Balaur is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Eumaniraptora, dat tijdens het late Krijt, zo'n achtenzestig miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Roemenië.
De eerste fossielen van Balaur werden gevonden in 2005. In 2010 kreeg het geslacht zijn naam, die overeenkomt met die van de mythische draak Balaur, toen de typesoort Balaur bondoc benoemd werd. Van Balaur zijn maar twee gedeeltelijke skeletten bekend, zonder schedels, en zelfs daarvan is niet helemaal zeker of ze van dezelfde soort zijn. Veel is dus onduidelijk over de bouw van het dier.
Balaur werd zo'n anderhalve tot twee meter lang. In het algemeen was hij stevig gebouwd. Aan zijn drievingerige hand had hij een grote eerste vinger met een forse klauw maar de derde vinger bestond nog maar uit één kootje. De voeten van Balaur waren erg breed. Anders dan bij andere theropoden had hij een grote eerste teen met een grote klauw. Misschien kon die als een sikkelklauw opgetrokken worden, net als de tweede teen. De botten van de handen, het bekken, het onderbeen en de voeten waren sterk vergroeid, net als bij vogels.
Het gebied waar Blaur leefde, was in het Krijt een groot eiland. In 2010 werd gedacht dat Balaur een lid van de Dromaeosauridae was, een directe verwant van Velociraptor. Die zou het eiland dan van het oosten uit bereikt moeten hebben. Balaur zou daar dan het grootste roofdier geweest zijn en daarom zwaarder in bouw zijn geworden met een extra sikkelklauw als zwaardere bewapening. Later berekenden wetenschappers dat Balaur een vogel was, misschien een nauwe verwant van Sapeornis. Zijn kleinere voorouder zou het eiland vliegend hebben bereikt en Balaur zou zwaarder zijn geworden, met een brede voet om zijn hogere gewicht te dragen. In dat geval kan Balaur een alleseter of planteneter zijn geweest.
Vondst en naamgeving In september 2009 vond paleontoloog Mátyás Vremir in de afkalvende oeverwal van de rivier de Sebeş bij Sebeş Glod een klein fossiel dat hij samen met zijn zonen Gabór en Bence opgroef. Het werd geprepareerd door Akiko Shinya. thumb|De Europese Archipel in het Opper-Krijt In 2010 werd het door Vremir, Zoltán Csiki, Stephen Brusatte en Mark Norell benoemd als de typesoort Balaur bondoc. De geslachtsnaam verwijst naar de Balaur, een veelkoppige draak of reuzenslang uit de Roemeense mythologie. De slang is gevleugeld en de naam is mede bedoeld als een verwijzing naar de nauwe verwantschap van Balaur met de vogels binnen de Paraves. De soortaanduiding bondoc betekent zoiets als "opdondertje" in het Roemeens. Het is een verwijzing naar de gedrongen bouw van het dier, maar ook omdat het woord afkomstig is van het Turkse bunduk, "balletje", naar de Aziatische herkomst van zijn voorouders. left|thumb|320px|Het holotype EME VP.313 Het holotype, EME VP.313, is aangetroffen in een laag van de Sebeşformatie die dateert uit het vroege Maastrichtien, ongeveer 68 miljoen jaar oud. Het bestaat uit: een voorste ruggenwervel, een reeks van zeven meer naar achteren gelegen ruggenwervels, een sacrum van vier sacrale wervels, een caudosacrale wervel, vijf voorste staartwervels, een gedeeltelijk darmbeen, de schaambeenderen, de zitbeenderen, delen van de schoudergordel, de gehele rechterarm, de gedeeltelijke linkerarm, het linkeronderbeen inclusief voet en een rechtertarsometatarsus. Het bot toont een vreemde rimpelige oppervlakteverwering die wel vaker wordt aangetroffen bij Roemeense fossielen uit deze periode. Het bot is daarbij intern aangetast door een recente schimmelinfectie. De borstbeenderen werden wel aangetroffen maar bleken zo fragiel dat het mislukte ze te bergen. De resten zijn van een volwassen of bijna volwassen dier. Uit groeilijnen kon een minimumleeftijd van zeven jaar worden vastgesteld. Hoewel onvolledig, vertegenwoordigden de resten van Balaur in 2010 de best bekende theropode uit het Opper-Krijt van Europa.
