De Sint-Elisabethkathedraal in Košice (in het Slowaaks: Dóm svätej Alžbety) is de hoofdkerk van het aartsbisdom Košice.

Ze bevindt zich midden van de Hlavná ulica (Hoofdstraat). De kerk werd gebouwd in gotische stijl ter herinnering aan de heilige Elisabeth van Hongarije en is - met een oppervlakte van 1200 m² en een capaciteit van 5000 personen - de grootste kerk van Slowakije. Ze is tevens de meest oostelijk gelegen gotische kathedraal in Europa. De constructie van dit gebedshuis had een zekere invloed op gebouwen in naburige steden, zoals Prešov, Bardejov, Sabinov en Rožňava, maar ook op de architectuur van sommige kerken in Polen en Transsylvanië (Sibiu, Brașov, Cluj). De kathedraal bestaat uit een hoogkoor (waar het hoofdaltaar staat), een sacristie aan de noordkant, een voorportaal aan de zuidkant, en twee zijbeuken. De indeling van het interieur is uniek. Vier ondergeschikte beuken kruisen in hun centrum de middenbeuk die dezelfde hoogte en breedte heeft. Hierdoor ontstaat in het midden van de kathedraal een grote centrale ruimte. Buiten bemerkt men drie frontons, alle met dezelfde afmetingen. Ze zijn rijkelijk versierd met middeleeuws Centraal-Europees beeldhouwwerk. De bouw van de kerk was gespreid over meer dan 100 jaren: vanaf ongeveer 1380 tot 1490. Sedertdien onderging ze verscheidene renovaties: de belangrijkste vond plaats vanaf 1877 tot 1896 waarbij de originele gotische stijl hersteld werd. Het complex dat benevens de kathedraal, ook de Sint-Michielskapel en de Urbanustoren omvat, werd in 1970 geproclameerd als nationaal cultureel monument.

Ligging thumb|400px|«Alžbetina ulica» met zicht op de Sint-Elisabethkathedraal. De kerk is gelegen in het oosten van Košice, in het oude stadscentrum (Slowaaks: Staré mesto) en bevindt zich op het kruispunt van de straten Hlavná, Alžbetiná en Mlynská. Ze heeft een lengte van 60 meter en een breedte van 36 meter. De noordelijke toren heeft een hoogte van 59 meter. De lengte van de middenbeuk is 24 meter, en de kruisbeuken hebben alle een lengte van 12 meter.

Geschiedenis De vorige kerk De oudste kerk in Košice werd ongetwijfeld gebouwd omstreeks het midden van de 11e eeuw. Ze was opgetrokken in de romaanse stijl, en gelegen op de plaats van de huidige Sint-Elisabethkerk maar was gewijd aan de heilige Michaël. Ze werd in 1230, in het eerste schriftelijk document aangaande de stad, vermeld als parochiekerk. Na de vestiging van Duitse kolonies in Košice, in de jaren 1240, toen de heilige Elisabeth patrones van de stad werd, veranderde de kerk van beschermheilige. De overgang van het bouwwerk naar de gotische stijl gebeurde onder leiding van Villard de Honnecourt en duurde de ganse tweede helft van de 13e eeuw. Er werd een koorsluiting en gotische gewelven gebouwd, maar de kerk behield nochtans haar romaanse toren. Uit de geschriften van paus Martinus IV in 1283 blijkt dat de kerk in dat jaar reeds aan Sint-Elisabeth was opgedragen. De funderingen van deze romaans-gotische kerk werden blootgelegd tijdens de grote renovatiewerken van de jaren 1882-1884. Het priesterkoor, dat gericht was naar het oosten, omvatte destijds 11,5 bij 10,25 meter en de middenbeuk 27,8 bij 14 meter. Het geheel was 520 m² groot. Deze parochiekerk liep ingevolge een brand schade op in 1380, maar werd hersteld en behield haar functie tot de bouw van de huidige constructie. Thans zijn nog enkele romaanse objecten zichtbaar, zoals een beeld dat een leeuw voorstelt, de doopvont, en enkele grafstenen.

