thumb|Aquasi Boachi (1899) Aquasi Boachi, naar de hedendaagse spelling van het Twi ook wel Kwasi Boakye, prins van Ashanti, (Kumasi 24 april 1827Omdat zij geboortedatum onbekend was, is in Nederland een willekeurige datum gekozen – Buitenzorg 9 juni 1904) was de eerste Nederlandse zwarte mijnbouwingenieur. Hij was de oudste zoon van Quakoe Dua II, koning van Ashanti. In 1837 werden hij en Kwame, zijn neef, naar Nederland gestuurd als onderpand bij een verkapte slavenhandel. Boachi volgde een studie tot mijnbouwingenieur aan de voorloper van de Technische Universiteit Delft. Hij vertrok in 1850 naar Nederlands-Indië, maar zijn carrière werd gehinderd door zijn huidskleur. Hij ontving later een schadevergoeding voor de discriminatie die hij had ondervonden.
De reis naar Holland thumb|left|De prinsen Aquasi Boachi en Quamin Poko door J.L. Cornet. In 1837, tijdens het bewind van gouverneur Anthony van der Eb over de Nederlandse Goudkust, sloot generaal-majoor Jan Verveer namens koning Willem I een overeenkomst met de koning van Ashanti waarbij deze beloofde om jaarlijks enkele duizenden soldaten voor Nederlands Oost-Indië te leveren.Het betrof hier slaven van de Ashanti. Nederland en het Verenigd Koninkrijk sloten in 1818 een verdrag dat een einde moest maken aan de slavenhandel. Volgens het contract met Quakoe Dua II schoot Nederland geld voor, waardoor de Ashantislaven zich vrij konden kopen van slavernij, maar dit geld dienden ze als soldaat in het Nederlands Oost-Indisch leger met hun soldij terug te betalen. In feite was er dus sprake van verkapte slavenhandel, waar het Verenigd Koninkrijk dan ook tegen protesteerde. De koning ontving direct een deel van de overeengekomen som en gaf zijn oudste zoon, Aquasi Boachi, en een neef, Quamin Poco (Kwame Poku),Zie Akan-voornamen, Aquasi is de naam voor iemand die op zondag is geboren, Quamin voor iemand die op zaterdag is geboren. 24 april 1827, de gefingeerde geboortedatum van Aquasi, valt niet op zondag maar op dinsdag. Omdat niemand wist wanneer beide jongens geboren waren is een willekeurige datum gekozen. beiden rond de tien jaar oud, mee aan de gouverneur als onderpand voor zijn goede trouw — tevens met de afspraak dat zij in Nederland een goede opleiding zouden volgen.Linse, H. (1900) Aquasi Boachi. Uit De ingenieur: Orgaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Jaargang 15, no. 47, 24 november, blz 714 thumb|Gebouw Franse kostschool van Van Moock, Oude Delft 161 Beide jongens werden naar Nederland gebracht en kwamen op de Franse kostschoolEen Franse school is de voorloper van de HBS. Er werd lesgegeven in de moderne talen, algemene geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde. van Simon van Moock op Oude Delft in Delft.Van Moock had een Frans woordenboek geschreven en hij publiceerde over onderwijsmethoden, vaderlandse geschiedenis, het schrijven van opstellen en onderwijs in de Franse taal. Zijn school had een goede reputatie.
Opleiding en contacten met het koninklijk huis De minister van Koloniën Baud wilde dat de jongens als zendelingen werden opgeleid om later de Ashanti tot het christendom te bekeren, maar zij weigerden dit.
Aquasi was intelligenter en leergieriger dan zijn neef Quamin, en had een zachtaardig karakter. Hij omarmde de christelijke leer waarin beiden werden opgevoed met oprechte overtuiging. In 1843 werd hij, net als Quamin, gedoopt in de Nederduitsche Hervormde Kerk te Delft. Later dacht Aquasi met afschuw terug aan zijn vroege jeugd in Afrika, waar mensenoffers nog veelvuldig werden gebracht.
