Concavenator is een vleesetend geslacht van theropode dinosauriërs dat ruim 125 miljoen jaar geleden tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Spanje. De typesoort is Concavenator corcovatus.

Naamgeving Concavenator corcovatus werd in 2010 benoemd en beschreven door de paleontoloog Francisco Ortega van de Universidad Nacional de Educación a Distancia in Madrid, Fernando Escaso en professor José Luis Sanz van de Universidad Autónoma de Madrid. De naam van het geslacht is afgeleid van Conca, de Latijnse naam voor de Spaanse provincie en vindplaats Cuenca, en venator, Latijn voor "jager". De soortaanduiding betekent "gebocheld" in het Latijn en refereert aan de bult op de rug van de dinosauriër. Tijdens het onderzoek droeg het specimen de bijnaam "Pepito".

Vondst left|thumb|De vindplaats, met de dunne kalklaagjes Het fossiel, holotype MCCM-LH 6666 (Museo de las Ciencias de Castilla-La Mancha), is in 2003 door een team van Ortega in de Serranía de Cuenca bij het plaatsje La Cierva gevonden op het Spaanse plateau Las Hoyas, in een laag van de Calizas de La Huérguina-formatie die dateert uit het Barremien. Meer precies gebeurde dit in het Moon Green-kwadrant van de vindplaats. Het gebied was tijdens het Vroege Krijt waarschijnlijk een subtropisch moerasgebied wat een zogenaamde Konservat-Lagerstätte opleverde, afzettingen met een uitzonderlijk goede conservering van resten van dieren en planten. Het fossiel bestaat uit een vrijwel compleet in verband liggend skelet dat licht samengedrukt is op een plaat. Het is vermoedelijk in een ondiepe poel terechtgekomen aan de oever van een meer met een hoog gehalte aan calciumcarbonaat en daar, snel bedekt door bacteriële matten, helemaal verkalkt. Eerst dehydrateerde het karkas echter binnen ongeveer een week waarbij de helft van het gewicht verloren ging. Daaruit werd geconcludeerd dat het pas daarna door watertransport in de poel gespoeld werd, vermoedelijk bij een geleidelijke verhoging van de waterstand die het karkas weinig beschadigde. Het werd, op de linkerzijde liggend onder zijn eigen gewicht naar beneden gezonken, door een soort plastische rubberen mat aan bacteriën opgevangen waarvan de kalkcomponent uiteindelijk in de botten drong. De meeste fossielen uit Las Hoyas zijn veel kleiner en het holotype van Concavenator is verreweg het grootste exemplaar dat zo behouden is. Het omvat nog 94,1% van de skeletelementen en 51,52% ligt nog perfect in de oorspronkelijke anatomische positie.

De goede conservering heeft ertoe geleid dat ook van de weke delen iets bewaard is gebleven, waaronder huidafdrukken, afdrukken van de spieren, een silhouet van de lichaamsomtrek en zelfs de halfverteerde resten van zijn laatste maal: een twintigtal wervels van een andere roofsauriër. De spieren maken 37,28% uit van de waarneembare contouren van de weke delen. Van de beenderen is de belangrijkste lacune het ontbreken van de linkerarm; verder is de linkerachterpoot fragmentarisch en is het achterhoofd vernietigd door een graafwerktuig. Het heeft ruim twee jaar geduurd om het fossiel te prepareren, de meest complete uitgestorven theropode die ooit op het Iberisch Schiereiland is aangetroffen en de grootste uit de formatie.

In 2018 werd de schedel meer in detail beschreven en in een opvolgende studie datzelfde jaar de ledematen. Deze beschrijvingen waren ten dele gebaseerd op een dissertatie uit 2018 van Elena Cuesta Fidalgo. Zij bestudeerde het fossiel met ultravioletfotografie waarover ze al in 2015 en 2016 publiceerde, vooral de schubben van de voeten behandelend.