De beschrijvers verwezen ook een tweede vondst naar de soort: FGGUB R. 1580-1584, bestaande uit zes elementen van de voorste ledematen in 1997 door Dan Grigorescu gevonden bij Tuştea en in 2005 beschreven als van een onbepaald lid van de Oviraptorosauria. Het gaat om een linkeropperarmbeen (FGGUB R. 1580), een linkerellepijp (FGGUB R. 1581), de bovenkant van een eerste kootje van de eerste rechtervinger (FGGUB R. 1582), de bovenkant van het eerste kootje van de eerste of tweede vinger van de linkerhand (FGGUB R. 1583) en de onderkant van het tweede kootje van de tweede linkervinger (FGGUB R. 1584). Alle zijn vermoedelijk afkomstig van één individu. Het probleem met deze toewijzing is dat deze specimina 45% langer lijken te zijn dan het holotype en ook stammen uit een laag die een paar miljoen jaar jonger is. Ze tonen echter de kenmerken van Balaur. In 2013 verwijderde Brusatte, in het kader van een nauwkeuriger beschrijving, dit specimen weer uit het materiaal van Balaur bondoc en wees het toe aan een Balaur sp, alleen vanwege het grootteverschil.
Beschrijving left|thumb|Balaur bondoc
Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Balaur in grootte vergeleken met een mens Balaur is een vrij kleine roofsauriër. Het holotype heeft een scheenbeen dat 153 millimeter lang is wat duidt op een lichaamslengte van nog geen anderhalve meter. Het tweede exemplaar zou dan boven de twee meter lengte komen.
Balaur heeft een aantal ongebruikelijke kenmerken. De hand toont een sterke reductie en vergroeiing zodat er maar twee functionele vingers overblijven; de derde vinger is bijna verdwenen; er is alleen een rudiment over van een kootje plus een kleine klauw. De middenhandsbeenderen en de polsbeenderen zijn vergroeid tot een enkele verstijfde carpometacarpus net als bij vogels. De handklauwen zijn echter goed ontwikkeld. In het bekken zijn de schaambeenderen extreem sterk naar achteren gericht en tonen aanhechtingspunten voor spieren die het dijbeen naar achteren moesten trekken, althans een gedeelte van de functie van de staartspieren overnemend, een zeer vogelachtig kenmerk. Ook heel vogelachtig is de vergroeiing van de middenvoetsbeenderen in een enkel element en het bezit van een vergroot uitsteeksel op het ravenbeksbeen. De meest opmerkelijke eigenschap van Balaur betreft echter een omkering van eigenschappen: waar bij de meeste afgeleide theropoden de eerste teen sterk gereduceerd is, blijkt die bij Balaur weer verlengd te zijn en een tweede opgetrokken sikkelklauw te dragen naast de maar iets grotere sikkelklauw van de tweede teen die normaal is voor de Eumaniraptora.
