thumb|180px|Capt. Charles C. Boycott Charles Cunningham Boycott (Burgh St Peter (Norfolk), 12 maart 1832 - Flixton (The Saints), 19 juni 1897) was een Brits rentmeester in Ierland, wiens totale sociale isolatie door de plaatselijke bevolking in 1880 het Engels verrijkte met het werkwoord "to boycott". De sociale isolatie was een onderdeel van de campagne voor meer rechten voor pachters van bouwland. Boycott was nog als kapitein in dienst van het Britse Leger (39e (Dorsetshire) Regiment te Voet) toen hij naar Ierland kwam. Later trad hij als rentmeester in dienst van lord Erne John Crichton, de grootgrondbezitter in de omgeving van Lough Mask in County Mayo. The Keep Military Museum over Charles Boycott. Laatst bezocht 24-10-2010.

In de jaren 1870 en 1880 liep er een campagne van de Irish Land League onder leiding van Charles Stewart Parnell en Michael Davitt. Inzet van deze campagne waren de "Three F's": Fair Rent (redelijke pacht), Fixity of tenure (pachtbescherming) en Free sale (vrije verkoop, zowel van oogsten als bezittingen bij het einde van een pachttermijn) teneinde de pachters te beschermen tegen uitbuiting. Lord Erne en rentmeester Charles Boycott gingen niet op deze eisen in. Daarop trok de Land League in 1880 de (buren)hulp terug voor de oogsttijd. Toen Boycott probeerde de campagne te ondermijnen, werd een campagne gestart om hem te isoleren van de lokale gemeenschap. Buren spraken niet meer met hem of zijn personeel. Winkels weigerden te leveren en/of te bedienen. Plaatselijke arbeiders weigerden onderhoudsopdrachten voor het landgoed en de postbode weigerde de post langs te brengen.

De campagne tegen Boycott werd een cause célèbre in de Britse pers. Verschillende kranten stuurden journalisten om verslag te doen van deze zaak. De meeste kranten zagen het als het slachtofferen van een medewerker van de Britse adel door Ierse nationalisten. Vijftig orangemen uit County Cavan en County Monaghan reisden naar het landgoed van lord Erne om de oogst te redden. Een regiment soldaten en ruim 1000 man van de Royal Irish Constabulary werden ingezet om de landarbeiders te beschermen tijdens het oogsten. De gehele episode heeft de Britse regering naar schatting £10 000 gekostR. F Foster, Modern Ireland om een aardappeloogst binnen te halen ter waarde van ongeveer £350.Kapitein Boycotts schatting van de waarde van de oogst

Boycott verliet Ierland op 1 december 1880. Hij stierf in 1897, 65 jaar oud.

Jonge jaren en familie Charles Cunningham Boycott (oorspronkelijk Boycatt) werd op 12 maart 1832 geboren als zoon van Georgiana en dominee William Boycatt. Hij groeide op in het dorp Burgh St Peter in Norfolk, Engeland.Boycott, (1997) p. 4 De familie Boycatt/Boycott woonde al bijna 150 jaar in Norfolk. Van oorsprong waren zij hugenoten uit Frankrijk. Zij ontvluchtten Frankrijk in 1685 toen Lodewijk XIV burgerlijke en religieuze vrijheden voor protestanten introk. Om onbekende redenen wijzigde de familie in 1841 de naam van Boycatt in Boycott.Marlow, (1973) pp 13–14 Charles ging naar school op de kostschool Blackheath. Reeds op jonge leeftijd toonde hij interesse voor militaire dienst. In 1848 werd hij toegelaten tot de Royal Military Academy in Woolwich met de bedoeling toe te treden tot het Corps Royal Engineers (Genie). Hij werd in 1849 van de academie gestuurd na gezakt te zijn voor een periodiek examen.Boycott, (1997) pp 84–85 Ter vervanging werd in 1850 een officiersaanstelling voor hem gekocht in het 39e (Dorsetshire) Regiment te voet voor de somma van £450.Marlow, (1973) pp 18

