van de Orde der Piaristen, theoloog, koninklijk prediker en kwalificator van het Heilig Officie. Van 1767 tot zijn overlijden was hij aartsbisschop van Manilla. Tijdens zijn episcopaat probeerde Sancho het gezag van de aartsbisschop over de parochies te versterken en de parochiële organisatie te hervormen, maar daarbij ondervond hij veel weerstand van de religieuze orden. Hij steunde de door de Spaanse kroon bevolen verdrijving van de jezuïeten uit de Filipijnen en drong aan op een voortvarende uitvoering ervan, wat tot conflicten leidde met gouverneur-generaal José Antonio Raón en andere koloniale bestuurders. Hij zette zich in voor de geleidelijke overdracht van parochies aan de seculiere geestelijkheid en voor de opleiding van een Filipijnse geestelijkheid. Onder zijn bestuur werd de Kathedraal van Manilla herbouwd en vond in 1771 het Eerste Provinciaal Concilie van Manilla plaats. Kort voor zijn overlijden werd hij benoemd tot aartsbisschop van Granada.
Jeugd en opleiding Sancho werd geboren op 17 september 1728 in Villanueva del Rebollar in de huidige Spaanse provincie Teruel. Hij studeerde Latijn, retorica en poëzie aan het college van de Piaristen in Zaragoza, waar hij les kreeg van de paters Pedro Celma en Martín Martínez. Op 15 december 1743 ging hij naar het Colegio calasancio in Peralta de la Sal, waar hij zijn noviciaat bij de Piaristen doorliep. Op 18 februari 1745 legde hij zijn religieuze geloften af., Basilio Tomás Sancho Herrando, Historia Hispánica, Real Academia de la Historia, geraadpleegd op 12 september 2026., Un antijesuita en la mitra de Manila: Basilio Sancho de Santa Justa y Rufina, Revista de Historia Moderna, nr. 16, 1997, p. 353–362.
Na zijn intrede in de orde werd Sancho docent. In Zaragoza gaf hij onderwijs in de humaniora. Daarna onderwees hij de jongere leden van de orde filosofie in Daroca en theologie in Valencia.
Loopbaan in Spanje In 1761 benoemde Pedro Celma hem tot provinciaal secretaris. Een jaar later bevond Sancho zich in Madrid als vertegenwoordiger van de provincie Aragón aan het hof. Hij verwierf daar snel invloedrijke contacten. De infant Filips van Bourbon, hertog van Parma en broer van koning Karel III, benoemde hem tot zijn persoonlijk raadgever.
Sancho was daarnaast als theoloog en kwalificator verbonden aan de Spaanse inquisitie. Karel III benoemde hem tot prediker van de Koninklijke Kapel (Capilla Real de Madrid). Een van zijn laatste preken voor de koninklijke familie hield hij op 12 augustus 1765 tijdens de jaarlijkse rouwdienst voor Ferdinand VI. In hetzelfde jaar bracht hij een censuur uit over het Tratado de Regalía de Amortización van Pedro Rodríguez de Campomanes.
Benoeming tot aartsbisschop van Manilla In december 1765 droeg koning Karel III Sancho voor als aartsbisschop van Manilla. Op 28 december kreeg Sancho bericht van zijn voordracht en hij aanvaardde de benoeming. Voorafgaand aan zijn voordracht waren al drie andere priesters voor de functie voorgedragen, maar zij hadden de benoeming allemaal geweigerd. Zijn voordracht verliep vervolgens via de gebruikelijke procedure, waarbij toestemming van de generaal van de Piaristen werd verkregen en de kandidaat aan paus Clemens XIII werd voorgedragen. In april 1766 benoemde Clemens XIII hem tot aartsbisschop. Sancho ontving daarop de benoemingsbul en legde de eed af waarin hij zich verplichtte de wetten van het Koninklijk patronaat en de koninklijke regalia te eerbiedigen. De uitvoeringsbesluiten werden op 5 juni ondertekend.
Sancho verzocht paus Clemens XIII om zijn bisschopswijding in Madrid te mogen ontvangen, hoewel bisschoppen voor de Spaanse koloniën gewoonlijk in hun eigen bisdom werden gewijd. In juli 1766 trok hij zich ter voorbereiding terug in het college van de Piaristen in Getafe. De bisschopswijding vond plaats op 18 augustus 1766 in de kerk van La Merced in Madrid. De wijding werd verricht door Manuel Quintano Bonifaz, titulair aartsbisschop van Pharsalus en grootinquisiteur, met Juan Manuel Argüelles, titulair bisschop van Botrys, en Felipe Pérez Santa María, titulair bisschop van Constantia in Arabia, als medeconsecratoren.