In 2010 werd een lijst van unieke afgeleide eigenschappen van Balaur vastgesteld, zijn autapomorfieën. De bult op het buitenvlak van het ravenbeksbeen is sterk ontwikkeld. De onderste buitenkant van het opperarmbeen heeft een golvende richel over een derde van de schachtlengte. Er bevindt zich een opvallende richel op de onderste binnenkant van het opperarmbeen. De voorkant van de ellepijp is afgeplat en wordt in tweeën gedeeld door een lengterichel. De carpometacarpus is vergroeid. Het derde middenhandsbeen is gereduceerd tot een beensplinter. Het derde middenhandsbeen raakt het tweede met zijn uiteinde en rust op dat punt tegen een overhangende richel. Bij het eerste en tweede middenhandsbeen lopen de onderste gewrichtsknobbels niet door over de achterzijde. De tweede handklauw heeft gevorkte groeven aan buitenkant en binnenkant. De kootjes van de derde vinger zijn gereduceerd en de vinger is niet meer functioneel. De schaambeenderen en zitbeenderen zijn extreem naar achteren gericht tot een bijna horizontale positie. Het aanhangsel voor het schaambeen is dermate zijwaarts gedraaid dat de groeve voor de musculus cuppedicus schuin naar buiten en boven gericht wordt. Het schaambeen is zo gedraaid dat de buitenkant naar onderen gericht is en het tuberculum pubicum direct onder het heupgewricht ligt. De voorrand van het zitbeen heeft een uitgroeisel in de vorm van een vergrote dunne beenplaat die (bijna) het schaambeen raakt. De tarsometatarsus is aanzienlijk breder, anderhalfmaal, dan de onderste tibiotarsus. Het tweede tot en met vijfde middenvoetsbeen zijn vergroeid. Het tweede tot en met vierde middenvoetsbeen hebben robuuste richels op hun zoolzijden. Het tweede en derde middenvoetsbeen hebben onderaan geen scharniergewrichten. De gewrichtsvlakken van het tweede en derde middenvoetsbeen zijn kleiner dan de uiteinden waarop ze liggen. De eerste teen is functioneel met vergrote kootjes terwijl het eerste middenvoetsbeen de normale verkleinde vorm heeft. Het vijfde middenvoetsbeen is kort en haakvormig.
In 2013 bleken echter de eigenschappen van het schaambeen fout geïnterpreteerd te zijn doordat men vervormingen van de fossiele botten aangezien had voor echte kenmerken. Welke de autapomorfieën van Balaur zijn, hangt ook af van zijn positie in de evolutionaire stamboom. Sommige van de bovengenoemde kenmerken zouden afwijkend zijn voor een dromaeosauride maar normaal voor een vogel. Dat betreft onder andere de vergroeiing van de middenhand en de middenvoet, de achterwaartse rotatie van de schaambeenderen en het zich op de voorkant bevinden van de gewrichtsknobbels van de middenhand. Eigenschappen die hoe dan ook uniek zijn, worden gevormd door de combinatie van een grote eerste vinger met een gereduceerde derde vinger en de grote eerste teen.
Postcrania Wervelkolom thumb|upright=1.7|Een skeletdiagram door Jaime Headden met in het wit de bekende skeletelementen De doornuitsteeksels van de ruggenwervels zijn bovenaan verbreed en verruwd. Het facet voor het onderste ribgewricht, de parapofyse, staat op een steeltje en is glad uitgehold. De voorste ruggenwervels hebben op de zijkant diepe uithollingen onder de gewrichtsuitsteeksels; bij de achterste ruggenwervels zijn vooral de uithollingen onder de diapofyse, het bovenste ribgewricht, diep. De ruggenwervels zijn sterk gepneumatiseerd. De wervellichamen hebben op hun zijkanten diepe ovale pleurocoelen, van variabele positie en omvang. De doornuitsteeksels laten bij breuken zien dat ze grote luchtholten bevatten.
Het aantal sacrale wervels is onduidelijk. Het zijn er minstens vier; in 2013 ging men ervan uit dat er meer waren, in 2015 stelde men het totaal op zeven, drie vergroeide caudosacrale wervels van de voorste staart meetellend. In 2013 werd deze mogelijke interpretatie ook besproken maar men wees erop dat er eigenlijk nog een vierde caudosacrale wervel aanwezig was en dat dromaeosauriden vijf eigenlijke sacrale wervels hebben zodat het totaal bij Balaur weleens op negen zou kunnen liggen. Het heiligbeen is wellicht gepneumatiseerd maar dat is niet zeker. De eerste sacrale wervel heeft een niet doorboorde zijgroeve op de positie van de pleurocoel van de ruggenwervels. Van de tweede wervel af zijn er lengtegroeven op de onderkant. De sacrale ribben hebben ovale tussenruimten; de voorste rib draait wat naar voren en onder om het darmbeenblad te bereiken.
De staartwervels zijn amficoel: aan beide kanten hol. Er zijn geen tekenen van pneumatisering.
Ledematen Schoudergordel