Insecten (Insecta) zijn een klasse van zespotige, ongewervelde dieren die behoren tot de geleedpotigen (Arthropoda). Met meer dan een miljoen beschreven soorten vormen de insecten verreweg de grootste klasse binnen het dierenrijk. Geschat wordt dat vele miljoenen soorten nog niet zijn beschreven en benoemd. Insecten komen voor in vrijwel alle leefomgevingen op aarde, met name op het land en in zoetwater. In de zeeën overheerst een andere groep geleedpotigen, de kreeftachtigen.

Alle insecten hebben een driedelig lichaam (kop, borststuk en achterlijf) dat omgeven is door een hard, chitineus exoskelet. Het exoskelet wordt via vervelling tijdens de groei een aantal keren afgeworpen en vernieuwd. Het borststuk draagt drie paar flexibele poten en veel soorten hebben ook vleugels om mee te vliegen. Het achterlijf bevat de spijsverterings-, uitscheidings- en voortplantingsorganen van het insect, evenals een groot deel van het ademhalingssysteem, dat uit tracheeën is opgebouwd.

Veel insecten ondergaan tijdens hun ontwikkeling drastische veranderingen in lichaamsvorm en fysiologie. Deze zogenaamde volledige metamorfose kenmerkt zich door een popstadium, waarin de larve zich transformeert tot een volwassen insect (imago). Andere insecten hebben een meer geleidelijke, onvolledige metamorfose en ontwikkelen zich via een reeks nymfale stadia. De taxonomie van insecten is voor een belangrijk deel gebaseerd op het verloop van de metamorfose.

Sommige insecten spelen een directe rol in het leven van de mens, bijvoorbeeld bij het overbrengen van ziekten, door het opeten van de oogst, maar ook door de bestuiving van voedingsgewassen en de productie van honing of zijde. In veel culturen zijn insecten een belangrijke bron van voedsel. (2018): 'Insects as Human Food' in ; (eds.) Ethnozoology. Animals in our Lives, Elsevier, p. 195–213 Door menselijke activiteiten is de biodiversiteit van insecten in diverse delen van de wereld ernstig aangetast.; (2019): 'Worldwide decline of the entomofauna: A review of its drivers' in Biological Conservation, Volume 232, p. 8–27

Naam De naam insect is afgeleid van het Latijnse woord insectum en slaat op het hoofdkenmerk van de groep, namelijk het in drieën gedeelde lichaam. Het Latijnse werkwoord insecare, met als passief voltooid deelwoord (PPP) insectum, betekent 'insnijden'. Een verouderde Nederlandse naam is dan ook kerfdieren. Het Griekse éntomon (ἔντομον) verwijst ook naar dit kenmerk, vanuit het werkwoord ἐντέμνω, 'insnijden'. De wetenschap die zich met de bestudering van insecten bezighoudt, is de entomologie.

Evolutie Hoe de insecten precies zijn ontstaan is niet geheel duidelijk, zelfs de groep waaruit ze ontstaan zijn is niet precies bekend. Uit fragmenten uit het Devoon is bekend dat er ongeveer 350 miljoen jaar geleden al insecten leefden. Omdat deze soorten echter al zeer gespecialiseerde dieren waren, zijn de insecten waarschijnlijk nog ouder. Veel insecten worden gevonden in barnsteen, versteend hars van naaldbomen waarin een exemplaar goed geconserveerd blijft.

Een nog groter raadsel is wanneer de insecten konden vliegen en hoe de vleugels zijn ontstaan. Alle gevonden fossiele vliegende insecten waren waarschijnlijk al behendige vliegers en er zijn nog geen vondsten gedaan van tussenvormen van lichaamsdelen en vleugels.

Anatomie links|miniatuur|Bidsprinkhaan(Archimantis latistyla)

De verschillende variaties van lichaamsvormen binnen het insectenrijk zijn enorm, zowat iedere combinatie is mogelijk. Sommige groepen hebben een vrij kenmerkende lichaamsvorm zoals de ronde kevers en de langwerpige wandelende takken. Insecten hebben echter altijd een in drieën verdeeld lichaam (kop, borststuk en achterlijf) en al is dat lang niet altijd duidelijk te zien, de meeste soorten zijn hieraan toch te herkennen. Soms zijn de delen versmolten of is een deel ook weer gesplitst waardoor dit basisplan niet meer op lijkt te gaan. Voorbeelden zijn het lieveheersbeestje en de mieren. Het lieveheersbeestje lijkt uit één deel te bestaan en de mier lijkt juist uit meer dan drie delen te zijn gebouwd. Bij de bidsprinkhanen is het voorste deel van het borststuk verlengd, zodat de vangpoten naar voren zijn geplaatst.

