thumb|Jérome Sillem thumb|Wilhelmine Sillem-Büsch Jérome Sillem (correcte benaming: Hieronymus Sillem) (Hamburg, 27 juli 1768 – Amsterdam, 19 april 1833) was een 19e-eeuwse bankier en in die hoedanigheid een belangrijk firmant bij de Bankiersfirma Hope & Co.

Achtergrond Jérome Sillem was de zoon van Garlieb Helwig Sillem (1728-1801) en Louise Maria Matthiessen (1749-1826). Zijn vader was firmant bij de bankfirma Matthiessen, Sillem & Co. te Hamburg. Jérome Sillem was lid van de Heynse tak van het geslacht Sillem. Hij groeide op in Hamburg. Hij was een volle neef van Martin Garlieb Sillem (1769-1831), burgemeester van Hamburg van 1829 tot 1831.

Levensloop Jérome Sillem trouwde te Hamburg op 29 mei 1795 met Wilhelmine Büsch (1772-1852), dochter van de hoogleraar Johann George Büsch en Margarethe Auguste Schwalb. Uit het huwelijk werden 14 kinderen geboren, waarvan er drie jeugdig zijn overleden. De carrières van vijf zoons worden hierna besproken, daarnaast wordt een impressie van het leven van dochter Olga Emilie Sillem gegeven. De uit het huwelijk geboren dochters parenteerden de Sillems aan de families Borski, Melvil, Odier en Luden.

In Amsterdam kocht Sillem in 1815 voor 66.000 gulden een statig huis: Herengracht 478, dat voor een periode van 115 jaar tot 1930 door de familie bewoond zou worden. Het kantoor van de bank werd gevestigd boven het bijbehorende koetshuis aan de Keizersgracht waar het tot 1898 zou blijven. Toen werd er op die plaats een nieuw kantoorgebouw gebouwd. Na Jérome Sillem zouden nog drie generaties Sillem elkaar opvolgen als firmant van de bank Hope & Co.

Spaarnhove thumb|Spaarnhove (gemeente Schoten). Litho uit de serie 'Gezigten in de omstreken van Haarlem, naar de natuur getekend en op steen gebragt door P. J. Lutgers 1837-1844 Daar Sillem het bankiershuis Hope & Co, destijds gevestigd aan de Keizersgracht 444-446, diende te vertegenwoordigen, ontving hij 's zomers op zijn buitenplaats Spaarnhove (gemeente Schoten) ten noorden van Haarlem samen met zijn echtgenote behalve familie en vrienden ook vele gasten zoals internationale handelspartners en politici. Hij kocht de hofstede in 1812 (hoewel ook wel het jaar 1917 als jaar van aankoop van de buitenplaats wordt aangeduid) en liet deze in 1823 verbouwen. Sillem had de buitenplaats gekocht van de Haarlemse koopman Albertus Hodgson jr. De verbouwingsopdracht vertrouwde Sillem toe aan architect, landschapsarchitect en stedenbouwkundige Jan David Zocher jr. en gaf Zocher de opdracht om Spaarnhove als landschapspark in te richten. Daarbij ontwierp Zocher in 1823 een monumentaal neoclassicistisch landhuis.

Men beschouwde de buitenplaats van Sillem als een der voornamere buitenverblijven in de omgeving van Haarlem. De naam van het landgoed wordt soms geschreven als 'Spaar en Hove', 'Sparenhoven', 'Sparen Hoven', 'Spaarnhove', 'Spaarenhoven' en soms als 'Spaarnhoven'. De bewoners van Schoten noemden de buitenplaats ook wel 'De Plaats van Sillem'. Het landgoed met het statige huis bestaan niet meer; waar eens de buitenplaats lag bevindt zich tegenwoordig het stadsdeel Haarlem-Noord. Op de plek waar vroeger de Sillem's buiten stond is vóór de Tweede Wereldoorlog in de Spaarnhovenstraat een huizenblok gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. In voornoemde wijk houden de Sillemstraat en de Spaarnhovenstraat de herinnering levend aan respectievelijk de bewoner Jérome Sillem en het buitenverblijf. De ligging van het door Sillem bewoonde huis kan men nog ongeveer terugvinden: het buitenhuis 'Spaarnhoven' heeft gelegen op de tegenwoordige hoek Rijksstraatweg/Spaarnhovenstraat te Haarlem.

