Het jeugdstrafrecht is het geheel aan bijzondere wetten, procedures, autoriteiten en instanties die bedoeld zijn om jeugdigen, die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit, te vervolgen of berechten.Vgl. Uit Beijerse 2013, p. 13-14. Het jeugdstrafrecht omvat specifiek (aparte) regels van strafprocesrecht, materieel strafrecht en strafrechtelijk sanctierecht die afwijken van de gebruikelijke regels in het commune strafrecht voor volwassenen.

Het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent sinds 1905 een apart jeugdstrafrecht met bijzondere sanctiebepalingen voor jeugdigen, maar de eerste aparte strafrechtelijke regels voor jeugdigen in het Nederlands strafrecht waren te vinden in het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland (1809) en de Code pénal (1811).

Sinds 1965 is in Nederland de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid twaalf jaar. De maximumleeftijd voor toepassing van het jeugdstrafrecht is variabel. Op zestien- en zeventienjarigen kan het volwassenensanctierecht worden toegepast als de rechter daartoe aanleiding ziet op grond van de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de jeugdige of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Met de invoering van de Wet adolescentenstrafrecht in 2014 komen jongvolwassenen van achttien tot tweeëntwintig jaar op basis van hun persoonlijkheid of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd in aanmerking voor toepassing van het jeugdsanctierecht. Vanaf drieëntwintig jaar geldt de volledige strafrechtelijke aansprakelijkheid van het volwassenenstrafrecht.

Geschiedenis van het Nederlandse jeugdstrafrecht Tot het begin van de 19e eeuw kende het Nederlandse recht geen apart jeugdstrafrecht. In het Romeinse recht gold dat kinderen onder de zeven jaar (infantes) niet konden worden gestraft. Voor de impuber (zeven- tot veertienjarige) moest eerst vastgesteld worden of deze doli capax was.D.i. dat de impubes in staat werd geacht tot het plegen van onrecht. De term wordt doorgaans vertaald met 'het oordeel des onderscheids'. Als dit het geval was werd hij als volwassene gestraft. Onder het Germaans recht werd een jeugdige van onder de twaalf niet aansprakelijk geacht. Ondertussen kwam in het canoniek recht de gedachte op dat een jeugdige tussen de zeven en veertien jaar die doli capax was lichter gestraft diende te worden dan een volwassene. Ook in het oudvaderlandse recht gold een minimumleeftijd waaronder de jeugdige geacht werd niet strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Deze minimumleeftijd varieerde tussen de tien en de veertien jaar. Jeugdigen die boven die leeftijd een strafbaar feit pleegden waren in beginsel onderhevig aan dezelfde straffen als volwassenen.Bruning 2016, p. 559; Remmelink 1996, p. 770; Simon I, p. 212-213.

Dit veranderde met de komst van het Crimineel Wetboek in 1809, het eerste nationale strafwetboek. Het wetboek bepaalde dat kinderen die onder de twaalf jaar een strafbaar feit pleegden niet strafrechtelijk konden worden gestraft. Jeugdigen die tussen de twaalf en vijftien jaar een delict begingen konden (ook zonder vonnis) door de rechter getuchtigd worden met maximaal twee maanden opsluiting, of zij konden een kinderlijke straf opgelegd krijgen. Het wetboek maakte echter niet duidelijk wat er bedoeld werd met ‘kinderlijke straffen’. Bij jeugdigen die tussen de vijftien en achttien jaar een strafbaar feit begingen kon de rechter een, in vergelijking met volwassenen, lichtere straf opleggen.Art. 21 en 48 C.W.; Uit Beijerse 2017, p. 19.

Code pénal 1811 Het Crimineel Wetboek heeft niet lang gegolden in Nederland. Het werd in 1811 vervangen door de Code pénal van Napoleon (C.P.). De Code bevatte een eigen regeling voor jeugdigen. De bovengrens van achttien jaar die in het Crimineel Wetboek had gegolden, werd verlaagd naar zestien jaar. De ondergrens van twaalf jaar verviel helemaal. In de plaats daarvan kwam het 'oordeel des onderscheids', het oordeel van de rechter of de jeugdige besefte wat hij of zij had gedaan. Had de jeugdige onder de zestien zonder dit oordeel des onderscheids gehandeld, dan werd hij vrijgesproken. Hij kon dan aan zijn familie worden teruggegeven of tot zijn twintigste in een verbeterhuis worden geplaatst.Art. 66 C.P.