De drie belangrijkste delen zijn de kop of caput, het borststuk of thorax en het achterlijf of abdomen. Aan de kop zijn de ogen gelegen, kaakdelen en voelsprieten (antenna). Het borststuk draagt drie paar poten en meestal één of twee paar vleugels. Het achterlijf bevat de spijsverterings-, uitscheidings- en voortplantingsorganen van het insect en een groot deel van het ademhalingssysteem met de ademhalingsbuisjes, de tracheeën.

Sommige insecten bootsen plantendelen of andere insecten na. De geïmiteerde soorten betreffen vaak de meer gevaarlijke soorten. Een voorbeeld is de ongevaarlijke zweefvlieg, die vaak op een stekende wesp lijkt. Andere insecten lijken op de meest uiteenlopende plantendelen, zoals een tak, een blad, een uitschieter of een doorn.

Voortplanting De voortplanting van insecten vindt over het algemeen plaats door inwendige bevruchting en zich buiten het moederlichaam ontwikkelende eitjes. Insecten kennen een paring, waarbij de mannetjes geslachtscellen afgeven in de vrouwtjes. Bij sommige groepen is de paring een waar schouwspel, zoals het paringsrad van de waterjuffers. Na de paring wordt het sperma van het mannetje direct naar de eicellen geleid, maar kan ook worden opgeslagen. Koninginnen van bijen en wespen paren in de nazomer en produceren pas eitjes na de winterslaap in de lente. De waaiervleugeligen kennen een bijzondere paring; traumatische inseminatie, waarbij het mannetje een gat in het vrouwtje maakt om zijn sperma af te geven. De insecten kennen hiernaast vele bijzondere manieren van voortplanting met ieder een eigen term zoals maagdelijke voortplanting, gynandromorfisme of hypermetamorfose, waarbij de larve niet één, maar twee keer verpopt.

De eitjes van insecten zijn klein en komen soms na enkele dagen, maar soms pas na maanden of na een winterrust uit. Sommige zijn kleverig of worden met een lijmachtige substantie op een oppervlak geplakt. Insecteneitjes hebben alle mogelijke vormen: rond, flesvormig, tonvormig, staafvormig of ovaal, de enorme variatie in kleuren en met name patronen van kuiltjes, putjes, stekeltjes en bobbeltjes geeft een insectenei op microscopisch niveau vaak een fraai uiterlijk. Alle insecten produceren eitjes, maar soms komen ze in het moederdier al uit, zodat het lijkt of het insect levendbarend is (ovovivipariteit of eierlevendbarend). Een voorbeeld is de tseetseevlieg. Er zijn zelfs insecten, zoals de luisvliegen (Hippoboscidae), die al volledig zijn verpopt als ze ter wereld komen.

Bij veel insecten zijn de volwassen exemplaren al maanden dood als hun eitjes uitkomen, maar er zijn ook soorten, bijvoorbeeld bepaalde wantsen, die een tijdje voor de jongen zorgen door ze te beschermen. Sommige wantsen maken zelfs een soort crèche, door meerdere nakomelingen te verzamelen en deze met meerdere moederwantsen te bewaken, zodat de nimfen beter worden beschermd.

Ontwikkeling miniatuur|Een blauwe glazenmaker kruipt uit de larvenhuid(Aeshna cyanea) De meeste insecten maken een volledige of onvolledige gedaanteverwisseling (metamorfose) door bij ontwikkeling van respectievelijk larve of nimf naar imago (volwassen insect). Het jonge insect groeit stapsgewijs, met iedere vervelling. Na de laatste vervelling kan het insect zich voortplanten en is anatomisch volledig ontwikkeld; larven en nimfen hebben nooit vleugels. Deze stapsgewijze groei is nodig door de zeer geringe elasticiteit van het exoskelet, dat steeds afgeworpen moet worden om het insect te laten groeien. Het groeien gebeurt vlak na de vervelling, het enige moment waarop het pantser zacht en rekbaar is.