Reis naar de Filipijnen Sancho aanvaardde de koninklijke benoeming uit plichtsbesef, maar zag zijn vertrek naar de Filipijnen ook als een mogelijkheid om daar scholen van de Piaristen te stichten. Hij wilde de Piaristen in de Filipijnen vestigen en begon daarvoor plannen te maken. In zijn correspondentie met de generaal van de orde, José María Giuria, vroeg hij toestemming om religieuzen van de orde mee te nemen.
Giuria stelde vier piaristen ter beschikking die Sancho naar de Filipijnen zouden vergezellen: Martín Martínez, zijn voormalige leraar in Zaragoza en inmiddels rector van het Colegio de San Fernando in Madrid, Ildefonso García, José Ballano en de geestelijke Joaquín Traggia. Sancho kreeg daarnaast een reliek van Jozef van Calasanz om in zijn borstkruis te laten verwerken.
Hoewel invloedrijke personen aan het hof graag hadden gezien dat Sancho in Madrid bleef als biechtvader van de kroonprins, de latere Karel IV, kon hij uiteindelijk toch vertrekken. Op 16 februari 1767 scheepte hij zich met zijn gezelschap in Cádiz in. Op 18 juli kwamen zij aan in de haven van Manilla. Sancho nam op 22 juli bezit van zijn aartsbisdom.
Kort na zijn aankomst in Manilla maakte Sancho bekend dat hij een pastorale visitatie van het gehele aartsbisdom wilde uitvoeren. De reguliere orden verzetten zich hiertegen. Het versterken van de bisschoppelijke jurisdictie tegenover de reguliere geestelijkheid werd een van de belangrijkste doelen van zijn episcopaat. Daarnaast wilde Sancho de parochies geleidelijk laten bedienen door een goed opgeleide lokale seculiere geestelijkheid.
Aartsbisschop van Manilla Herbouw van de kathedraal Na zijn aankomst begon Sancho onmiddellijk met zijn werkzaamheden als aartsbisschop. Een van zijn eerste grote projecten was de herbouw van de Kathedraal van Manilla, die tijdens de Slag om Manilla, door de troepen van admiraal Samuel Cornish en brigadegeneraal William Draper, zwaar was beschadigd. Van het gebouw stonden alleen de dragende muren nog overeind.
Onder leiding van de piarist José Ballano werden het dak, de koepel boven het kruispunt en de altaren herbouwd. Sancho bekostigde persoonlijk het hoofdaltaar, gewijd aan de Onbevlekte Ontvangenis, de kapel van het tabernakel, die als parochiekerk diende, en een altaar ter ere van Jozef van Calasanz. Hij besteedde hieraan 3000 mark en 24.000 ons zilver. De werkzaamheden duurden meerdere jaren.
Pastorale visitatie en verhouding tot de religieuze orden Het aartsbisdom Manilla was in 1595 tot aartsbisdom verheven en had de bisdommen Nueva Cáceres, Nueva Segovia en Cebu als suffragane bisdommen. Bij het aantreden van Sancho werden de pastorale en missionaire werkzaamheden in het aartsbisdom grotendeels uitgevoerd door de augustijnen, franciscanen, jezuïeten, dominicanen en augustijnen-recollecten. Zij bedienden 427 plaatsen met meer dan 756.000 inwoners. De seculiere geestelijkheid was verantwoordelijk voor 142 plaatsen met ongeveer 150.000 inwoners.
De komst van de piaristen werd door de meeste reguliere orden met wantrouwen ontvangen. Enkele weken na zijn aankomst, op 4 augustus 1767, vroeg Sancho de provinciale oversten van de religieuze orden om hun standpunt over de voorgenomen visitatie. De augustijnen, franciscanen en augustijnen-recollecten wezen een visitatie van hun parochies af, terwijl de dominicanen zich tijdens hun provinciale raad van 5 augustus 1767 aanvankelijk bereid toonden mee te werken. De andere orden bleven zich tegen de visitatie verzetten., Autoridad episcopal y órdenes religiosas en Filipinas. Un episodio importante del pontificado del arzobispo Basilio Sancho, Ifigea, nr. 5–6, 1988–1989, p. 217–229.