De jongens werden uitgenodigd aan het hof van koning Willem II en aan dat van hertog Karel Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach, waar zij als prinsen werden ontvangen. Aquasi onderhield een briefwisseling met Herman Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach tot diens overlijden in 1901. Herman Bernhard was het vijfde kind van de hertog en diende later als generaal in het leger van Württemberg. Een levensgroot groepsportret van de jongens en generaal Verveer, geschilderd door Raden Saleh, werd naar de kust van Guinea gezonden om aan de koning van Ashanti te worden aangeboden. Het doek bleef echter hangen in Fort Elmina, waar het binnen enkele jaren grotendeels verging.
thumb|left|Portret van Aquasi Boachi in de Bergakademie in Freiberg Nadat het plan om Aquasi aan de Universiteit van Leiden te laten studeren was opgegeven, werd hij na het afleggen van een toelatingsexamen op 9 juni 1843 ingeschreven als student aan de pas opgerichte Koninklijke Akademie te Delft.Met zijn neef liep het anders. Quamin Poco liep tijdens zij studie aan de Koninklijke Academie in Delft een grote achterstand op omdat hij zich bezighield met het pianospel. Hij wilde daarom officier worden. Hiervoor trad hij in dienst bij de Jagers in Den Haag. In 1848 werd hij als sergeant naar Fort Elmina gestuurd. Hoewel hem beloofd was dat hij na een verblijf van drie maanden daar tot luitenant benoemd zou worden, bleef hij onderofficier en leefde hij in een soort gevangenschap. In Nederland was de mythe ontstaan dat hij de troonopvolger van Quakoe Dua was, maar hij wist zelf wel dat hij niet de eerste in lijn was. Hij verlangde naar zijn familie, maar wist ook dat hij zich niet meer aan de cultuur van de Ashanti zou kunnen aanpassen. Een verzoek om terug te keren naar Nederland werd niet gehonoreerd. In een vlaag van wanhoop pleegde hij op 15 februari 1850 zelfmoord. Hij was populair onder zijn medestudenten en bleef met enkelen bevriend, onder wie zijn beste vriend Hendrik Linse, met wie hij zou blijven corresponderen. In 1847 slaagde hij voor zijn eindexamen burgerlijk ingenieur en werd vervolgens opgeleid tot mijnbouwingenieur. De directeur van de academie, dr. Gerrit Simons, had voor ogen dat Boachi en vier anderen, onder leiding van Cornelis de Groot van Embden — die al een jaar onder professor Bleekrode enige mijnbouwkennis had opgedaan — naar Engeland zouden gaan om het vak grondiger te leren dan in Nederland mogelijk was.
Boachi wist te bewerkstelligen dat hij niet onder leiding van De Groot hoefde te werken, met wie hij slecht overweg kon. In plaats daarvan studeerde hij van juli 1847 tot juli 1848 aan de mijnbouwacademie in Freiberg in Saksen, waar hij onder anderen les kreeg van de befaamde Bernhard von Cotta. Na zijn terugkeer in Delft behaalde hij in 1849 het examen voor mijnbouwingenieur. De Groot en drie medestudenten werden op 19 februari 1850 uitgezonden naar Nederlands-Indië: De Groot als ingenieur 2e klasse, de anderen als aspirant-ingenieur. Boachi ontving pas op 22 april 1850 een soortgelijk besluit, maar met de aanduiding buitengewoon aspirant-ingenieur — een titel die al snel zijn ware betekenis bleek te hebben, toen hem werd meegedeeld dat hij nooit een leidinggevende functie zou kunnen bekleden.Vanwege zijn huidskleur. In een kolonie waar de gekleurde bevolking werd onderdrukt, was geen plaats voor een zwarte die boven blanken zou staan.
Nederlands-Indië Toen Boachi op 9 september 1850 aankwam in Batavia, werd hij uitgenodigd om in het paleis van legercommandant hertog Karel Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach te wonen. Cornelis de Groot wachtte hem op om hem te ontraden van deze uitnodiging gebruik te maken, teneinde geen jaloezie bij zijn collega's te wekken. Hoewel dit advies afkomstig lijkt te zijn van gouverneur-generaal Rochussen, is het onwaarschijnlijk dat die zich zou bemoeien met de persoonlijke aangelegenheden van de hertog; het was waarschijnlijk De Groot zelf die achter dit advies zat. De Groot zou Boachi ook in de jaren daarna stelselmatig tegenwerken. Hij nam Boachi mee op zijn verre dienstreizen en gebruikte hem als bureau-ambtenaar — hetzij omdat hij Boachi minder bekwaam achtte dan zijn collega's, hetzij om hem te vernederen. In 1852 dwong De Groot hem op Madoera achterstevoren te reizen, terwijl een pangeran (inlands hoofd) voorin mocht rijden. Toen de assistent-resident dit bemerkte, gelastte hij dat Boachi naast zijn chef mocht plaatsnemen. In 1853, tijdens een bezoek aan Banjarmasin, was De Groot te gast bij de resident, terwijl Boachi bij de pakhuismeester werd ondergebracht. Op een feest dat de resident organiseerde werd Boachi aan tafel tussen inlanders van lage rang en Chinezen geplaatst, ver van de hoofdtafel. Hij weigerde deze behandeling te accepteren en trok zich terug. De volgende dag bood de resident hem persoonlijk zijn verontschuldigingen aan. De Groot bleef echter vernederende situaties creëren; hoewel zijn gedrag door hogerhand werd afgekeurd, veranderde er in de praktijk niets.
