Het Oude Minderbroedersklooster, ook Eerste Franciscanenklooster genoemd, is een voormalig klooster van de franciscanen in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. Behalve het Eerste Minderbroedersklooster is er in Maastricht ook een Tweede Minderbroedersklooster (met bijbehorende kloosterkerk), de huidige bestuurszetel van de Universiteit van Maastricht. Het Derde Minderbroedersklooster, met een neogotische kloosterkerk, is in 1971 afgebroken.
Al sinds 1639 is het gebouwencomplex aan de Sint Pieterstraat in het Jekerkwartier geen klooster meer. Het was onder meer in gebruik als weeshuis, arsenaal, militair hospitaal en archief. De circa 700 jaar oude kloosterkerk vervult in feite langere tijd niet-religieuze, dan religieuze functies. Van het oorspronkelijke klooster resteren slechts enkele originele bouwdelen. Het belangrijkste overblijfsel is de mergelstenen kloosterkerk in Maasgotische stijl, waarvan de bouw waarschijnlijk omstreeks 1300 begon en die een eeuw later zou zijn voltooid.
Geschiedenis Franciscanenklooster De franciscanen of minderbroeders kenden een bewogen geschiedenis in Maastricht. In 1234 verleende de Luikse bisschop Johan van Rummen toestemming aan de in 1209 in Italië ontstane Orde der Franciscanen (Ordo Fratrum Minorum, O.F.M.) om een klooster te vestigen in Maastricht. Het klooster lag in het zuidelijk deel van de toenmalige stad, tegen de eerste stadsmuur aan, die enkele jaren daarvoor was gebouwd.Dingemans (1983), pp. 9-11.
thumb|left|190px|Oude Minderbroederskerk: plint van kolenzandsteen thumb|left|190px|Opgegraven vloerfragment De bouw van de kerk zou kort voor 1300 zijn begonnen, maar het gebruik van kolenzandsteen voor de plint duidt mogelijk op een hogere ouderdom. Ook bevinden zich in de kerk minstens twee grafzerken uit de dertiende eeuw, terwijl geen sporen zijn gevonden van een eerdere kerk of kapel elders op het terrein. Het koor van de kerk zou pas in de vijftiende eeuw voltooid zijn, hoewel de gewelfschilderingen in de veertiende eeuw werden gedateerd. Omstreeks 1485 moest de kerk, volgens Herbenus, wegens bouwvalligheid geschraagd en hersteld worden. Ook kwamen bij die bouwcampagne enkele kloostergebouwen tot stand. Van het klooster is slechts een deel van een vleugel bewaard gebleven. In 1506 stortte tijdens een storm de dakruiter door het dak van de kerk, waardoor grote schade werd aangericht, onder andere aan het volgens tijdgenoten prachtvolle hoofdaltaar.Dingemans (1983), pp. 9-14.
Omdat het kloosterarchief tijdens de godsdiensttwisten, en later in de Franse Tijd verloren is gegaan, is er slechts weinig bekend over het middeleeuwse klooster. In 1336 ontstond er een geschil over de inkomsten tussen de minderbroeders enerzijds en het kapittel van Sint-Servaas en de pastoors van de parochiekerken van Sint-Jan en Sint-Matthijs anderzijds, dat door de Luikse bisschop Adolf van der Mark beslecht moest worden. Als bedelorde leefden de minderbroeders van giften, waarvan zij naar pauselijk bevel een kwart moesten afstaan aan de parochiegeestelijken. In 1371 laaide het conflict met de Sint-Jan opnieuw op. Waarschijnlijk hielden de minderbroeders zich in Maastricht, naast de zielzorg, ook met onderwijs bezig. In archivalia worden de scholasters Caudenborne (1297), Johannes Becker (1372), Johan Tilman van Leuven (1447) en Johan van Esch (1452) vermeld. In de vijftiende eeuw trad er verslapping op in het klooster, waarna in 1496 de kloostertucht hersteld werd vanuit het klooster in Den Bosch. Rond 1517 sloot het klooster zich aan bij de observantenbeweging binnen de franciscanenorde.Dingemans (1983), pp. 9, 15-17.
