De Scharnhorst was een Duits slagschip van de Kriegsmarine en naamschip van de Scharnhorstklasse. Het schip was genoemd naar het vlaggenschip van admiraal Maximilian von Spee en indirect naar de Pruisische generaal Gerhard von Scharnhorst. De Scharnhorst werd op 7 januari 1939 in dienst genomen.

Op grond van het Verdrag van Versailles mocht Duitsland na de Eerste Wereldoorlog geen slagschepen bouwen, maar het Brits-Duits vlootverdrag van 18 juni 1935 gaf meer ruimte. De Scharnhorst en haar zusterschip Gneisenau waren toen al in aanbouw, als voortzetting van de pantserkruisers van de Deutschlandklasse. Volwaardige artillerie voor slagschepen was niet tijdig beschikbaar en tegenstanders classificeerden ze soms als slagkruisers. Ze kregen echter wel de pantsering en hoge snelheid van slagschepen.

De Scharnhorst opereerde vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot in februari 1942 samen met haar zusterschip Gneisenau. Ze kregen hun vuurdoop tijdens een aanval in november 1939 op de Britse 'Northern patrol', waarbij ze een hulpkruiser vernietigden. Tijdens de Noorse invasie in april 1940 konden ze de landingen in Narvik en Trondheim dekken door de Britse slagkruiser Renown weg te lokken van de Noorse kust. Op het einde van de Noorse campagne boekten beide schepen een groot succes door bij een uitval het Britse vliegkampschip Glorious tot zinken te brengen. Op het hoogtepunt van de Slag om de Atlantische Oceaan ondernamen de Scharnhorst en Gneisenau een twee maanden durende raid tegen de konvooiroutes op de Noord-Atlantische en Midden-Atlantische Oceaan, waarbij ze gezamenlijk 22 koopvaarders vernietigden of buitmaakten. Daarna lagen beide schepen lang in reparatie in het Franse Brest. Via de gedurfde Operatie Cerberus keerden alle Duitse schepen te Brest via het Kanaal terug naar Duitsland, met de bedoeling om de Duitse vloot in Noorwegen te gaan versterken. De Scharnhorst liep tijdens die operatie op twee zeemijnen en was tot december 1942 in reparatie. Begin 1943 werd de Scharnhorst naar Noorwegen verlegd uit voorzorg tegen een eventuele geallieerde invasie aldaar, en om tegen de arctische konvooien te opereren. Op 26 december 1943 ging de Scharnhorst ten onder in de Zeeslag bij de Noordkaap, in het laatste grote gevecht tussen slagschepen in Europa.

Ontwerp en bouw Het ontwerp en de bouw van de Scharnhorst en Gneisenau had een lange voorgeschiedenis. In 1934 werd in het kader van het bewapeningsplan van de zojuist aangetreden NSDAP-regering toestemming gegeven voor de bouw van twee extra schepen van de 10.000-tons Deutschland-klasse. De Kriegsmarine wenste echter grotere schepen, die niet door het Verdrag van Versailles toegelaten waren. Aangezien Hitler in zijn buitenlandpolitiek een confrontatie met Engeland vermeed, stond hij zeer weigerachtig tegenover die wensen. Als compromis werd overeengekomen twee 19.000-tons schepen te bouwen die qua grootte en bewapening gelijk waren aan de Deutschlands. Het extra gewicht was voor pantsering. Nadat de kiel werd gelegd van het eerste schip kon Raeder er Hitler van overtuigen de bewapening van de schepen te vergroten van twee naar drie 28 cm geschutstorens, waardoor het gewicht toenam tot 26000 ton. De bouw werd stopgezet en werd pas hervat na het Brits-Duits vlootverdrag van 1935, waarbij veel beperkingen van het Versailles-verdrag opgeheven werden. Uiteindelijk vond de nieuwe kiellegging plaats op 16 mei 1935. Op 3 oktober 1936 werd het schip te water gelaten. Het schip werd op 7 januari 1939 in dienst gesteld door kapitein Otto Ciliax.

