De Slag bij Alam el Halfa was een belangrijke veldslag in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats tussen 30 augustus en 5 september 1942 ten zuiden van El Alamein. Het Pantserleger Afrika, bestaande uit Duitse en Italiaanse divisies onder het bevel van Erwin Rommel, deed er een poging om het Britse Achtste Leger, dat onder bevel stond van Bernard Montgomery, te omsingelen. In het laatste grote offensief van de Noord-Afrikaanse Veldtocht trachtte Rommel het Britse leger te verslaan vooraleer het voorzien kon worden van materieel en versterkingen, wat een overwinning voor de asmogendheden vrijwel onmogelijk maakte.
Montgomery, die door inlichtingen afkomstig van Ultra descriptie op voorhand op de hoogte was gesteld van Rommels intenties, liet opzettelijke een gat ontstaan in de zuidelijke sector van het front. Hij wist dat de Duitsers hier gingen aanvallen en stelde zijn artillerie en pantservoertuigen 32 kilometer achter het front op, rondom de bergkam van Alam el Halfa. In een nieuwe tactiek werden de tanks ingegraven en gebruikt als antitankwapens, waardoor er geen tegenaanval gelanceerd hoefden te worden, zoals in het verleden het geval was. Ze konden daardoor hun positie op de bergkam behouden. In tegenstelling tot andere tactieken, leidde dit tot een minimum aan verliezen.
Omdat zijn bevoorrading twijfelachtig was en het maar niet lukte de bergkam te veroveren, gaf Rommel het bevel om terug te trekken. Montgomery besloot zijn defensieve overwinning niet uit te buiten en zijn troepen te sparen voor wat de Tweede Slag bij El Alamein zou worden. Toch lanceerde de 2e Nieuw-Zeeland Divisie, tegen het bevel in, een aanval op een Italiaanse positie en leed hierbij zware verliezen. Rommel beweerde dat het Britse luchtoverwicht een beslissende rol speelde in Montgomery’s overwinning.
Achtergrond thumb|Een zespounder antitankkanon. Na de mislukte poging van Rommel om door te breken tijdens de Eerste Slag bij El Alamein en de daaropvolgende tegenaanvallen van Auchinlecks Achtste Leger in juli 1942, waren beide zijden uitgeput. Ze groeven zich in om hun kracht her op te bouwen.
Nabij El Alamein was Rommels bevoorradingspositie onzeker geworden. Zijn aanvoerlijnen waren ver uitgestrekt, zijn grootste bevoorradingshavens in Benghazi en Tobroek lagen respectievelijk 1.300 kilometer en 640 kilometer van het front verwijderd, en de haven van Tripoli bevond zich 1.900 kilometer van het front. Omdat de haven zodanig afgelegen lag, was deze zo goed als buiten gebruik geraakt.
Bovendien voorzag het originele plan van de asmogendheden dat, na de Slag bij Gazala in juni, er een pauze van zes weken werd ingericht om te hergroeperen en te herbewapenen. Rommel had echter beslist om zijn momentum te behouden om te voorkomen dat het Achtste Leger defensieve posities kon voorbereiden, dus achtervolgde hij de geallieerde troepen richting Caïro en indien mogelijk wilde hij verder doorstoten tot aan het Suezkanaal.
Het resultaat hiervan was dat de luchtlandingstroepen, die normaal toegewezen waren om deel te nemen aan de aanval op Malta, nu werden toegekend aan Rommel om de geïmproviseerde aanval naar Egypte te ondersteunen. Als gevolg daarvan waren de Britten in staat om hun aantallen in de Middellandse Zee weer op te bouwen en de aanvoer van voorraden naar Noord-Afrika te remmen door de bevoorradingsschepen zwaar onder vuur te nemen, wat resulteerde in zware verliezen op zee voor de asmogendheden zowel in materieel als in manschappen. Hoewel er nieuwe versterkingen waren ingevlogen vanuit Kreta, kampten Rommels eenheden aan het eind van augustus met een tekort aan belangrijke voorraden, vooral het tekort aan munitie en brandstof vormde een groot probleem.