Het regiment vertrok na het in dienst treden van Boycott naar Belfast. Zes maanden later trok het naar Newry. Hier bleef het regiment maar kort alvorens naar Dublin te marcheren. Hier ontmoette Boycott Anne Dunne. Zij trouwden in 1852 in St. Paul's Church, Arran Quay te Dublin. Gedurende zijn dienst bij het "39e Voet" was Boycott lange tijd ziek: van augustus 1851 tot februari 1852. Onder meer vanwege zijn ziekteperiode besloot hij in 1853 zijn officiersaanstelling te verkopen.Boycott, (1997) pp 89–95

Na zijn vertrek uit het leger besloot Boycott zich in Ierland te vestigen. Hij pachtte een boerderij in County Tipperary, waar hij als kleine verhuurder optrad.Marlow, (1973) pp 19-27

Leven op Achill Island Na ontvangst van een erfenis, werd Boycott overgehaald door zijn vriend, Murray McGregor Blacker, een lokale magistraat, om te verhuizen naar Achill Island, een eiland voor de kust van County Mayo. McGregor Blacker ging ermee akkoord 2000 acre (ruim 809 hectare) land op Achill Island, eigendom van de Irish Church Mission Society, aan hem onder te verpachten. Hij zou gezegd hebben dat het leven op Achill Island aanvankelijk moeilijk was, maar dat pas na een "lange strijd tegen ongunstige omstandigheden" de zaken voorspoedig liepen en hij welvarend werd. Na de ontvangst van nog een erfenis en zijn succesvolle landbouwactiviteiten kon hij een groot huis laten bouwen nabij Dooagh.Marlow, (1973), pp 29–43

Boycott raakte gedurende zijn tijd op Achill bij een aantal geschillen betrokken. Twee jaar na zijn aankomst werd hij door Thomas Clarke aangeklaagd wegens mishandeling. Clarke stelde dat hij naar het huis van Boycott was gegaan, aangezien deze hem nog geld schuldig was. Hij had Boycott gevraagd de schuld in te lossen. Deze weigerde en verzocht Clarke weg te gaan, wat deze weigerde. Clarke beweerde dat Boycott toen op hem afgekomen was en had gezegd "If you do not be off, I will make you" (Als je niet weggaat, zorg ik ervoor dat je weggaat). Later trok Clarke alle beschuldigingen in en verklaarde dat Boycott hem ook geen geld schuldig was.

Zowel Boycott als McGregor Blacker waren betrokken in een langdurig geschil met Carr, de rentmeester van het "Achill Church Mission Estate", en O'Donnell, de deurwaarder van Carr. Het geschil begon toen Boycott en Carr verschillende groepen kandidaten steunden voor de Raad van Beheer van de Church Mission Estate. De door Boycott gesteunde kandidaten wonnen deze verkiezing. Carr was ook de plaatselijke ontvanger van wrakken voor het gebied, wat betekende dat hij recht had op de berging van alle scheepswrakken en hun lading in het gebied en de goederen moest bewaren tot zij verkocht werden op een openbare veiling. In die tijd was berging een tamelijk winstgevende aangelegenheid en de lokale ontvanger had recht op een percentage van de verkoop evenals recht op alles wat niet verkocht werd. In 1860 schreef Carr een brief naar de "Officiële Ontvanger van Wrakken" waarin hij stelde dat Boycott en zijn mannen op illegale wijze een schip geborgen hadden en de goederen naar Boycotts landgoed hadden gebracht. Als tegenactie klaagde Boycott Carr aan voor smaad en eiste 500 pond schadevergoeding.

Leven in Lough Mask vóór de controverse In 1873 verhuisde Boycott naar "Lough Mask House". Dit huis was eigendom van lord Erne en lag nabij Ballinrobe in County Mayo. Boycott had ingestemd met het voorstel van lord Erne om rentmeester op zijn landgoed te worden. In die rol moest Boycott onder meer de huur innen van de pachters. In totaal moesten de pachters 500 pond per jaar betalen aan huur, waarvan Boycott als rentmeester 10% commissie kreeg.

