De Zhou-dynastie (eind 10e eeuw voor Christus - 256 voor Christus), oude spelwijze Tsjow-dynastie, volgde de Shang-dynastie op en ging vooraf aan de Qin-dynastie in China. De Zhou-dynastie hield langer stand dan welke andere dynastie in de geschiedenis van China ook.

Inrichting De vroege Zhou namen de god van de Shang over, Di, maar voegden hier het filosofische concept van het Hemels Mandaat aan toe. Vanaf de Zhou legitimeerden Chinese heersers hun leiderschap met dit Hemels Mandaat. De heerser ('zoon van de hemel') had een goddelijk recht op de macht, dat voortkwam uit zijn grote deugdzaamheid. Het recht kon verloren raken door een moreel slechte heerser. Dit onpersoonlijke en onfeilbare godsbeeld week af van de persoonlijke en strenge godheid van de Shang (Di).

Omgekeerd werd het mandaat door schrijvers tijdens de latere Zhou ook gebruikt om historische gebeurtenissen te verklaren. De onttroning van de Shang zou volgens deze gedachte bewijzen dat ze het mandaat hadden verloren. Het Hemels Mandaat werd in retroperspectief toegepast op de laatste heerser van de Shang, die slechte eigenschappen werd toegeschreven. De Zhou legitimeerden hun recht op de macht door hun koningen Wen en Wu goede eigenschappen toe te schrijven, die contrasteerden met het veronderstelde sadisme, dronkenschap, incest en kannibalisme van de Shang.

De Zhou-dynastie werd opgericht door de familie Ji en had haar hoofdstad in Hao (in de vallei van de rivier de Wei He ten zuiden van Xi'an. Daar stonden ze in contact met een Proto-Tibetaans volk, de Qiang, dat verder naar het westen leefde. De vroege Zhou deelde de taal en de cultuur van Shang (Yin).

In de westelijke historiografie wordt de Zhou-dynastie vaak bestempeld als feodaal, omdat de vroege gedecentraliseerde controle van Zhou vergelijkingen met de middeleeuwse regering in Europa oproept. In de Chinese marxistische historiografie wordt de Zhou-dynastie aangemerkt als het begin van de feodale fase van de Chinese geschiedenis.

Korte geschiedenis In 770 v.Chr. werd de hoofdstad verwoest door barbaren uit het westen. De Zhou-koning Ping verplaatste de hoofdstad oostwaarts naar Luoyi (het huidige Luoyang) in veiliger gebied. In de historiografie wordt dit het einde van de Westelijke Zhou-dynastie en het begin van de Oostelijke Zhou-dynastie genoemd. Kort daarna in 722 v.Chr. volgde het begin van de Periode van Lente en Herfst. In deze periode kwam duidelijk naar voren dat de koninklijke familie voortaan geen macht meer had, want de leenmannen gingen hun eigen gang. De leenmannen werden krijgsheren en voerden onderling vaak oorlog en stichtten hun eigen staatjes.

In 403 v.Chr. valt de sterke staat Jin uiteen in drie staten. Dit wordt gezien als het begin van de Periode van de Strijdende Staten.

Rond 318 v.Chr. ontstond het rijk van het Xiong Nu-volk. Zij vielen China vaak lastig door de Zijderoute te blokkeren.

In de 4e en 3e eeuw kwam de staat Qin op, die de ene na de andere staat onderwierp. Het gebied van Zhou (het 'Koninklijk Gebied') was niet heilig; in 256 v.Chr. nam Qin de regio in, waarmee de Zhou-dynastie officieel eindigde. In feite waren de Zhou-koningen al lang niet meer belangrijk.

Ontstaan Chinese schrift Tijdens de Zhou-periode ontstaat als vorm van het Chinese traditionele karakterschrift het zegelschrift. Uitingen hiervan worden teruggevonden op bronzen schalen en vaatwerk.

Zie ook Chinese historiografie

Categorie:IJzertijd

Categorie:10e eeuw v.Chr. Categorie:9e eeuw v.Chr. Categorie:8e eeuw v.Chr. Categorie:7e eeuw v.Chr. Categorie:6e eeuw v.Chr. Categorie:5e eeuw v.Chr. Categorie:4e eeuw v.Chr. Categorie:3e eeuw v.Chr. Categorie:2e eeuw v.Chr. Categorie:1e eeuw v.Chr.