Een larve is het juveniele stadium van een aantal groepen insecten, namelijk die met een volledige gedaanteverwisseling. Een larve is wormachtig en heeft nog geen of weinig harde delen. De insecten met een larvestadium worden holometabool genoemd. De larven kunnen zich soms moeilijk verplaatsen als de poten niet of nauwelijks zijn ontwikkeld. Voorbeelden zijn kevers, vliegen en muggen, bijen, mieren en wespen en vlinders, maar uitzonderingen zijn er ook zoals de larven van rovende kevers. Voorbeelden van verschillende typen larven zijn: de ritnaald of koperworm, de larve van kniptorren de engerling, de larve van bladsprietkevers de emelt, de larve van de langpootmuggen de rups, de larve van vlinders Een larve vervelt meerdere malen, waarbij hij steeds groter wordt. Sommige larven zien er per stadium iets anders uit. Veel larven vreten zich ergens in, zoals een boom, een stuk fruit, een dood dier, een mesthoop etc. De larve blijft eten tot hij volledig is ontwikkeld en dan vindt de verpopping plaats. De pop komt na enige tijd, soms na een seizoensrust, uit, waarna het volwassen insect of imago tevoorschijn komt. Een eenmaal volwassen insect vervelt niet meer en wordt ook niet groter. Een kleine kever wordt dus nooit een grote kever, maar is een andere soort.

Een nimf is ook een nog niet volledig ontwikkeld insect, dat net als een larve na de laatste vervelling pas uitgroeit tot de imago. De insecten met een nimfenstadium worden hemimetabool genoemd: zij hebben een onvolledige gedaanteverwisseling. Voorbeelden zijn sprinkhanen, krekels, wandelende takken, kakkerlakken, bidsprinkhanen en oorwormen. Een nimf lijkt vanaf de geboorte al op een volwassen exemplaar, al is de afmeting veel kleiner, zijn de ledematen nog kort en ontbreken vleugels. Net als een larve groeit de nimf in stapjes door te vervellen en wordt na iedere vervelling iets groter. In tegenstelling tot een larve zijn veel karakteristieke kenmerken van de imagines al wel ontwikkeld, zo kunnen nimfen van sprinkhanen springen met de achterpoten en nimfen van bidsprinkhanen hebben al direct de gespecialiseerde vangarmen. Ook zijn ze mobieler en bewegen zich door de bladeren of op de bodem in plaats van op één plaats te blijven zoals veel larven doen.

De larven van sommige hemimetabole insecten, zoals libellen, worden larven genoemd. Deze lijken anatomisch gezien al op de imago, maar de felle kleuren en de imposante vleugels komen pas na de laatste vervelling tevoorschijn.

Ademhaling miniatuur|Tracheeënstelsel van een kakkerlak. De hoofdtracheeën lopen horizontaal in de afbeelding. De lengte van de gele schaalbalk bedraagt in werkelijkheid 2 mm. Insecten halen adem door hun achterlijf. Het achterlijf van een insect bevat vele, microscopisch kleine gaatjes, de poriën. Deze poriën vormen het begin van een systeem van kleine buisjes, tracheeën genaamd. Deze werken ongeveer op dezelfde manier als de luchtpijp bij de mens. Er loopt een netwerk van die vertakte buisjes door het lichaam. Via deze buisjes wordt de zuurstof in de lucht opgenomen in het lichaam. Om uit te ademen geven ze koolzuurgas en water af door dezelfde buisjes.

Verdediging miniatuur|De doorns zijn in werkelijkheid de poppen van het oranjetipje, een vlinder.(Anthocharis cardamines) Er zijn maar weinig insecten die kiezen voor de aanval, de meeste soorten hebben een zeer goede camouflage. Sommige soorten zijn echte meesters in vermommen en lijken sprekend op een takje, een doorn of een blad. Bekende voorbeelden zijn de wandelende tak en het wandelend blad. Bepaalde motten zijn nagenoeg onzichtbaar als ze op een boombast zitten.

De bekendste stekende insecten zijn bijen, wespen en hommels die een speciaal orgaan hebben om te steken; de angel. Omdat deze is ontstaan uit de legbuis, hebben alleen vrouwelijke exemplaren een angel, maar de zo massaal voorkomende werksters zijn altijd vrouwtjes. Sommige mieren hebben ook gifangels. Mieren kunnen meestal bijten en spuiten soms tegelijkertijd mierenzuur, wat de pijn intensiveert.