Eerste bouwfase vanaf het einde der 14e eeuw, tot 1420 thumb|120px|Paus Bonifatius IX De brand van de oude Sint-Elisabethkerk omstreeks 1380 was de aanleiding voor de bouw van een nieuwe kerk. Het toenmalige weelderige gebouw weerspiegelde de middeleeuwse voorspoed van de stad Košice. De handel en de ambachten beleefden immers (na de toekenning van privileges aan de stad, door de monarchen van het huis Anjou-Sicilië) bloeiende dagen. De rijke burgerij financierde de bouw van een gotische kathedraal met de hulp van keizer Sigismund van het Heilige Roomse Rijk. Deze laatste besteedde er de helft van een invoerheffingen aan, die de handelaars verschuldigd waren bij hun aankomst in het koninkrijk Hongarije. De bouw werd eveneens ondersteund door de Romeinse Curie. Zo gaf paus Bonifatius IX in 1402 een bul uit, met betrekking tot aflaten ten voordele van de pelgrims die een bijdrage offerden voor de bouw van de kathedraal van Košice. Deze werkwijze gold ook voor bezoekers van de Venetiaanse San-Marcobasiliek en voor de Portiuncula in Assisië. De eerste bouwfase duurde tot 1420. Gedurende deze etappe werd de kerk opgericht volgens het plan van een basiliek met vijf beuken. Het optrekken van de muren ving aan omheen het oorspronkelijke gebouw van de Sint-Elisabethkerk.

Vooreerst werden in de zijbeuken het zuidelijk deel van de koornissen gebouwd. Vervolgens construeerde men de zuidelijke muur, het zuidelijk portaal, en de oostelijke muur waarin twee torenverdiepingen hun plaats kregen. Een atelier - afdoende uitgerust met de nodige middelen - produceerde ter plaatse stukken in de Silezisch gotische stijl. De kunstenaars van dat atelier werkten op het einde van de 14e eeuw ook voor de bouw van de naburige Franciskanenkerk, in de noordelijke wijk van Košice. Ter zake bestaat er een geschreven vermelding van 1411 van een zekere meestergast Nicolas evenals een geschrift van een zekere Sigismund die in 1420 beiden in dienst waren van architect Pierre de Buda.

Tweede bouwfase van 1420 tot 1440 Na 1420 bracht een nieuw atelier een belangrijke verandering in het bouwontwerp.

De indeling van de basiliek in vijf laatgotische beuken was inmiddels in de tijdsgeest voorbijgestreefd. Een behoefte aan hoge gewelven, licht en ruimte, leidde tot het verlaten van het originele plan en tot een vermenging van de zijbeuken, hetgeen resulteerde in een kathedraal met drie beuken. Daarbij had het transept dezelfde hoogte als de middenbeuk. Dit transept werd op een ongewone manier geïntegreerd in het middelpunt van de middenbeuk, waardoor in het centrale deel van de kerk een brede ruimte ontstond.

De plaatsing van beeldhouwwerken aan het hoofd- en aan de zijportalen, evenals de decoratie, was voorzien in de tweede bouwfase. Deze verfraaiing was geïnspireerd door kunstwerken in Praag en Krakau, die tot het hogere niveau van de gotische beeldhouwkunst behoorden. De invloed van meester Petr Parlér die voordien - tijdens de tweede helft van de 14de eeuw - gewerkt had aan de Sint-Guidokathedraal in Praag, was duidelijke zichtbaar aan de vorm van de koninklijke bidkapel en de bijhorende wenteltrap.

In die tijd werkte men ook verder aan: de noordelijke buitenmuur van de veelhoekige koorsluiting in de noordelijke kruisbeuk, en aan de toren met acht verdiepingen, genaamd Sigismundtoren. Op het einde van deze tweede fase was de kerk gereed voor de bouw van gewelven en bijgevolg werd het tijd om de oude kerk te ontmantelen. De parochiekerk werd dan tijdelijk ondergebracht in een vlakbij gelegen kapelletje, dat destijds als Sint-Michielskerkje bekend stond, en waarvan de bouw reeds voltooid was omstreeks het einde van 1400.

Derde bouwfase van 1440 tot 1462 Na de sloop van de oude Sint-Elisabethkerk werd het stervormig gewelf van het nieuwe gebouw voltooid. De steunpunten tussen de traveeën werden afzonderlijk gebouwd, zonder deze traveeën te kruisen. In deze fase werd ook de sacristie gebouwd evenals het hoogkoor.

De Sigismundtoren werd in dezelfde periode afgewerkt en in 1453 werden op de vijfde verdieping de stadswapens gebeeldhouwd, volgens een pas door koning Ladislas I van Bohemië bepaalde indeling. Het jaartal 1462, gegraveerd boven het portaal van de hoofdingang, duidde het einde der torenwerken aan.