Op 30 december 1853 werd Boachi bevorderd tot ingenieur 3e klasse, opnieuw met de toevoeging buitengewoon. Naar aanleiding van zijn klachten over De Groot werd hem toegestaan jaarlijks van april tot oktober zelfstandig te werken. In 1854 deed hij onderzoek naar de aanwezigheid van steenkolen bij de Meeuwenbaai in de residentie Bantam; in 1855 verrichtte hij een vergelijkbaar onderzoek in het zuiden van de Preanger-regentschappen. De overige maanden fungeerde hij als bureauchef onder De Groot. Toen Boachi begin 1856 bij gouverneur-generaal Duymaer van Twist klaagde over de toevoeging buitengewoon aan zijn titel, antwoordde deze dat hij die aanduiding niet kon wijzigen, maar raadde hij Boachi aan zijn beklag in Nederland te doen. Boachi vroeg verlof aan en vertrok op 28 maart 1856.
Schadeloosstelling Bij een bezoek aan directeur Gerrit Simons van de Koninklijke Academie te Delft ontdekte Boachi dat De Groot degene was geweest die de titel buitengewoon had bedacht. Dit deed hem besluiten ontslag te nemen uit de overheidsdienst, omdat hij als mijnbouwingenieur onvermijdelijk met De Groot te maken zou blijven houden. Tevens verzocht hij minister van Koloniën mr. Pieter Mijer om schadeloosstelling wegens het niet nakomen van eerder aan hem gedane beloften. De minister wees dit verzoek af, maar Boachi wist koning koning Willem III ervan te overtuigen alsnog een schadeloosstelling goed te keuren. Na langdurige onderhandelingen werd in 1857 besloten dat hij een maandelijkse toelage van 500 gulden zou ontvangen.Een viervoud van een modaal inkomen Daarnaast kreeg hij 710 hectare onontgonnen grond in de residentie Madiun in erfpacht voor koffieaanplant — opmerkelijk, aangezien koffieteelt een regeringsmonopolie was. Boachi vestigde zich vervolgens in Sukaraja. Als ondernemer had hij echter tegenslag: zijn bedrijf leed verlies en moest uiteindelijk worden opgeheven. Daarna verkreeg hij de verpachting van Sokasari in de assistent-residentie Buitenzorg, waar hij rijst verbouwde,Staat der partikuliere landerijen. Regerings-almanak voor Nederlandsch-Indië, 1878 maar ook deze onderneming bleek niet rendabel en moest in 1898 worden beëindigd. In 1894 was, op aanbeveling van gouverneur-generaal jhr. van der Wijck, Boachi's toelage al verhoogd tot 600 gulden per maand.Zie Archief Delft, collectie Aquasi Boachi, prins van Ashanti (c. 1843-1904)
Overlijden thumb|Aquasi Boachi met zijn kinderen, Aquasi jr. en Quamina Aquasina. (Java, 1900) Boachi vestigde zich in Bantar Peteh, ten zuiden van Buitenzorg, waar hij tot aan zijn overlijden zou blijven wonen. In zijn latere jaren in Indië was hij zeer geacht; de lokale bevolking had grote eerbied voor hem als prins. Hij bleef contact onderhouden met zijn Delftse vrienden en was vanaf 1854 lid van de Vereniging van Burgerlijke Ingenieurs, waarvan hij in 1859 bedankte. In 1871 trad hij opnieuw toe als lid en tevens als correspondent voor Nederlands-Indië; in 1893 werd hij benoemd tot erelid.Caljé, P. (1998) "De jongens van weleer" in: Henssen, E. (red.) Het Corps als Koninkrijk: 150 Jaar Delftsch Studenten Corps, Hilversum: Uitgeverij Verloren. p.96
Vanwege een slepende ziekte bracht hij zijn laatste levensmaanden door in het ziekenhuis te Buitenzorg, waar hij op 9 juni 1904 overleed. Hij liet verscheidene kinderen na, buiten het huwelijk geboren bij inlandse vrouwen.
Wetenswaardigheden