In zijn rollen als boer en rentmeester had Boycott tal van mensen uit de omgeving in dienst als arbeider, staljongen, koetsier of huisbediende. In het boek Captain Boycott and the Irish stelt auteur Joyce Marlow dat Boycott vast zat in een bepaald gedachtepatroon en dat zijn 20 jaar op Achill Island hem "gesterkt hadden in zijn aangeboren overtuiging van het goddelijk recht van de meesters, en de neiging zich te gedragen zoals hij goed achtte, om te handelen zonder rekening te houden met de standpunten of gevoelens van anderen".Marlow, (1973) pp 59–70

In de tijd voor het geschil begon had Boycott zich al impopulair weten te maken bij de pachters. Hij was magistraat geworden én was Engelsman, wat zeer waarschijnlijk bijgedragen heeft tot zijn impopulariteit. Volgens Marlow speelde ook zijn temperament een rol. Terwijl Boycott zelf beweerde dat hij op goede voet stond met zijn pachters, zeiden zij juist dat hij vele kleinzielige beperkingen opgelegd had. Voorbeelden hiervan waren onder meer een verbod op het open laten van hekken en een verbod kippen op zijn gronden te laten komen. Ook had hij het privilege om hout te verzamelen op zijn landgoed ingetrokken. In augustus 1880 gingen zijn arbeiders in staking over een dispuut over loonsverhoging.Marlow, (1973) pp 133–142

Lord Erne Lord Erne, de derde graaf van Erne, woonde in Crom Castle in county Fermanagh. Hij was een rijke landheer en in het bezit van ruim 16.300 hectare grond. Daarvan lag ruim 12.700 hectare in county Fermanagh, 1953 hectare in county Donegal, 808 hectare in county Sligo en 884 hectare in County Mayo. Lord Erne had verder bezittingen in Dublin.Boycott, (1997) pp 212 Van de 884 hectare die lord Erne bezat in County Mayo, werd 607 hectare beheerd door Boycott.

De eerste boycot Historische achtergrond thumb|180px|right|Michael Davitt ca. 1878thumb|180px|right|Charles Stewart Parnell In de 19e eeuw was de landbouw de grootste sector in Ierland. In 1876 werd in opdracht van de regering van Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland een onderzoek gedaan naar het grondbezit in Ierland. Daaruit bleek dat bijna al het land in Ierland eigendom was van een groep van zo'n tienduizend personen (0,2% van de bevolking). De meeste daarvan waren kleine grondeigenaren maar de 750 grootsten bezaten samen het halve land. Vele van de rijkste grootgrondbezitters waren "afwezige heren" die het dagelijks beheer van hun bezittingen overlieten aan rentmeesters zoals Charles Boycott. Zelf woonden zij vaak in Dublin, Belfast of Groot-Brittannië.Collins, (1993) pp 19–35

Grootgrondbezitters verdeelden normaal gesproken hun landgoederen in kleinere bedrijven, die dan verpacht werden. Een dergelijk pachtcontract was doorgaans geldig voor één jaar en kon te allen tijde worden beëindigd, zelfs als de pacht netjes betaald was. Sommige van de pachters waren zelf grote boeren die meer dan 40 hectare bezaten. De meerderheid van de pachters bezat echter veel minder land, zo tussen de 6 en 20 hectare was gebruikelijk. Veel van de kleine pachters werkten daarnaast als arbeiders op de grotere boerderijen. De armste klasse landarbeiders was die van de landloze arbeiders die werkten voor andere boeren. Boeren waren een politiek zeer belangrijke groep aangezien zij meer stemmen bezaten dan enig andere sector in de maatschappij.

In de jaren rond 1850 vormden verschillende pachters verenigingen om kracht bij te zetten aan de eis voor "de drie F's": Fair Rent (redelijke pacht), Fixity of tenure (pachtbescherming) en Free sale (vrije verkoop, zowel van oogsten als bezittingen bij het einde van een pachttermijn). Zo rond 1870-1879 probeerden de Fenians in County Mayo de pachters te organiseren teneinde uitzettingen tegen te houden. Zij organiseerden een demonstratie tegen een lokale landheer in Irishtown en kregen hem zo ver de pachten te verlagen.Collins, (1993) pp 72–79

Michael Davitt was de zoon van een kleine pachter in County Mayo. Hij werd later journalist en werd lid van de Irish Republican Brotherhood. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar wegens wapensmokkel. Charles Stewart Parnell, toen parlementslid voor Meath en lid van de Home Rule League, regelde dat Davitt voorwaardelijk vrij kon komen. Toen Davitt terugkeerde in County Mayo was hij onder de indruk van de pogingen van de Fenians om de boeren te organiseren. Hij was van mening dat de "landkwestie" de beste manier was om de steun van de boeren voor de Ierse onafhankelijkheid te krijgen.