Indien de jeugdige wel met het oordeel des onderscheids had gehandeld, kreeg hij strafvermindering. De doodstraf, eeuwige dwangarbeid en wegvoering naar een oord van ballingschap werden omgezet in een tien- tot twintigjarige gevangenzetting in een verbeterhuis. Stond op het feit de straf van dwangarbeid voor een bepaalde tijd of een tuchthuisstraf, dan werd deze vervangen door gevangenzetting in een verbeterhuis die minimaal een derde, en maximaal de helft, van de normale duur van de straf duurde.De Code pénal kende in tegenstelling tot het huidige Wetboek van Strafrecht voor elk delict een bijzonder minimum- en maximumstraf waaraan de rechter gebonden was. Daarnaast werden jeugdigen onder het 'toezigt der hooge policie' gesteld voor een periode van vijf tot tien jaar.Art. 67 C.P.; Uit Beijerse 2017, p. 19-20. Hoewel jeugdigen volgens de C.P. in verbeterhuizen werden geplaatst, bestonden deze nog niet in 1811. Jeugdigen werden in de gewone tuchthuizen geplaatst, tussen de volwassen veroordeelde mannen en vrouwen. Pas in 1825 werd, op aandringen van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, de eerste jeugdafdeling in een tuchthuis geopend. In 1833 volgde de eerste gevangenis voor jongens (in Rotterdam) en in 1836 kwam er een meisjesgevangenis in Amsterdam. Beide gevangenissen hadden echter maar een beperkt aantal plekken, zodat jeugdigen nog steeds bij volwassenen werden geplaatst. Bij de plaatsing in een verbeterhuis kregen jeugdigen die zonder het oordeel des onderscheids hadden gehandeld voorrang.Zij werden informeel de 'opvoedelingen' genoemd. Dit leidde er in de praktijk echter toe dat rechters beslisten dat een jeugdige zonder dit oordeel had gehandeld, ook al had deze dat wel gedaan. In 1857 kwam hier een einde aan, doordat deze jeugdigen in ‘huizen van verbetering en opvoeding’ werden geplaatst.Uit Beijerse 2017, p. 20-21.

De zaak van de Zeeuwse meisjes In de praktijk bleek dat het ontbreken van een ondergrens en de toepassing van het oordeel des onderscheids door de rechter niet altijd tot een billijke uitkomst leidde. Berucht is de zaak van de Zeeuwse meisjes uit 1868. Het betrof twee zusjes, van negen en vijf jaar, die verdacht werden van gekwalificeerde diefstal in vereniging in een woonhuis waarbij zeventien en een halve gulden, een doos met kindergoed, een doos met naaigerei en diverse losse zaken van geringe waarde buit werden gemaakt. Ter terechtzitting bekende de negenjarige Maria – haar vijfjarige zusje Geertje was niet ter terechtzitting verschenen omdat de rechtbank, op twintig kilometer loopafstand, te ver voor haar was om te voet af te leggen – het geld samen met haar zusje gestolen te hebben om daarvan snoep te kopen. Het kwam beide zusjes op een gevangenzetting van zeven en een half jaar te staan, omdat de rechters het oordeel des onderscheids aannamen.Rb. Goes, 5 oktober 1868, W 3197, p. 3. De zaak leidde tot een storm van verontwaardiging.Vgl. 11 april 1870, W 3198, p. 5; 18 april 1870, W 3200, p. 4; 2 mei 1870, W 3204, p. 4; 16 mei 1870, W 3208, p. 5. De kritiek richtte zich voornamelijk op het ontbreken van een motivering voor het aannemen van het oordeel des onderscheids, en op het feit dat de rechtbank de vijfjarige Geertje niet eens zelf had gezien. Maria en Geertje kregen uiteindelijk in 1870 gratie. De veroordeling van zeer jonge kinderen bleek echter geen unicum. Nog in 1878 werd gratie verleend aan twee kinderen van acht en negen jaar, die vanwege het stelen van 18 of 19 centen veroordeeld waren tot de maximale gevangenzetting van zeven en een half jaar.Handelingen I 1880/81, 21e zitting, 1 maart 1881, p. 287; Uit Beijerse 2017, p. 21-22; Faber 2009, p. 5-29.