Vierde bouwfase: van 1462 tot 1490 Nadat de Sigismundtoren was afgewerkt, verschoof de aandacht naar de zuidelijke toren, die de naam kreeg van de toenmalige koning, weldoener en gulle schenker: Matthias Corvinus. Doordat er voor deze werken andere leidinggevenden waren, werd de Matthias Corvinustoren geconstrueerd met meer versieringen en met een meer verticale structuur dan de Sigismundtoren. Gelijktijdig geraakte het zuidelijk portaal en zijn fronton voltooid. Op dit portaal vindt men thans nog verscheidene aanduidingen met betrekking tot de omvang van de giften geschonken door Matthias Corvinus. Vanaf ongeveer 1464 tot 1490 werkte een bouwmeester in vast dienstverband op de werf. Volgens historische bronnen was zijn naam: Stephanus Lapicidus, ook Maister Steffen Staimecz Werkmaister zu Khassaw genoemd. Hij was vermoedelijk van Duitse afkomst, was een beschermeling van koning Matthias Corvinus en leidde in de stad een atelier met eigen werklui.

Door zijn goede reputatie had hij in 1464-1465 - benevens zijn werk in Košice - eveneens de bouwopdracht voor een nieuwe Sint-Egidiuskerk in Bardejov.

In de kathedraal bouwde Stephanus Lapicidus de zijkapellen die niet op de originele plans voorkwamen, maar wel gewenst waren en gefinancierd werden door welgestelde families.

De volgende elementen werden geconstrueerd : in 1475, met de geldelijke hulp van senator Auguste Cromer: de kapel van het Heilig Kruis; in 1477, met een gift van de familie Satmáry: de kapel van de Heilige Maagd Maria; naar het einde van de 15de eeuw: de Sint-Jozefskapel aan de noordelijke muur. Deze kapel is thans verdwenen.

Het stenen tabernakel was een creatie van Stephanus Lapicidus, en naar alle waarschijnlijkheid was dat ook het geval voor het reliëf van Sint-Elisabeth tegen de muur van de sacristie.

De regeerperiode van Matthias Corvinus strekte zich uit van 1458 tot 1490 en stemde ongeveer overeen met de vierde bouwfase. Ze werd gekenmerkt door belangrijke kunstontwikkelingen met een rijk gotisch meubilair als resultaat. Daarvan kon in de loop der jaren slechts een klein gedeelte bewaard worden. Desondanks kan men heden ten dage nog steeds het hoofdretabel van Sint-Elisabeth bewonderen. Het werd van 1474 tot 1477 verwezenlijkt door vier of vijf anonieme auteurs.

Laatste bouwfase: 1491-1508 Na het overlijden van koning Matthias (†1490) kende Hongarije een successieoorlog tijdens dewelke de Poolse regent Jan I Albrecht in 1491 in Košice zetelde. Als gevolg daarvan onderging Košice voor het eerst in de geschiedenis een bombardement, waarbij de kathedraal hard geraakt werd. Het herstel werd toevertrouwd aan Nikolaus Krompholz uit Nysa, bijgestaan door architect Václav uit Praag. Volgens de inscripties op de westelijke gevelkroonlijst duurden hun werkzaamheden van 1496 tot 1498. Vanaf 1496 tot 1497 herstelden ze aan de Sigismundtoren het dak en de frontons. Bovendien werd er een uurwerk aangebracht. Onder hun leiding werd in 1508 ook de pastorij afgewerkt. Dit jaartal markeert het einde van de bouw der kathedraal. Deze evolutie wordt bevestigd in een rol perkament waarop het jaar en de naam van architect Krompholz voorkomen. Het document in kwestie werd 400 jaar na de feiten, in een steunpijler van de pastorij, tijdens restauratiewerken in 1908 aangetroffen.

Reformatie en contrareformatie In 1556 brak in Košice een brand uit, die aan de kathedraal vernielingen toebracht. De herstellingswerken werden tot een goed einde gebracht door architect Stanislav uit Krakau, de meester-timmermannen Juraj en Gabriël, evenals steenhouwer Matej.

Vanaf 1556 kwam de kathedraal echter in de handen van de protestanten. Zij bezetten de tempel tot 1604: het jaar waarin de aartsbisschop van Eger de kerk met geweld terug in het bezit nam. Deze geestelijke vocht tegen het oprukken van het Turkse leger dat sedert 1597 Košice had ingenomen en ook de stad Eger (zetel van het aartsbisdom) bezette.

Maar de machtige edelman István Bocskai (Cluj-Napoca 1557 - Košice 1606) schonk de kathedraal aan de calvinisten, die ze slechts in 1671, op bevel van keizer Leopold I, aan het kapittel van Eger teruggaven. Vrij spoedig werden noodzakelijke herstellingen uitgevoerd en de kapittelschat werd naar de kerk overgebracht.