Rond 1470 schonk de edelman Nicolaus van Harlaer bij zijn intrede een Mariabeeld, dat onder de naam Sterre der Zee vereerd werd in een eigen kapel (in het verlengde van de zuidbeuk) en dat al snel een grote aantrekkingskracht had op Maria-vereerders. Aan het begin van de zeventiende eeuw beleefde die devotie een hoogtepunt in de paasmaandagprocessies, zoals beschreven door de franciscaan Hendrik de Vroom (gelatiniseerd tot Henricus Sedulius) in zijn boekje Diva Virgo Mosæ-Traiectensis ("De goddelijke Maagd van Maastricht") uit 1609.Dingemans (1983), pp. 19-23.
De Reformatie en de daarop volgende godsdiensttwisten hadden voor de minderbroeders grote gevolgen. In 1578 werden ze, samen met de jezuïeten, uit de stad verdreven, met name door toedoen van de Staatse commandant Willem van Horne (1550-1580). Daarbij ging ook een groot deel van het archief verloren. Het klooster van hun ordegenoten op de Sint-Pietersberg (de naam "Slavante" ontstond later) werd zelfs compleet verwoest. Na de inname van Maastricht door Parma (1579) keerden ze naar hun klooster terug, waarschijnlijk samen met die van Slavante, dat pas decennia later herbouwd zou worden. De periode tot 1632, toen de stad werd ingenomen door Frederik-Hendrik, kenmerkte zich door relatieve voorspoed, waarbij de Sterre-der-Zee-devotie een hoge vlucht nam. In 1624 schonk het stadsbestuur een rijk versierd altaar, dat een plaats kreeg in de Sterre-der-Zeekapel, die waarschijnlijk al eerder was uitgebreid met een barokke koepel (gesloopt omstreeks 1880).Dingemans (1983), pp. 17-18.
Na het zogenaamde Verraad van Maastricht in 1638, waarbij onder anderen de franciscaner pater Vink betrokken was, moesten de minderbroeders de stad opnieuw verlaten. Een aantal paters vestigde zich op 25 juli 1639 in de restanten van het klooster van Slavante, even buiten de stad. Het beeld van de Sterre der Zee bleef aanvankelijk in de stad, verborgen bij de zusters Annunciaten in Wyck, maar zou korte tijd later een lange zwerftocht beginnen. Twee kloosterlingen mochten voor de bewaking van de gebouwen achterblijven. Zij woonden in de ziekenvleugel en werden pas in 1647 definitief verdreven.Dingemans (1983), p. 18.
Na het Beleg van Maastricht (1673) kregen de franciscanen van de Franse bezetters toestemming om zich opnieuw in de stad te vestigen. Het oude klooster kregen de paters echter niet terug, al hebben ze twee keer nog korte tijd in een deel van het gebouw gewoond. Uiteindelijk woonden zij in enkele huizen aan de Kapoenstraat. Op de Minderbroedersberg werd vanaf 1699 een nieuw klooster gebouwd, het Tweede Minderbroedersklooster.Dingemans (1983), p. 31.
Militaire bestemming thumb|Tekening uit het album van de bombardier Egidius Pickhart (1759) In 1640 werd in het klooster een gereformeerd weeshuis gevestigd. In 1657-58 werd de kerk verbouwd en geschikt gemaakt om als arsenaal te dienen voor het Maastrichtse garnizoen.Ubachs/Evers (2005), p. 39: 'arsenaal'. In de later vervangen oost- en zuidvleugels werd in 1685 door gouverneur Georg Frederik van Waldeck-Eisenberg een militair hospitaal ingericht. Na het vertrek van het weeshuis naar een nieuw gebouw in de Lenculenstraat (de huidige Toneelacademie), werden de vrij gekomen gebouwen omstreeks 1695 door het garnizoen in gebruik genomen als kazerne. De combinatie van militair hospitaal, militaire opslagplaats en kazerne bleef ook in en na de Franse Tijd in Maastricht (1795-1814) voortbestaan. In de zeventiende en achttiende eeuw werd het complex aan de Sint Pieterstraat meestal aangeduid als 'Groot Arsenaal'; in de negentiende en begin twintigste eeuw gebruikte men voornamelijk de aanduiding 'Sint-Pieterskazerne'. Van het complex maakte ook de zogenaamde commandantswoning van de Sint-Pieterskazerne deel uit, die direct achter de kerk gelegen is.Dingemans (1983), pp. 25-33.