Wetboek van Strafrecht 1886 Bij de vervanging van de Code pénal werd, vanwege de veroordelingen van jonge kinderen 'die in strijd bleken te zijn met de algemeene regtsovertuiging',Smidt I, p. 386. weer een minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid geïntroduceerd. De regering had zich mede laten inspireren door het nieuwe Duitse wetboek, dat een leeftijdsgrens van twaalf jaar kende. De Pruisische regering had een psychologisch advies ingewonnen met betrekking tot de leeftijdsgrenzen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en daar was uit gekomen dat kinderen onder de tien of twaalf jaar geen vrije wilsbepaling kennen. Zij werden geacht geen inzicht te hebben in het verschil tussen goed of kwaad, geoorloofd of ongeoorloofd en recht of onrecht.Smidt I, p. 385. De Nederlandse regering hield een slag om de arm door de ondergrens op tien jaar te stellen.

Voor kinderen tussen de tien en zestien jaar oud moest, om strafbaar te zijn, nog steeds met oordeel des onderscheids gehandeld zijn.Art. 39(1) (oud) Sr. Had de jeugdige met dat oordeel gehandeld, dan werd de maximaal op te leggen straf met een derde verminderd. De levenslange gevangenisstraf werd voor hen gemaximeerd op vijftien jaar. Geen straf werd opgelegd als het kind zonder oordeel des onderscheids had gehandeld. Wel kon de rechter bepalen dat het kind in een rijksopvoedingsgesticht werd geplaatst. De rechter kon bovendien de vader, voogd of curator, die samen met de jeugdige een misdrijf had gepleegd, uit het vaderschap, de voogdij of het curatorschap ontzetten.Art. 9(b)(1º) (oud) jo 28(5º) (oud) Sr. Het betrof een strafrechtelijke maatregel, omdat er in 1886 nog geen civielrechtelijke mogelijkheid was om ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten.Uit Beijerse 2017, p. 22.Overigens bestond er in 1886 nog geen gezamenlijke ouderlijke macht van moeder en vader. Het gezag over het kind werd tot 1905 uitsluitend door de vader binnen de vaderlijke macht uitgeoefend.

Kinderwetten van 1905 In het laatste decennium van de 19e eeuw nam de bezorgdheid over de zedelijke en maatschappelijke teloorgang van de jeugd steeds verder toe. Onder de vigeur van de Moderne Richting maakte de vergeldingsgedachte in het jeugdstrafrecht ruimte voor de opvoedinggedachte. Niet door zwaar straffen, maar door heropvoeding moest de ontspoorde jeugd weer op het rechte pad gebracht worden.Bartels 2011, p. 4-5; Bruning 2016, p. 560; Uit Beijerse 2017, p. 23. In 1897 diende minister van Justitie Van der Kaay een wetsontwerp in dat het mogelijk moest maken om vaders (en voogden) op civielrechtelijke titel te ontzetten uit de vaderlijke macht of voogdij.Wetsvoorstel wijziging in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, Kamerstukken II 1896/97, 201, nr 1-4. In 1897 volgde Cort van der Linden hem op als minister van Justitie. Deze trok het wetsvoorstel in, om vervolgens een jaar later drie nieuwe wetsvoorstellen in te dienen.Wetsvoorstel wijziging en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij, Kamerstukken II, 189, nr 1-4; wetsvoorstel wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien aan jeugdige personen, Kamerstukken II 1897/98, 219, nr 1-3; wetsvoorstel Wet, houdende beginselen en voorschriften omtrent maatregelen ten opzichte van jeugdige personen, Kamerstukken II 1897/98, 220, nr 1-3. Het betrof een voorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek dat de basis zou vormen voor het nieuwe kinderbeschermingsrecht. Daarnaast bevatte het een wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering voor een geheel nieuw jeugdstrafrecht en een voorstel voor een Kinderbeginselenwet voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties. De wetsvoorstellen werden in 1901 aangenomen en traden op 1 december 1905 in werking.Wet van 6 februari 1901, Stb. 62; Wet van 12 februari 1901, Stb. 63 en Wet van 12 februari 1901, Stb. 64.