Carrière Aangezien de vader van Jérome aan jicht leed en niet langer in staat was zijn werk te doen, de vader van zijn echtgenote Louise Maria Sillem-Mathiessen op 73-jarige leeftijd was gestorven én doordat zijn oom Johann Christoph Matthiessen door diens vele reizen vaak afwezig was, stond Jérome Sillem reeds op 19-jarige leeftijd aan het hoofd van de bovengenoemde omvangrijke bankiersfirma 'Matthiessen, Sillem en Co'. Daarna leidde hij samen met Christian Daniel Benecke het Hamburgse handelshuis Sillem, Benecke & Co. Hij trad al snel nader in verbinding met het bankiershuis Hope & Co., gevestigd te Amsterdam, aan het hoofd waarvan toentertijd Pierre César Labouchère stond, met wie Jérome goed bevriend was. Hope & Co. had na het binnentrekken van de Franse generaal Jean-Charles Pichegru in Nederland zijn enorme goederenvoorraden uit de verschillende Hollandse koloniën voor verkoop naar Hamburg gezonden. Sillem had met succes een deel van de verkoop op zich genomen. De in Noorwegen geboren Duitse filosoof, wetenschapper en dichter Heinrich Steffens (1773-1845), die zich in 1803 in Hamburg ophield, schreef: “De gesprekken met Sillem, die de handelsverhoudingen van de wereld uitstekend overzag en zich graag daarover uitte, gunden mij een blik in het inwendige van de wereldhandel. Ik bewonderde met welk gemak deze ontwikkelde man zich over ingewikkelde handelsverhoudingen tegenover de leek duidelijk en begrijpelijk wist te uiten”.

In 1810 bezetten Napoleontische troepen onder andere de stad Hamburg. Als gevolg daarvan zakte de import- en exporthandel ineen. Veel kooplieden gingen bankroet. De inlijving van Hamburg bij het keizerrijk Frankrijk en de handelsblokkade brachten Sillem er ten slotte toe deze stad te verlaten en naar Sint Petersburg te verhuizen om daar zijn kapitaal veilig te stellen. Hij was dit al langer van plan maar zijn genegenheid voor zijn geboortestad Hamburg had hem deze beslissing steeds doen uitstellen. In 1812 bracht Jérome zijn kapitaal eindelijk over naar Sint-Petersburg. Ook zijn vrouw Wilhelmine Büsch-Sillem en hun vijf dochters verhuisden mee. Zijn vier zonen had hij toevertrouwd aan de goede zorgen van zijn zwager en schoonzuster die in Hamburg bleven wonen. Sillem, die al eerder met het Russische hof in verbinding stond, vertegenwoordigde te Sint Petersburg de firma Hope & Co. gevestigd te Amsterdam (een relatie die hij tijdens zijn Hamburgse jaren had opgedaan) en verzorgde voor hen de kapitalisatie van de tijdens de oorlogsjaren achterstallig gebleven rente van de door Hope en Co. afgesloten Russische leningen aan de tsaar. Tevens was hij financieel adviseur van de tsaar.

Nieuws over de ondergang van Napoleons rijk bereikte Sillem in Sint-Petersburg. Blijkbaar had Sillem als correspondent te Rusland goed voldaan bij de firma Hope & Co., want hij kreeg een hoogst aantrekkelijk aanbod: de functie van hoofdaandeelhouder van de bankiersfirma Hope & Co., het Londense bankiershuis Baring Brothers & Co., bood hem aan om firmant te worden van de firma Hope & Co. alsmede om één derde van het totale bankkapitaal van Hope & Co. over te nemen en om het beheer van de bank op zich te nemen. Sillem ging in op het aanbod. Zijn medefirmanten waren onder anderen Alexander van der Hoop en de reeds eerder genoemde Pierre César Labouchère.

In 1815 trok Jérome Sillem met zijn talrijke gezin naar Amsterdam, terwijl Christian Daniel Benecke, de latere (en laatste koopmans-) burgemeester van Hamburg, aan de leiding kwam te staan van het Hamburgse bankiershuis 'Sillem, Benecke & Co.'. Sillem werd de leidende figuur in de firma Hope & Co. en onderhield reeds spoedig een drukke correspondentie met vele buitenlandse handels- en bankiershuizen alsook met de correspondenten van het bedrijf binnen en buiten het nieuwe Nederlandse koninkrijk.