De bewapening was lichter dan gebruikelijk voor slagschepen in die tijd: men gebruikte de licht verbeterde 28 cm-kanonnen die al gepland waren voor de opvolgers van de Deutschlandklasse. Een nieuw kanon van 38 cm zou niet op tijd gereed zijn. In het Plan Z van februari 1939 om een Duitse Kriegsmarine op te bouwen die het tegen Engeland kon opnemen, was de herbewapening opgenomen van deze schepen met kanonnen van 38 cm. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden die plannen niet uitgevoerd. De drie geschutstorens met de zware artillerie werden aangeduid met de namen Anton, Bruno en Caesar. Ook de secundaire bewapening was niet modern: de Duitsers ontwikkelden geen 'dual purpose'-kanon dat zowel tegen lucht- als zeedoelen gebruikt kon worden, en daardoor was er een aparte secundaire bewapening van 15 cm-kanonnen tegen zeedoelen en 10 cm zwaar luchtafweergeschut. Daarenboven stonden vier van de 15 cm-kanonnen in verouderde opstellingen zoals gebruikt in de Deutschlandklasse, waarbij de munitieaanvoer manueel gebeurde in plaats van via een munitielift zoals bij de andere, op barbettes geïnstalleerde geschutstorens. Zoals op alle schepen van de Kriegsmarine bestond de middelzware en lichte luchtafweer uit dubbelloops 3,7 cm en enkelloops 2,0 cm geschut.links|miniatuur|Pantsering Scharnhorst In het buitenland, vooral in Groot-Brittannië, werden de schepen vanwege het lichtere kanon beschouwd als een nieuw type slagkruiser, maar de Duitse marine sprak zelf consequent van Schlachtschiffe. Qua grootte (bijna 35.000 longton) en bepantsering waren het inderdaad slagschepen. De pantsering van het gordelpantser was 350 mm dik en de voorkanten van de geschutstoren hadden 360 mm pantsering, maar het pantserdek was slechts 105 mm dik en bevond zich twee dekken lager dan het batterijdek, zodat veel uitrusting op deze tussenliggende dekken kwetsbaar was voor vijandelijk vuur. De pantsering van de commandotoren was 350 mm, de zijkanten van de geschutstorens 200 mm en de achterkant 350 mm.miniatuur|De Scharnhorst met rechte boeg en hoofdmast achter de schoorsteen.De voorgaande Deutschlandklasse schepen waren veel kleiner en waren uitgerust met een innovatieve dieselaandrijving. De Scharnhorst had drie keer zoveel vermogen nodig als de Deutschlands en dat kon met de toenmalige stand van techniek nog niet door dieselmotoren geleverd worden. Het alternatief waren stoomturbines, en de Kriegsmarine experimenteerde met stoomketels en turbines die in plaats van natte stoom, oververhitte stoom gebruikten. Men hoopte dat deze voortstuwingsinstallaties kleiner, lichter en economischer in verbruik waren. De machines met oververhitte stoom produceerden inderdaad het gewenste vermogen, maar ze waren heel onbetrouwbaar en lastig in onderhoud.

In juli-augustus 1939 onderging de Scharnhorst enkele aanpassingen op de marinewerf van Wilhelmshaven: de rechte boeg werd vervangen door een klipperboeg zodat het schip zeewaardiger werd in ruwe zee, en de voorste geschutstoren minder last kreeg van kortsluitingen door overslaand buiswater. De vliegtuighangar werd vergroot zodat er plaats was voor twee Arado 196-verkenningstoestellen met opgeklapte vleugels. Een vliegtuigkatapult met daarop het derde verkenningstoestel werd bovenop de hangar gezet, de tweede vliegtuigkatapult die gemonteerd was op de achterste geschutstoren bleef behouden. De grote mast werd verplaatst van achter de schoorsteen naar achter de vliegtuighangar. In maart 1940 werd ten slotte de vliegtuigkatapult weggehaald van de achterste geschutstoren. Het vliegtuig dat op die katapult stond werd tijdens gevechtsoperaties door het schokeffect van de zware artillerie vernield, en het volgetankte toestel veroorzaakte ook brandgevaar voor de gevechtstoren. Bovendien was het ingewikkeld om het verkenningstoestel op deze katapult te krijgen: de vliegtuigkraan die het watervliegtuig uit het water optakelde kon niet bij de achterste katapult en er was een extra overzetkraan nodig om het toestel startklaar op de katapult te krijgen. Deze overzetkraan werd samen met de katapult verwijderd. De Scharnhorst werd beschouwd als een van de fraaiste schepen van de Kriegsmarine, met scherpe lijnen, veel details en een scherpe klipperboeg, de zogenaamde Atlantik Bug.