Generaal Alexander, die pas aangesteld was als opperbevelhebber van het Midden-Oosten, kon daarentegen genieten van een korte afstand tussen zijn bevoorradingshavens in Egypte en de frontlinie. Niettemin waren zijn aanvoerlijnen vanuit het Verenigd Koninkrijk, de Britse Kolonies en de Verenigde Staten zeer lang, wat resulteerde in een groot gat tussen het vaststellen van benodigde voorraden en het arriveren van de uitrusting. Tegen de zomer van 1942 begonnen er echter grote hoeveelheden Sherman-tanks en 6 pounder antitankkanonnen, die de verouderde 2 pounders moesten vervangen, te arriveren. De Britse en Gemenebest luchtmacht werd steeds invloedrijker op de uitkomst van de slag, en bovendien werd ze ondersteund door nieuwe Amerikaanse jachteskaders, die hun strijdwaardigheid moesten bewijzen.
De Duitse inlichtingendiensten hadden Rommel gewaarschuwd voor de komst van een geallieerd konvooi dat 100.000 ton aan voertuigen vervoerde naar Egypte. Hij realiseerde zich dat de tijd tegen hem tikte en dat het arriveren van geallieerde versterkingen de balans in het voordeel van de Britten zou doen omslaan, daarom besloot hij aan te vallen. Hij bracht het Italiaanse Comando Supremo in Rome ervan op de hoogte dat hij 6.000 ton brandstof en 2.500 ton munitie zou nodig hebben voor de geplande startdatum van het offensief tegen het einde van de maand. Tegen 29 augustus waren meer dan de helft van alle gezonden schepen tot zinken gebracht en maar 1.500 ton brandstof had Tobruk bereikt. Rommel kon het offensief niet langer uitstellen omdat de vijand alsmaar sterker werd en besloot een gok te wagen door aan te vallen, met de hoop op een snel succes. Aan het begin van de slag, nadat Albert Kesselring akkoord was gegaan om een deel van de brandstof van de Luftwaffe af te staan, had Rommel genoeg brandstof om 240 kilometer af te leggen per troepenvoertuig en 400 kilometer voor andere voertuigen.
Duitse strategie thumb|Georg von Bismarck met Erwin Rommel De El Alamein-sector bood geen breed front zoals het geval was in andere woestijnslagen, hierdoor zou elke pantserbeweging moeten passeren tussen de zee in het noorden, en de Qattara-depressie in het zuiden, die onberijdbaar was voor tanks. De Britse verdediging was sterk, maar Rommel geloofde dat er zich een zwak punt in de linie bevond. De zuidelijke sector, tussen Munassib en Qaret El Himeimat, was licht verdedigd en Rommel dacht dat er ook geen al te sterk mijnenveld aanwezig was.
Een van de verslagen indiceert dat de noordelijke en centrale sector van het front zo stevig versterkt waren dat het zuidelijke stuk van 24 kilometer, tussen de Nieuw-Zeelandse stelling aan de Alam Nayil Bergkam en de Qattara-laagte, het enige deel van het front was waar er mogelijk een snelle doorbraak met een kans op succes kon plaatsvinden. Om een doorbraak te forceren kon Rommel niet anders dan te blijven oprukken tot hij zijn doel had bereikt.
Aangezien het onmogelijk was om verrassingsaanvallen uit te voeren, stelde Rommel dat zijn aanval afhing van het bereiken van het verrassingseffect door snel op te rukken. Hij wilde snel door de zuidelijke sector breken om zo dwars door de communicatielijnen van het Achtste Leger te snijden, hopend dat dit de vijand zou verwarren en uit balans brengen. Hij wilde over de mijnenvelden heen trekken in een nachtelijke aanval, en plande al ver voorbij de mijnenvelden te zijn tegen zonsopgang.
In het noorden had Rommel de Italiaanse infanteriedivisies, gesteund door de brigade parachutisten van Hermann-Bernhard Ramcke en de Duitse 164e Lichte Afrika Brigade, een frontale aanval laten uitvoeren om er voor te zorgen dat de Britten niet van hun stelling konden wijken om andere delen van die linie te ondersteunen, terwijl zijn hoofdaanval door het zuidelijk deel van de linie zou snijden, waarna ze vervolgens in een scherpe noordelijke linkse beweging doorheen de geallieerde aanvoerlijnen zouden trekken. Hij hoopte dat na deze actie de meeste geallieerde eenheden omsingeld of vernietigd zouden zijn. Rommel, altijd vol met kenmerkend optimisme, had als uiteindelijke doel Egypte en het strategische Suezkanaal in te nemen.