De oude firma bloeide onder zijn leiding weer op, getuige de gunstige indruk die het bankiershuis Van Eeghen had toen het een aantal handelshuizen opsomde voor een buitenlandse relatie met daarbij een commentaar. Over Hope & Co.: '… est toujours une des premières maisons de cette ville. Depuis l'entrée de Monsieur S(illem) ses affaires, qui n'étoient plus de cette étendue supérieurement majeures qu'elles l'étoient jadis, se sont ranimées'. Trouwens, ook over de Hamburgse firma Matthiessen, Sillem & Co. gaf de firma Van Eeghen goede referenties. Met toewijding leidde de begaafde financieel expert Sillem de firma; Hope & Co. groeide uit tot een der beduidende banken in Europa. Ook nam Hope & Co. samen met Baring Brothers en het Parijse Hottinguer flink deel in staatsleningen. Alexander Baring, later de eerste Lord Ashburton, een man die zeker een waardig oordeel over Sillem kon vellen, noemde hem de beste koopman die hij ooit had gekend, omdat hij een voorzichtige uitvoering combineerde met plannen die van durf getuigden.

Jérome Sillem's kinderen (selectie) thumb|Olga Emilie Sillem

Olga Emilie Sillem Jérome's dochter Olga Emilie Sillem (Sint-Petersburg, 28 september 1814 - Amsterdam, 18 januari 1899) trouwde op zestienjarige leeftijd op 20 april 1831 te Amsterdam in de Lutherse kerk met Johannes (zich noemende Jan) Borski (Amsterdam, 3 juni 1807 - aldaar, 25 april 1891), gedurende zijn werkzame leven bankier en voorzitter van de Raad van Administratie van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (H.IJ.S.M). Hij was de jongste zoon van de bekende en gefortuneerde bankier en makelaar in fondsen Willem Borski en diens echtgenote Johanna Jacoba van de Velde, beter bekend als Johanna Borski. De ouders van Jan Borski woonden aan de Keizersgracht te Amsterdam. Olga Emilie heeft veel betekend voor de Lutherse gemeenschap in Amsterdam; dankzij het fortuin van haar echtgenoot kon Olga Emilie Borski-Sillem met haar eigen fortuin veel goeds doen voor de gemeenschap. Onder andere financierde zij mede de totstandkoming van het statige ziekenhuis met ongeveer 100 bedden: de Lutherse Diakonessen Inrichting te Amsterdam aan de Koninginneweg 1 hoek Van Eeghenstraat aldaar. De bijdrage van Olga Emilie Sillem ter hoogte van 100.000 gulden was bedoeld voor het gedeelte van de inrichting waar de ongeneeslijk zieken zouden verblijven. Voorts deed zij een aparte schenking van 30.000 gulden aan bovengenoemde inrichting en kocht zij samen met haar echtgenoot Johannes (Jan) Borski het eerste 'moederhuis' voor deze inrichting aan de Bloemgracht 65 in april 1890. Later werd dit eerste moederhuis aan de Bloemgracht verkocht voor het bedrag van 18.000 gulden om de vestiging van het nieuwe moederhuis van de Lutherse Diakonessen Inrichting aan de Koninginneweg nr. 1 verder te financieren. In haar testament liet zij nog eens 500.000 gulden na aan de Lutherse Diakonessen Inrichting.

Het hiernaast getoonde portret van Olga Emilie Borski-Sillem werd geschilderd door Jan Adam Kruseman (1804-1862). Uit de kasboeken van de schilder blijkt dat Olga's vader Jérome de schilder in 1832 de opdracht gaf tot het schilderen van twee van zijn dochters: Olga Emilie en Nadäscha Amalia (1813-1899). De portretten werden na Jérome Sillem's overlijden respectievelijk in juni en augustus 1834 afgeleverd en kostten vijfhonderd gulden per stuk. Het portret van Olga Emilie bevindt zich in het Centraal Museum Utrecht, in permanente bruikleen. Het portret is in het bezit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, sector Kunstcollecties te Rijswijk. Waar het portret van Nadäscha Amalia zich bevindt is vooralsnog onbekend. Het is niet duidelijk wie voor de schilderijen heeft betaald, doordat ze zijn afgeleverd in 1834, na Jérome's overlijden in 1833.

Jérome Sillem liet twee portretten van zijn dochter Louise Luden-Sillem, later Melvil-Sillem vervaardigen; een portret vervaardigd door de schilder Nicolaas Pieneman en een ander portret, rond 1830, door de schilder Franciscus Josephus Kinsoen (zich ook wel Francois Joseph Kinson noemende) (Brugge 28 febr. 1771 - aldaar 18 okt. 1839). Dit laatste portret bevindt zich in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, sector Kunstcollecties te Rijswijk.

Olga Emilie Borski-Sillem was zelf amateurschilderes. Een favoriete bezigheid voor haar was het schilderen van honden. Eén schilderij van haar met daarop afgebeeld een hazewindhond bevindt zich in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onder catalogus-nummer C351.