Operationele inzet Eerste missie miniatuur|Het passagiersschip SS Rawalpindi, dat in het begin van de Tweede Wereldoorlog omgebouwd werd tot de hulpkruiser HMS Rawalpindi. De eerste missie waaraan de Scharnhorst deelnam, was een gezamenlijke operatie met de Gneisenau in het noorden van de Atlantische Oceaan, onder bevel van de vlootcommandant Wilhelm Marschall. De bedoeling was een aanval op de 'Northern Patrol', de Britse patrouille tussen IJsland en de Faeröereilanden. Daarmee wilde men de druk op de Britse Home Fleet hoog houden om vele schepen nodeloos paraat te houden om een uitbraak naar de Atlantische oceaan te verhinderen en zo te voorkomen dat er meer schepen vrijgemaakt werden om op de Admiral Graf Spee te gaan jagen. De Duitse vloot voer op 21 november 1939 uit en onderschepte op 23 november de patrouillerende hulpkruiser HMS Rawalpindi. De Rawalpindi probeerde te ontkomen achter een rookgordijn, maar het schip werd snel in brand geschoten door de slagschepen. De Rawalpindi kon de Britse vloot alarmeren voor ze zonk.

Na het gevecht verscheen nog een ander patrouillerend schip, de Britse kruiser HMS Newcastle. De Duitse schepen ondernamen echter geen actie tegen deze inferieure tegenstander maar braken de reddingsactie voor de overlevenden van de Rawalpindi direct af en voeren weg. Slechts 38 van de 276 bemanningsleden van de Rawalpindi overleefden de aanval. De actie slaagde in zijn opzet: de hele Home Fleet liep direct uit om te voorkomen dat de Duitse schepen uitbraken naar de Atlantische oceaan om daar konvooien aan te vallen. De Scharnhorst en Gneisenau weken echter uit naar het noordoosten en wachtten op slecht weer om ongemerkt terug te kunnen keren. Op 26 november ontweken ze de linie van patrouillerende Britse schepen tussen de Shetlands en Noorwegen door bij stormweer en slecht zicht dicht onder de Noorse kust te varen. Op 28 november 1939 was het eskader terug in Wilhelmshaven.miniatuur|De lichte kruiser Newcastle|linksDeze operatie veroorzaakte een conflict tussen de vlootcommandant Marschall en de Seekriegsleitung (Skl). De Skl was zeer ontevreden omdat Marschall de lichte kruiser Newcastle niet vernietigd had. De kruiser was alleen en was een gemakkelijke prooi. Marshall daarentegen vond dat zijn opdracht eruit bestond om een afleidingsmanoeuvre te verzorgen voor de Graf Spee, wat met het vernietigen van de Rawalpindi volledig gelukt was. In het donker en bij slecht weer had de kruiser zich goed kunnen verweren met torpedo's en een van de Duitse schepen kunnen beschadigen. Met een beschadigd schip terug naar Duitsland doorbreken was tot mislukken gedoemd.

Buiten de Scharnhorst en Gneisenau had de Duitse marine geen zware eenheden, het verlies van een van deze schepen zou catastrofaal zijn voor de Duitse marine. De Britten daarentegen hadden meer dan genoeg kruisers, het verlies van een lichte kruiser zou geen enkele invloed hebben op de Britse overmacht, dus besloot Marshall om elk risico te vermijden. Hij was ook van mening dat een vlootcommandant zijn operationele orders naargelang de situatie zelfstandig kon aanpassen. Het conflict werd niet uitgeklaard na deze operatie, en bij Operatie Juno in het volgende jaar zou het opnieuw aan de oppervlakte actueel worden.

Operatie Nordmark thumb|De Scharnhorst (links) en de Gneisenau