Deze hoofdaanval zou geleid worden door zijn Duitse eenheden, de 15e Pantserdivisie en de 21e Pantserdivisie, vergezeld door de 90e Lichte Infanterie Divisie. De flanken werden gedekt door de drie Italiaanse divisies van het Italiaanse XX Corpo d’Armata, die onder het bevel stonden van generaal Giuseppe de Stefanis.
Geallieerde verdediging thumb|Britse Grant tanks Sinds 13 augustus was het bevel over het Britse Achtste Leger overgedragen aan luitenant-generaal, later veldmaarschalk, Montgomery. Britse Ultra inlichtingen hadden een vijandelijke aanval voorzien, dus had de voormalige bevelhebber van het Achtste Leger, generaal Auchinleck, al een basisplan voor de verdediging opgesteld. Dit plan bevatte enkele noodopties voor het creëren van defensieve stellingen rondom Alexandrië en Caïro voor het geval er vijandelijke eenheden door de linie zouden breken. Na een bezoek aan de frontlinie besliste Montgomery dat deze plannen moesten vernietigd worden en benadrukte dat het zijn bedoeling was het gebied rond El Alamein te behouden tegen elke prijs.
In het noorden werd het XXX Korps, onder bevel van luitenant generaal Ramsden, achter het mijnenveld opgesteld. Het XXX korps bevatte de 9e Australische Divisie, de 1e Zuid-Afrikaanse Infanterie Divisie en de 5e Indische Infanterie Divisie, met de 23e Pantserdivisie in reserve.
De 2e Nieuw-Zeeland Divisie kreeg het bevel een 8 kilometer lang deel van de linie te verdedigen, net ten zuiden van de Ruweisat bergkam. Dit gebied stond bekend als de Nieuw-Zeeland stelling, en verdedigde het noordelijke uiteinde van de stellingen van het XIII Korps. Montgomery zag al snel in dat het vlakke terrein in de zuidelijke sector moeilijk te verdedigen zou zijn tegen een aanval met tanks, en besliste daarom dat het front van aan de Nieuw-Zeeland stelling tot aan Qaret el Himeima licht verdedigd zou worden, om zo Rommel aan te moedigen op dit punt aan te vallen. Deze opening werd voorzien van een mijnenveld en prikkeldraad. De 7e Gemotoriseerde Brigade en de 4e Lichte Pantser Brigade zouden de mijnenvelden beschermen, maar mochten terugtrekken indien het niet anders kon. Daardoor vormde de Nieuw-Zeeland Stelling de hoek van het verdediging netwerk, aangezien zij het hoger terrein nabij Alam Nayil bezaten van waaruit ze de vijand perfect onder vuur konden nemen.
De aanvallers zouden de defensieve stelling treffen, als ze naar het noorden zwenkten en de Alam el Halfa Bergkam naderden, die zich ver achter het front van het Achtste Leger bevond. Hier besliste Montgomery om het merendeel van zijn zware en middelzware tanks in te graven, evenals enkele antitankeenheden, en de aanval af te wachten. Achter de Britse pantsers, op het hoger gelegen terrein ten noordoosten bevonden zich twee brigades van de 44e Infanterie Divisie en concentraties van divisie en korps artillerie.
De 10e Pantserdivisie had zich in de Nijldelta heruitgerust met Grant tanks, die een veel effectiever 75 mm kanon bezaten. Deze moesten zo snel mogelijk de positie in Alam el Halfa versterken. Het merendeel van de 8e Pantser Brigade arriveerde op 30 augustus en nam positie links van de 22e Pantser Brigade, zodat ze de vijand in de flank konden aanvallen terwijl deze oprukte. Zodra Montgomery de opstelling van Rommel had waargenomen na het begin van zijn opmars, beval hij dat de 23e Pantser Brigade, die een reserve vormde binnen het XXX Korps, nu onder het XIII Korps geplaatst moest worden, waar ze bij de 10e Pantserdivisie zou gevoegd worden. Op 31 augustus rond 13.00 uur waren 100 Valentine tanks verplaatst om de opening tussen de 22e Pantser Brigade en de Nieuw-Zeelanders te dichten.
De strijd