De daadwerkelijke visitatie begon op 7 januari 1768 en duurde tot april van dat jaar. Sancho bezocht veertien parochies en enkele buitenplaatsen in vier provincies van het aartsbisdom. De provincies Pampanga, Bulacán, Zambales, Bataan en het eiland Mindoro werden niet bezocht. In de parochies die door seculiere geestelijken en dominicanen werden bediend, kon Sancho zijn bisschoppelijke bevoegdheden daadwerkelijk uitoefenen. In plaatsen die door andere religieuze orden werden bestuurd, beperkte hij zich tot het toedienen van het vormsel en het zegenen van de bevolking. De visitatie van 1768 gaf bovendien een beeld van de samenstelling van de seculiere geestelijkheid. Onder de bezochte pastoors bevonden zich zowel geestelijken uit Spanje als Filipijnse geestelijken en mestiezen. Uit de visitatieverslagen van Sancho bleek geen duidelijk verschil in academische opleiding tussen de Filipijnse en Spaanse geestelijken.
Sancho stelde daarop seculiere priesters aan in enkele vacante parochies. Omdat er weinig Spaanse priesters beschikbaar waren, liet hij ook Filipijnse geestelijken tot priester wijden om het tekort aan te vullen. In 1768 nam het aantal parochies onder de seculiere geestelijkheid verder toe. De reguliere orden reageerden hierop met grote ergernis en dienden bij de koning een verzoekschrift in tegen de maatregelen van de gouverneur en de aartsbisschop. Sancho richtte op 10 mei 1768 op zijn beurt een uitvoerig verzoekschrift aan de koning over het conflict. Gouverneur José Antonio Raón trok vervolgens zijn steun voor de toepassing van het Koninklijk Patronaat terug. Het versterken van de bisschoppelijke jurisdictie tegenover de reguliere geestelijkheid en het geleidelijk overdragen van parochies aan de lokale seculiere geestelijkheid waren belangrijke doelen van zijn episcopaat. en (red.), The Philippine Islands, 1493–1898, dl. L, 1764–1800, Cleveland, The Arthur H. Clark Company, 1907, Historia general de Filipinas desde el descubrimiento de dichas islas hasta nuestros días, dl. II, Madrid, Establecimiento Tipográfico de la Viuda e Hijos de Tello, 1894, p. 138–139.
Het aantal parochies onder de seculiere geestelijkheid nam vervolgens sterk toe. Bij het aantreden van Sancho bedienden seculiere priesters slechts 15 van de 121 parochies in het aartsbisdom. In 1771 waren 57 parochies aan de seculiere geestelijkheid toevertrouwd. Daarvan waren vijftien voormalige jezuïetenparochies, acht voormalige dominicaanse parochies en achttien voormalige augustijnse parochies., The Administration of Simon De Anda y Salazar, Governor-General of the Philippines, 1770–1776, Chicago, Loyola University Chicago, 1973.
De reguliere orden beriepen zich bij hun verzet onder meer op de in de tijd van aartsbisschop Diego Camacho y Ávila gesloten Concordia, die hen verplichtte zich tegen bisschoppelijke visitaties te verzetten. Sancho beriep zich daarentegen op de pauselijke bullen en de voorschriften van de koning en de Raad van Indië. Een koninklijke cédula van 28 december 1773 bepaalde uiteindelijk dat de reguliere geestelijkheid zich aan de diocesane visitatie en aan de wetten van het Koninklijk Patronaat moest onderwerpen. Sancho kon de visitatie daarop uitvoeren. Hij deed dit met grote volharding en gematigdheid, waarbij hij diplomatie en voortdurend persoonlijk overleg inzette.
Tijdens de visitaties onderzocht Sancho niet alleen de geestelijke toestand van de parochies, maar ook het functioneren van de pastoors en de materiële en financiële toestand van de kerken. Hij greep daarbij in bij geconstateerde misstanden. Zo dreigde hij een augustijnse parochie aan de seculiere geestelijkheid over te dragen wanneer de pastoor geen doopvont zou laten plaatsen. Ook liet hij het traliewerk van een biechtstoel aanpassen omdat de biechtelingen anders herkenbaar waren.