Beschrijving thumb|upright=1.7|Het holotype na preparatie

Grootte en onderscheidende kenmerken Door de goede conservering biedt het holotype van Concavenator een schat aan informatie over de details van zijn lichaamsbouw. Hierdoor zal hij een van de best bekende grotere theropoden worden. De beschrijving in het benoemende artikel is echter slechts voorlopig omdat het blad Nature waarin het gepubliceerd werd, door ruimtegebrek strenge beperkingen stelt aan de lengte van de publicatie. Om redenen van prestige en de impactfactor is toch voor dit zeer gerenommeerde tijdschrift gekozen. left|thumb|De grootte vergeleken met die van een mens Concavenator is een middelgrote roofsauriër, van neus tot het puntje van de staart gemeten ongeveer zes meter lang. In 2016 kwam Gregory S. Paul met een iets lagere schatting van vijf meter. Het gewicht schatte hij op 320 kilogram. In 2018 schatte Cuesta-Fidalgo het gewicht op 441,83 kilogram.

In 2010 werd een aantal onderscheidende kenmerken aangegeven die achteraf echter niet uniek bleken te zijn. In 2018 stelde men in de eerste publicatie van dat jaar drie unieke kenmerken van de schedel vast. De insparingen in het neusbeen zijn verbonden door een systeem van groeven. De achterste uitholling rond het neusgat is meer langwerpig en scherp dan bij andere Allosauroidea. De bult boven de oogkas is hoger en onderaan meer afgerond dan bij andere Carcharodontosauridae.

In de tweede publicatie werden vier onderscheidende kenmerken van de ledematen aangegeven. Het betreft autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, binnen de Carcharodontosauridae. De deltopectorale kam van het opperarmbeen is vooraan laag. De processus olecrani is kort ten opzichte van de schachtlengte van de ellepijp. Het derde kootje van de derde vinger is even lang als het eerste en tweede kootje samen. De onderste haak van het voorblad van het darmbeen is gebogen maar niet uitstekend.

Skelet Schedel De schedel, die bij het specimen enigszins gefragmenteerd is waardoor het aantal tandposities niet exact bepaald kan worden, is ongeveer een halve meter lang en langgerekt met een licht gebold profiel dat uitloopt in een afgeronde verhoging iets vóór de oogkas. De schedel mist de zware versterkingen van latere carcharodontosauriden zoals een ornamentering van het bovenkaaksbeen en jukbeen en vergroeiing van traanbeen en prefrontale. Bij het neusgat is er een diepe hoge fossa aan de bovenste voorrand, die de praemaxilla diep uitholt; de uitholling voor onderaan is echter opvallend smal. De richel boven de fossa is dik en sterk opstaand, die onder de fossa lager De schedelopening vóór de oogkas, de fenestra antorbitalis, is erg groot, met een duidelijke horizontale richel aan de onderzijde, en achteraan niet afhangend. Bij het bovenkaaksbeen liggen de vier aderkanalen boven de lip niet in een horizontale groeve. De opgaande tak van het bovenkaaksbeen heeft een inkeping in de bovenste buitenwand. De fenestra maxillaris, aan de voorrand van de fenestra antorbitalis, is groot, ovaal en diep, met een zijwaarts gerichte opening. Een half bewaard klein foramen zou de fenestra promaxillaris kunnen zijn. Het neusbeen heeft een ruwe zijrand. Onder deze zijrand bevindt zich een horizontale reeks van vier uithollingen waarvan de achterste drie verbonden zijn door een groeve. De openingen van deze uithollingen zijn zijwaarts gericht, niet schuin naar beneden. Het traanbeen is L-vormig. De voorrand van de neergaande tak van het traanbeen heeft een diepe trog tussen de binnenwand en buitenwand. De buitenwand steekt onderaan meer naar voren, de fossa van de fenestra antorbitalis kruisend op de middelste hoogte van de neergaande tak, niet erboven zoals in 2010 beschreven. De bovenkant van het traanbeen is achteraan gebogen. De bovenrand draagt een ruwe rechthoekige hoorn die echter niet erg hoog is en ook niet ver naar achteren uitsteekt. Anders dan in 2010 gesteld bevindt zich onder de hoorn een pneumatische uitholling; deze is ovaal en zelfs vrij groot. Daarnaast heeft de neergaande tak twee pneumatische foramina. Deze tak heeft geen echte processus intraorbitalis maar wel meer intern een klein uitsteekseltje in de oogkas. De voorhoofdsbeenderen, bovenop vlak, zijn achteraan vergroeid met de wandbeenderen. Er bevindt zich een kleine groeve bij het raakvlak tussen prefrontale en postorbitale. Het prefrontale wordt door het traanbeen weggedrongen van de oogkas. Het postorbitale heeft een robuuste ruwe hoge rechthoekige bult, vlak achter het traanbeen. De bult steekt ver zijwaarts uit boven de oogkas, is bovenaan hoekig en onderaan afgerond. Bovenaan is een beennaad zichtbaar, een aanwijzing dat het palpebrale in de structuur is opgenomen zoals ook voor verwanten is verondersteld. De neergaande tak van het postorbitale heeft aan de voorrand een vrij hoog en afgerond uitsteeksel dat de oogkas sleutelvormig maakt. Het oog bevond zich boven het uitsteeksel. Anders dan in 2010 gesteld, loopt de voorste tak van het jukbeen tot onder de fenestra antorbitalis door en scheidt bovenkaaksbeen van traanbeen. Het jukbeen heeft een rechte onderrand en mist een opvallende horizontale richel.