In de achttiende en negentiende eeuw hebben enkele amateurkunstenaars het voormalige kloostercomplex meerdere malen getekend. Een bewaard gebleven album uit 1759 met zeer gedetailleerde tekeningen van de 'bombardier' (kanonnier) Egidius Pickhart (†1784) geeft een beeld van het strak georganiseerde arsenaal omstreeks het midden van de achttiende eeuw. De bekende lokale tekenaars Philippe van Gulpen (1792-1862) en Jan Brabant (1806-1886) legden rond het midden van de negentiende eeuw het toen sterk vervallen complex vast, waarbij men bij eerstgenoemde soms beducht moet zijn op speculatieve reconstructies van in zijn tijd niet meer bestaande situaties.
Tekeningen van Egidius Pickhart
Tekeningen van Philippe van Gulpen
Tekeningen van Jan Brabant
Restauratiegeschiedenis en gebruik gebouwen Eerste restauratie thumb|Het kerkinterieur omstreeks 1900, gedomineerd door kachelpijpen en boekenkasten uit respectievelijk 1885 en 1883 thumb|Vervallen kloostervleugel, 1928 thumb|Moderne inrichting studiezaal HCL, 2007 In 1867 werd de vestingstatus van Maastricht opgeheven. Door het vertrek van het garnizoen, werd ook het arsenaal overbodig en kwam de Oude Minderbroederskerk leeg te staan. Delen van de kloostergebouwen bleven nog een halve eeuw in gebruik als kazerne, totdat in 1917 de Tapijnkazerne gereed kwam. Onder andere door toedoen van Victor de Stuers werd de kerk bestemd tot depotruimte voor het Provinciaal Archief, dat in 1866 was opgericht en dat zeer provisorisch behuisd was.Dingemans (1983), pp. 33-37.
In de periode 1876-1885 werden kerk en delen van het klooster gerestaureerd en gerenoveerd naar een ontwerp van de rijksbouwmeester Jacobus van Lokhorst. In het middenschip van de kerk werden twee houten, als magazijn gebruikte verdiepingen die tot onder het gewelf reikten, weggebroken, in de zijschepen ieder een. Bij de uitvoering van de plannen werd Van Lokhorst soms stevig gehinderd door Cuypers, die eigenlijk zonder mandaat over de rijksbouwmeester heen ging. Zo zette Cuypers door dat de bepleisterde gewelven van de kerk kaal geschuurd zouden worden. Alleen daar waar op het pleisterwerk nog sporen van beschildering zichtbaar waren, maakte men op aandringen van Victor de Stuers een uitzondering. De muren, die tijdens het militair gebruik van onder tot boven zwart geteerd waren, werden eveneens tot op de lichte mergel afgeschuurd. De zwart teerlaag op de hardstenen zuilen moest worden afgekapt, hetgeen hun huidige pokdalige karakter verklaart: de hardsteen zit vol putjes.Emmens/Viersen (1996), p. 63.
De gebouwen werden ingericht als Rijksarchief in Limburg en Stadsarchief en -Bibliotheek Maastricht, die respectievelijk in 1881 en 1883 hun ruimten konden betrekken. Korte tijd was volgens de bouwtekeningen van Van Lokhorst een deel van het middenschip ook gepland als locatie voor de kleine, stedelijke verzameling van oudheden. De achttiende-eeuwse schilderijen (zie hieronder), enkele jaren eerder verwijderd uit het Stadhuis, zijn daar een herinnering aan.
Tweede restauratie In 1915 verhuisden de Stadsbibliotheek Maastricht en het Gemeentearchief Maastricht – inmiddels gescheiden diensten – naar het Generaalshuis aan het Vrijthof, en bleef het Rijksarchief alleen achter aan de Sint Pieterstraat. Van 1939 tot 1942 vond in oorlogstijd onder de historicus/rijksarchivaris dr. Gerard Panhuijsen een tweede grootscheepse restauratie plaats, waarbij het sterk vervallen klooster deels werd gesloopt. Architect was Henri de Lussanet de Sablonière. De westelijke vleugel aan de Sint Pieterstraat werd met de uit de achttiende eeuw daterende gebouwen aan de eerste 'kloosterhof' gerestaureerd. Aan de tweede kloosterhof werd de westelijke kruisgang met op de begane grond een reeks vijftiende-eeuwse spitsboogvensters uitgebreid met een bakstenen aanbouw en voorzien van een nieuw dak.Van den Boogard/Minis (2001), pp. 62-63. De zuidelijke gevel met achthoekige archivariskamer aan de Begijnenstraat dateert eveneens van deze restauratie.
Derde restauratie