De tanden zijn vrij groot en hebben de gebruikelijke dolkvorm met een zijdelingse afplatting. De maxillaire tanden hebben rimpels in het email, in een mate die bij veel theropoden voorkomt, niet zo sterk als bij latere carcharodontosauriden. De tanden hebben drie beitelvormige vertandingen per strekkende millimeter.

De onderkaken zijn vrij plat en de lange tanden in de bovenkaak steken tot onder de onderkaaklijn uit. De onderkaak heeft vooraan geen "kin". Ook bij de onderkaak kan het aantal tanden niet bepaald worden. Het dentarium is glad aan de buitenzijde. Het zijgewricht is beweeglijk, zonder verstijving onderaan.

Postcrania miniatuur|Een skeletmodel De wervelkolom bestaat vermoedelijk uit tien halswervels, dertien ruggenwervels, vijf sacrale wervels en minstens negenendertig staartwervels. Het totaal in de staart moet ruim boven de veertig hebben gelegen. De mate van pneumatisering van de wervels is lastig vast te stellen door de samendrukking van het fossiel.

In de nek heeft de atlas, de eerste halswervel, een lange en smalle epipofyse, uitsteeksel op de basis van het achterste gewrichtsuitsteeksel, verschillend van de korte epipofyse van Allosaurus en de brede van Saurophaganax. Bij de tweede halswervel, de draaier, is het doornuitsteeksel overdwars afgeplat, anders dan bij Mapusaurus en Giganotosaurus. Het loopt taps toe, wat weer afwijkt van de balkvormige punt bij Allosaurus.

Het meest opvallende kenmerk van Concavenator is dat hij een kam op de rug draagt. Zo'n structuur is ook van sommige andere theropoden bekend maar beslaat dan — met mogelijke uitzondering van de slechts gedeeltelijk bekende Becklespinax — altijd een groot deel van de rug. Bij Concavenator echter zijn alleen de elfde en twaalfde lendenwervel verlengd doordat de doornuitsteeksels vier- tot vijfmaal zo ver uitstaken als die van de andere ruggenwervels, tot een hoogte van zo'n veertig centimeter. Deze spinae sluiten in dit geval nauw bij elkaar aan. De tiende wervel heeft een licht verlengd uitsteeksel waarvan het profiel echter naar achteren verhoogd is zodat toch nog in zekere mate een geleidelijke overgang gevormd wordt. Bij de zes sacrale wervels van het bekken, de dertiende wervel en verder, zijn de doornuitsteeksels echter zeer plat. Dit resulteert in een smalle maar hoge kam vlak voor de heup. Bij de voorste staartwervels beginnen de uitsteeksels weer sterk te verlengen wat een lagere secundaire staartkam oplevert. De functie van de rugkam is onduidelijk. De beschrijvers gaven verschillende mogelijkheden aan waaronder de opslag van vet en een rol in de thermoregulering. Het waarschijnlijkst achtten zij en in een commentaar ook Paul Sereno het gebruik als signaal binnen de soort: om mee te dreigen bij territoriumgevechten, te baltsen of misschien om leeftijd dan wel geslacht mee aan te geven. Omdat er maar één exemplaar bekend is, valt dat laatste echter moeilijk te bewijzen. Voor de temperatuursregeling was de kam vermoedelijk geen speciale aanpassing daar er geen spoor is van een vergroot stelsel van bloedvaten in het bot. Een unieke afgeleide eigenschap, of autapomorfie, van Concavenator is verder dat de elfde en twaalfde wervel extra richels hebben boven op het midden van de basis van de zijuitsteeksels.